Niet opbouwen maar afbreken: dat lijkt het doel te zijn van David Graeber en David Wengrow in Het begin van alles, hun boek over misvattingen over de geschiedenis van de mensheid. De prehistorische landbouwrevolutie was geen revolutie, de Amerikaanse kolonisten hielden niet van democratie en jager-verzamelaars waren heus niet zo vredelievend. Niet, niet, niet. Hoe constructief is zo’n vorm van wetenschapsbeoefening nog? Wat draagt ze bij?

Wie Graebers andere werk kent, ziet een patroon. Geld ging historisch niet vooraf aan schuld, het was juist omgekeerd, schreef hij in Schuld uit 2011. Veel van onze banen zijn niet nodig en niet nuttig; het zijn bullshit jobs, beweerde hij in het gelijknamige boek uit 2018. Die subversieve aanpak paste ook bij zijn anarchistische politieke overtuiging: niet-regeren als een ideaal. Niet, niet, niet.

Dit negativisme kan toch constructief zijn. In de ‘normale’ wetenschap, om met Lakatos te spreken, heerst een dominant paradigma dat lange tijd vruchtbaar kan zijn, maar vroeg of laat uitgeput raakt. Vooruitgang is dan slechts mogelijk door aan die norm te gaan twijfelen.

Juist in de sociale en geesteswetenschappen is zulk deconstructivisme hard nodig. Daar heersen immers niet alleen wetenschappelijke theorieën, maar ook maatschappelijke narratieven. Dat inheemse Amerikanen democratischer waren dan de Founding Fathers is een vervelend gegeven in een maatschappij die zichzelf als de bron en het toppunt van democratie beschouwt – en dus bleef dit gegeven lang onbekend.

Uiteraard is de economie voluit deel van de sociale en geesteswetenschappen. Ook hier is het moeilijk om nieuwe ideeën te ontwikkelen, maar nóg moeilijker om oude los te laten, zoals Keynes schreef. Die oude ideeën zijn zo taai niet alleen omdat ze ons bevestigen in een prettig zelfbeeld, maar meestal ook omdat er veel geld mee verdiend wordt.

We bezitten de grootste pensioen-spaarpot ter wereld

Je vindt die noodzaak van dubbele deconstructie – van wetenschappelijke én maatschappelijke narratieven – op de meest onvermoede plaatsen. Neem ons pensioenstelsel. Na zestig jaren van sparen en beleggen bezitten we de grootste pensioenspaarpot ter wereld. In elk redelijk scenario voldoende om tot in lengte van dagen waardevaste pensioenen te betalen. Toch blijven we de pot vergroten, door premies te verhogen en pensioenen niet te indexeren.

Het maatschappelijk narratief dat dit mogelijk maakt, is de fictie dat we de vergrijzing financieel niet aankunnen. De wetenschap die hierbij wordt ingezet is een model van vrije keus en optimale uitkomsten. We vinden er een huishouden dat kiest hoeveel te sparen door premie te betalen, en een bedrijf dat het geld ontvangt om te investeren en te produceren, zodat de leden van het huishouden later genoeg kunnen consumeren. Het wemelt in deze ene zin van de ficties.

Nederlandse huishoudens kiezen niet hoeveel ze sparen door premie te betalen. Dat wordt hun door de pensioenfondsen verteld, en deelname is bij wet verplicht. Hadden ze de keus, ze zouden minder betalen.

Hun premie gaat ook niet naar een bedrijf dat er iets productiefs mee doet. Het gaat naar een pensioenfonds, dan naar een asset manager als Blackrock, die koopt er een deelneming in een indexfonds van, het indexfonds koopt aandelen van een hedgefund, het hedgefund koopt er een aandeel in een exchange traded fund mee, die koopt een aandeel KLM, KLM keert het geld uit als dividend aan John de Mol, die er een Shell-obligatie van koopt – enzovoort. Bij elke transactie stijgt de waarde van de obligaties en aandelen, en bij elke transactie worden er vergoedingen betaald.

Op deze manier is de waarde van financiële activa wereldwijd in de afgelopen twee decennia vijftig procent sneller toegenomen dan de mondiale output, zoals McKinsey onlangs berichtte, met dank aan de pensioenfondsen. Met productie van goederen en diensten of de vergroening van de economie heeft deze keten niets van doen. Productie is echt niet afhankelijk van onze pensioenpremies. Die zijn een claim op toekomstige output, en die claim is intussen groot genoeg.

Alleen als we zulke ficties onder ogen zien, ontstaat ruimte voor verandering. Die komt er door die feiten te benoemen die niet in dominante modellen passen. Precies als in Het begin van alles, een boek over ons verre verleden dat toch verrassend actueel is.