Feyenoord is hofleverancier van Oranje. Met dank aan de Varkenoord-revolutie

Clasie, Kongolo, Martins Indi, De Vrij, Fer, De Guzman, Wijnaldum, Vlaar en natuurlijk de grote held Robin van Persie. Al deze spelers van het Nederlands elftal hebben één ding gemeen: ze spelen of speelden bij Feyenoord.

Medium sportzomer post

Rotterdam ploft bijna uit elkaar van trots. De dienstdoende wethouder van Sport heeft zich zelfs met een Oranjeshirt met ‘010’ op de achterkant laten fotograferen omdat het gehate ‘020’ als hofleverancier is onttroond.

Voor kenners is deze rolwisseling geen verrassing, want al jaren worden de verschillende teams van Jong Oranje grotendeels bevolkt door spelers die zijn opgeleid op Varkenoord, het jeugdcomplex naast stadion De Kuip. Hoe is dit grote succes van de jeugdopleiding op Rotterdam te verklaren?

Een aantal oorzaken ligt voor de hand. Zo verkeert de ooit steenrijke club al jaren in financiële problemen en daardoor krijgen goedkope jeugdspelers volop kansen om jong te debuteren in het eerste elftal. Ook is het velen opgevallen dat de jeugdtrainers veelal oud-topspelers zijn met een sterke band met de club. Ajax heeft op aandringen van Cruijff deze benadering overgenomen.

Er zijn echter ook minder voor de hand liggende factoren. De belangrijkste:

  • Minder en tegelijk intensiever trainen.
  • Nieuwe spelers heel geleidelijk laten wennen aan het intensieve trainen.
  • Talenten vier keer per jaar selecteren.
  • Kinderen laten spelen met leeftijdgenoten, en niet in een team met spelers die een jaar ouder zijn.

Deze voor de conservatieve voetbalwereld revolutionaire vuistregels zijn ontworpen door Raymond Verheijen, een inspanningsfysioloog die een aantal jaren bij Feyenoord in dienst was en daarna onder meer heeft gewerkt voor Manchester City, Barcelona, Chelsea, Zenit Sint-Petersburg en de nationale teams van Nederland, Zuid-Korea en Wales.

Vier jaar geleden interviewde ik hem voor het blad J/M voor Ouders over zijn werk bij Feyenoord en zijn afstudeeronderzoek waarvoor hij gedurende een groot aantal jaren tienduizend jonge voetbaltalenten volgde bij de Nederlandse profclubs. Hij kwam tot schokkende conclusies. Zo liepen de jonge stervoetballertjes gemiddeld 4,5 tot zes centimeter groeiachterstand op. En ze hadden een grote kans zwaar geblesseerd te raken. ‘Gebroken benen, spierscheuringen, je komt echt de ergste zaken tegen’, vertelde Verheijen, die toen inmiddels door de Engelse topclub Manchester City was aangetrokken om daar de manier van trainen te begeleiden.

Waarom gaat er tot de dag van vandaag zoveel mis bij de opleiding van topvoetballertjes? Een belangrijke factor vormt hierbij de manier waarop clubs selecteren. Voetbalclubs hebben de elftallen naar leeftijd en vaardigheden ingedeeld. Ben je onder de zeven of acht jaar en erg goed, dan kom je in de F1 van bijvoorbeeld Ajax, Feyenoord of PSV. De leeftijdsgrens ligt op 1 januari. En juist dit simpele feit heeft verregaande consequenties.

De trainers die denken dat ze puur op talent selecteren, blijken in de praktijk vooral naar ervaring en kracht te kijken

Voor hun F-elftallen selecteren trainers van topclubs nu uit honderden kinderen die in 2007 geboren zijn. Onder hun toeziend oog laten zevenjarige voetballertjes hun kunsten zien. Trappen, balaanname, positiespel. Wat de trainers meestal vergeten, is dat kinderen die in de eerste maanden van dat jaar geboren werden, hierbij flink in het voordeel zijn. Zij zijn net wat krachtiger, hebben meer ervaring en hun coördinatievermogen is ook wat beter dan dat van kinderen die in oktober, november of december werden geboren. Logisch, ze schelen immers ruim een half jaar in leeftijd. En dat is veel als je zeven bent.

De trainers die denken dat ze puur op talent selecteren, blijken in de praktijk vooral naar ervaring en kracht te kijken. Want januari, februari en maart zijn in de geboortemaanden van veel jeugdige topteams zwaar oververtegenwoordigd. Ruim veertig procent van de toptalenten is in die eerste drie maanden geboren. Het is dus relatief makkelijk om als ‘januarikind’ een selectieteam te halen. Van de talenten uit oktober, november en december zit slechts tien procent in een selectieteam.

De geselecteerde topvoetballertjes trainen vaak en spelen veel wedstrijden. Hun lichamen zijn eigenlijk voortdurend overbelast en dit heeft consequenties voor de groei. Verheijen, die van alle voetballertjes regelmatig de lengte opmat: ‘In de zomervakantie trekt het wel iets bij, maar niet genoeg om leeftijdgenoten nog in te halen. Ze blijven een stuk kleiner.’

In 2007 werd Verheijen aangesteld op Rotterdam Zuid. ‘Ik schrok me rot toen ik de lijst met ernstige blessures zag’, vertelde hij. ‘En met name de grootste talenten werden het vaakst getroffen.’ Op zijn voorstel werd het aantal trainingen onmiddellijk van zes keer per week naar vier keer teruggebracht. En de selectie van talenten vondt niet één keer maar vier keer per jaar plaats. Er kwamen meer elftallen, zodat iedereen met kinderen van dezelfde jaargang ging spelen. ‘Voetbal is geen duursport’, legde hij uit. ‘Het gaat vooral om handelingssnelheid en dat moet je intensief oefenen. Je doet dat veel beter door vier keer op honderd procent te oefenen, dan zes keer op tachtig procent. Want van dat laatste word je wel heel moe, maar het levert niets op.’

Talenten zoals Martins Indi en De Vrij die van amateurclubs uit de regio kwamen, werden ook op aandringen van Verheijen veel voorzichtiger gebracht. Daarover zei hij:

‘We bouwen het bij nieuwkomers nu ook veel beter op. Als zo’n jongen van zestien bij een amateurclub wordt weggeplukt, laten we hem eerst gewoon twee keer in de week trainen. Na een paar maanden wordt dat drie keer en komt er ook af en toe een wedstrijdje bij. Pas na driekwart jaar draait hij volledig mee. Als je zo’n jongen onmiddellijk volledig inzet, kun je er vergif op innemen dat hij binnen een half jaar geblesseerd is. De overgang van amateur- naar profclub is gewoon heel erg groot. Dat trekt het lichaam niet.’

De maatregelen bij Feyenoord zijn wetenschappelijk onderbouwd en aantoonbaar succesvol. Door de methode Verheijen gaat er minder talent verloren, de kinderen lopen geen groeiachterstand op en raken minder geblesseerd. De doorstroom naar het eerste elftal van Feyenoord (en uiteindelijk het Nederlandse team) is ongekend hoog.

Je zou denken dat andere clubs Verheijens regels overnemen, maar dat ligt toch moeilijk. Trainers van bijvoorbeeld Ajax reageren nog steeds woedend als hij hun achterhaalde trainingsmethoden voor jonge voetballers bekritiseert. Zelf zei hij daar vier jaar geleden over: ‘Nederlandse clubs zijn toch kleine koninkrijkjes met allemaal mensen die denken dat hun manier de enige juiste is. Zij blijven dus heel veel trainen. Als ouder moet je wel heel goed nadenken of je daar je kind aan wilt uitleveren.’