Sport

Fictie

Een veelgehoord kritiekpunt in de bespreking van literaire werken is dat een schrijver er niet in zou zijn geslaagd ‘personages van vlees en bloed’ te creëren, dat zijn boek wordt bevolkt door ‘bordkartonnen karakters’, die ‘geen diepte’ hebben, niet ‘rond’ of ‘driedimensionaal’ zijn, geen ‘echte mensen’ kortom.

Waarom we per se ‘personages van vlees en bloed’ willen hebben, is mij een raadsel. Die zitten de hele dag al om ons heen, met z’n allen, en dat is toch wel genoeg. Dat is het prettige van een boek: dat je eindelijk eens te maken hebt met niet-echte mensen, met fictionele figuren, die je niet in de weg zitten, je niets aandoen, je niet lastigvallen en die je kunt ontlopen door het boek dicht te slaan.

Waarom zou fictie moeten lijken op de werkelijkheid? Dat is toch juist het fijne van fictie: dat het niet de realiteit is? Die komt me al tot hier (gebaar met hand tegen strot), en ik heb er liever minder dan meer van.

Andersom is het iets anders. Als werkelijkheid fictie wordt, of lijkt. Op die manier beleefde ik bijvoorbeeld het wereldkampioenschap sprint (schaatsen), afgelopen weekend. Mensen van vlees en bloed worden personages, figuren in een _feelgood-_tragikomedie voor 32 vrouwen, 38 mannen, nog een paar figuranten, wat homunculi en een paar vertellers.

Frank Snoeks, televisiecommentator, is de alwetende verteller. Hij, als centrale focalisator, laat af en toe zijn verhaallijn even los ten faveure van een flashback, een grappig intermezzo of anderszins een verstoring van de lineaire ontwikkeling van de plot.

Het WK sprint is prachtige fictie. Een spannend jongensboek en een spannend meisjesboek in één. Twee verhaallijnen, die min of meer parallel lopen, komen aan het eind subtiel bij elkaar in de ereronde van de winnaars (m en v). Geen open einde, maar een degelijk ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’.

Toen ik als zes-, zeven-, halfacht-jarige jongen van voetbal begon te houden en ’s avonds mocht opblijven om belangrijke wedstrijden te zien, was ik ervan overtuigd dat de spelers die ik op tv zag (het Grote Ajax) alleen daar bestonden, op televisie, en dat er niet in het echt iemand was als Wim Suurbier of Sjaak Swart. Laat staan Johan Cruijff. Het is moeilijk uit te leggen, maar de koppeling tussen de (fictionele) wereld van het beeldscherm met de realiteit waarin ik leefde, kon ik niet maken. De schok toen ik voor het eerst in het Olympisch Stadion een echte wedstrijd van mijn tv-helden zag, was dan ook groot. Ze bestonden echt.

Het WK sprint moet je in je eentje zien. Op de tweezitsbank. Alleen met de televisie, en de commentatoren, analisten, presentatoren en interviewers. Dat is genoeg leven in de brouwerij. Het moet op afstand blijven en in zekere zin abstract zijn.

Omdat (moderne) dansvoorstellingen verpest (kunnen) worden door de lijfelijke aanwezigheid van de dansers en hun zicht-, hoor- en ruikbare inspanningen (bonk bonk op de vloer, hijgen, transpiratie die in het rond vliegt), willen we de sporters, je vrienden voor deze dag, op afstand houden. Ze mogen niet te reëel zijn, niet te realistisch overkomen. In een geabstraheerde vorm van zichzelf maken ze gezamenlijk dit kampioenschap tot een magnifieke voorstelling.

Magnifiek: de bocht van Shani Davis op de tweede 1000 meter – en dan vooral de 86 herhalingen ervan. Dat zie je niet in het echt, de eindeloos opnieuw getoonde manoeuvre van de Amerikaan. In slowmotion, in slow-slowmotion, vanuit zes hoeken, tot je het kunt dromen, elke centimeter: de pure schoonheid van vandaag.

Bij het ingaan van de tweede bocht lag Davis een meter of twintig achter op Lobkov. Dat betekende dat er een moeilijke kruising op komst was. Toen Davis vlak voor het uitkomen van zijn binnenbocht dat ook in de gaten had, versnelde hij op ongekende wijze: hij zette hard aan en wist met twee, drie sprongen, werkelijk sprongen, voor Lobkov langs te kruisen.

Helemaal perfect werd het door het commentaar van Frank Snoeks. (Een standbeeld voor die man. Monument. Een feestbundel.) ‘Kijk, Martin, kijk, dit wordt legendarisch. Dit komt in het jaaroverzicht. Het is historisch, dit, en wij zijn erbij, vandaag, 21 januari 2007, dames en heren, een onvergetelijk moment voor de schaatssport. Deze man is een fenomeen.’

Het vertellen van Snoeks is een van de dingen waardoor het WK alles heeft wat een goed fictiewerk, een boek bijvoorbeeld, kan bieden. Gedreven door ziedende ambitie en geldingsdrang storten de personages zich in avonturen, die soms goed en soms slecht verlopen. Het noodlot kan zomaar toeslaan – de Zweed Joel Eriksson, wiens schaats breekt, zodat hij op een geleend paar moet rijden. Er vinden grote en kleine drama’s plaats – winnares-met-overmacht van de 500 meter, Jenny Wolf, valt op de 1000 meter. Er zijn metaforen (‘hij raakt ’m goed’; ‘haar lichaam zet de rem erop’), dialogen en natuurbeschrijvingen (‘de luchtdruk is aan het zakken; het is nu nog maar 976 millibar!’). Zoals het hoort in moderne fictie wordt de grens tussen fictie en werkelijkheid verkend – plotseling een shot van de wereld buiten de hal, waar een sneeuwstorm woedt. Er is cultuurkritiek – ‘In Polen hebben ze nu eenmaal niet de faciliteiten die wij hier wel hebben.’ Er worden filosofische vragen gesteld – Marianne Timmer, wier geest dingen wil, maar wier lichaam die niet kan uitvoeren. Er wordt gerefereerd aan Griekse tragedies – de godinnenstrijd tussen de blonde rondborstige Anni Friesinger en de minder blonde en rondborstige Ireen Wüst. Er is een broer-zusmotief (de Friesingers). Er is een wederopstanding – voormalig topschaatser Gianni Romme wint als coach de wereldtitel. Er zijn antihelden, er zijn grote onbekenden, afwezigen. Het toeval mag af en toe een rol spelen – ‘Wat moet Pekka Koskela rijden om wereldkampioen te worden? 1.09.03. En wat reed hij gisteren op deze afstand? 1.09.03!’ Ook is er de pechvogel – de Rus Yeshin, die tot twee keer toe over een tegenstander heen moet springen. Er is de jeugdige Sturm und Drang-held – Even Wetten, die in zijn woonplaats voor zijn eigen publiek zichzelf overtreft.

Het is allemaal prachtig. Ik merk hoe mijn benen meebewegen, duwen, tijdens de rit van Shani Davis. Alsof ik Davis ben – ik identificeer me geheel met deze held – alsof ik schaats en nog harder wil. Shani Davis is de archetypische revolutionair in dit verhaal, de opstandige held, die allerlei tegenstand weet te overwinnen en zijn doel bereikt, ondanks alles.

De schaatsers zijn geen mensen van vlees en bloed meer, maar dragers van een idee of een eigenschap. Ze zijn de personificatie van iets, een emotie bijvoorbeeld. Erben Wennemars, die met al zijn strijdlust moet berusten in een teleurstellende zesde plaats. Pekka Koskela, die bijna wint maar net niet (1.09.17 in plaats van die 1.09.03) maar sportief genoeg is om de winnaar hartelijk te feliciteren.

Mensen worden tijden. Cijfers. Factoren in een bijna mathematisch systeem, of een spel. Niks vlees en bloed. Naar de interviews met de rijders, tussendoor, kijk ik dan ook liever niet. Vanaf mijn plek zijn ze helden, mijn helden, in elk geval vandaag, en het zou jammer zijn als het gewoon maar echte mensen zouden blijken.