Fictieve onschuld in Israël

In Bezette gebieden nemen mannen en vrouwen hun vertrouwde posities in, om voorzichtig nieuw gebied te verkennen. De lezer blijft op afstand, maar bij vlagen slaagt Grunberg erin intieme wanhoopsontroering over te brengen.

‘Klootzak.’ Bezette gebieden, de nieuwe roman van Arnon Grunberg, opent met een woedende brief van de jonge vrouw Michette aan haar behandelend psychiater en ‘klootzak’ Kadoke – we kennen deze twee nog uit voorganger Moedervlekken. Ze is woedend omdat hij op een instrumentele manier met haar is omgegaan. In een ademloze tirade laakt ze zijn hoogmoedigheid en de arrogantie waarmee hij haar meende te kunnen bevrijden van haar geestelijke pijn, zonder werkelijk in haar schoenen te kunnen of willen staan. Met een explosieve cocktail van hele en halve waarheden weet Michette haar psychiater vervolgens uit het beroepsregister geschrapt te krijgen.

Na dit openingssalvo raakt Kadoke in rap tempo al zijn zekerheden kwijt. De seculiere man belandt in een huwelijk met zijn orthodox-joodse achter-achter-achternicht Anat. Het kersverse echtpaar vestigt zich in Israël, in een politiek-religieuze kolonistengemeenschap in de bezette gebieden. Vrouwen dragen daar alles verhullende wijde jurken en rare hoofddeksels, de caravans hebben tl-verlichting, er wordt op plastic stoelen gezeten en uit plastic bekers gedronken.

Kadoke beschouwt het maar als een uitgelezen kans zich in nederigheid te oefenen. Wat nog niet erg lukt, want hij is een onverbeterlijke Oud-Zuid-snob die zich drukker maakt over het gebrek aan goede espresso’s dan over politiek geweld. Anat, op haar beurt, gelooft niet in het onthechte individualisme dat haar echtgenoot tot levensfilosofie heeft verheven en dringt bij hem aan op verbinding met een collectieve joodse identiteit. Volstrekt tevergeefs. Ten einde raad noemt ook zij hem een klootzak, een ‘agnostische klootzak’ om precies te zijn. In het slot van de roman groeit er tussen een seculiere Palestijnse man genaamd Fahed en Kadoke een geheime affaire.

In eerdere romans van Grunberg kregen de mannelijke hoofdpersonages wel ergere beschuldigingen naar het hoofd geslingerd dan die van klootzak. De hoofdaanklager was meestal een verbaal ontremde moederfiguur. In Huid en haar bijvoorbeeld oreerde zij: ‘Het liefst zou je willen dat ik dood was. Nou, ik ben bijna dood. Overigens was je als kind al net zo. Een onmens.’ De zoon, argumentatief evenmin voor de poes, bood altijd koppig verzet tegen dit moederlijk oordeel.

Met een haast noodlottige onvermijdelijkheid imiteren de liefdesrelaties in het Grunberg-universum die primaire rolverdeling tussen moeder en zoon, met de vrouw als aanklager en de man in het beklaagdenbankje. Opstandig raken die mannen verwikkeld in sadomasochistische slapstick, waarin ze de rol vervullen van onmens of Messias, of allebei tegelijkertijd. De doorgewinterde lezer weet dus dat de grunbergiaanse fictiemachine lekker op stoom komt als er een Verwijtende Vrouw à la Michette op het romantoneel verschijnt.

In Bezette gebieden nemen mannen en vrouwen hun vertrouwde posities in, om vervolgens voorzichtig nieuw gebied te verkennen. Kadoke is een eenzaat, een klootzak allicht, maar géén onmens – en het seksueel sadisme is in deze roman dan ook lang niet zo prominent aanwezig als in eerdere werken. Het is geen detail dat de hoofdpersoon aan het slot onstuimig verliefd wordt op een man. Kadoke betreedt dan een erotische ruimte die niet bij voorbaat volledig gedefinieerd is door het diep ingesleten man-vrouw- en moeder-zoon-drama. Deze Palestijnse minnaar zal tegenover Kadoke verklaren: ‘Wij zijn onschuldig.’ Onschuldig, want Fahed weigert moreel te oordelen over hun vreemdgaan en weigert bovendien te geloven dat hun liefde te reduceren zou zijn tot gepolitiseerde identiteitscategorieën als ‘jood’ en ‘Palestijn’. Toch zijn politieke kwesties in de gehele roman nooit ver weg: seksueel geweld, Europees antisemitisme en het conflict tussen Israël en Palestina dreigen voortdurend het persoonlijk leven van deze personages geheel en al op te slokken.

Dat er langzaam wat beweging lijkt te komen in diep ingesleten patronen, blijkt eveneens uit de lotgevallen van de moederfiguur. Die metamorfoseert in deze roman terug tot vader. Dat steekt nogal complex in elkaar: in Moedervlekken was de moeder al overleden. De vader van Kadoke had zich echter tot moeder getransformeerd, in een wanhopige poging haar zo toch nog in leven te houden. In Bezette gebieden verandert deze ouderlijke figuur weer terug in een man. Deze vader – hij is terminaal – karakteriseert Kadokes huwelijk met Anat als een gevangenis, en maant zijn zoon los te komen van een onnodig schuldbeladen plichtsbesef. Betekenisvol is bovendien dat de oude man wil sterven en zijn zoon smeekt hem los te laten. Dat is een verschuiving van de verhoudingen zoals die er waren in Huid en haar, toen de moeder haar zoon ervan beschuldigde dat hij haar dood wenste.

De grunbergiaanse fictiemachine komt altijd lekker op stoom als er een Verwijtende Vrouw verschijnt

Op een abstracter niveau plaatst de roman, via de lotgevallen van de veelgeplaagde Kadoke, ook het rationele denken in het beklaagdenbankje. Als zelfverklaarde stoïcijn loopt de geneesheer met open ogen in het zwaard van zijn onderdrukte lustgevoelens. Het is daarom verleidelijk de roman te lezen als een parabel: pas op, rationele overtuigingen zullen er nooit in slagen verlangens en emoties permanent te onderdrukken. Maar als een kurk die van een champagnefles plopt, zo krachtig verzet de ratio zich tegen dit primaat van de gevoelens.

Dat verzet bevindt zich op het diepste niveau van de roman, want met name de taal van Grunberg lijkt bezeten door een streven naar ultieme transparantie. Neem het woord ‘huwelijk’ in deze monoloog van Anats moeder: ‘Haar huwelijk was een slecht huwelijk, maar ik heb altijd gezegd: beter een slecht huwelijk dan helemaal geen huwelijk. En wat is een slecht huwelijk? Een beetje slecht is elk huwelijk.’ De schrijver varieert nauwelijks in deze schrijfstijl: personages en verteller uiten zich allen op deze repeterende manier. De taal wordt zo tot absolute klaarheid gedwongen, de lezer krijgt onverbiddelijk alinea na alinea erin gehamerd wat het onderwerp is.

De plot lijkt onder hetzelfde tl-licht gecomponeerd te zijn. Het is waar, de gebeurtenissen zijn soms absurd of wat gezocht, maar álle plotwendingen zijn aan elkaar geklonken via een strenge keten van causale verbanden en worden zo verklaarbaar gemaakt. We weten exact hoe de seculiere Kadoke in Israël in een gemeenschap van streng-religieuze joodse kolonisten terechtkomt, want er gebeurde eerst dit, toen volgde dat, en toen besloot hij… et cetera. We worden nooit geconfronteerd met een stilte in het leven van deze man, een brokstuk geschiedenis dat domweg in het duister blijft. Kadoke stuit op de grenzen van het rationele weten, maar de talige inrichting van de roman getuigt van diep verzet tegenover dat inzicht.

Die drang naar controle domineert eveneens de manier waarop Bezette gebieden #metoo in de kunst aan de kaak stelt – een kwestie die deze toch al zo volle roman ook nog aanroert. Michette onderhoudt een amoureuze relatie met een beroemde literaire auteur. Deze schrijver gebruikt de verwikkelingen tussen Michette en Kadoke als grondstof voor zijn nieuwe roman. In de gefictionaliseerde versie van hun levens hebben cliënt en behandelaar een seksuele relatie (we krijgen die ingebedde roman overigens niet te lezen). Het Nederlandse publiek neemt vervolgens voetstoots aan dat deze fictie een ‘waargebeurd verhaal’ openbaart. Voilà, een publiek schandaal is geboren.

Therapeut en romanschrijver zijn evident extensies van de schrijver Grunberg, die zo zichzelf tegen zichzelf uitspeelt. Hier Kadoke-met-de-blinde-vlek-voor-grensoverschrijding, daar de schrijver die genadeloos die blinde vlek registreert. Hoe clever en zelfbewust Grunberg daarbij te werk gaat, blijkt uit de manier waarop vrouwelijke personages gestereotypeerd worden. Kadoke bladert wat in die sleutelroman en ergert zich aan het seksisme. Hij moppert dat het personage van de jonge labiele vrouw gereduceerd is ‘tot een wat manipulatief lustobject’. Nog geen pagina verder komt Michette bij Kadoke langs. Via Kadokes perspectief lezen we dat ze een lieve, gebroken stem opzet als ze iets gedaan wil krijgen van een ander. Verdomd als het niet waar is, die Michette is een manipulatief lustobject. Bezette gebieden speelt zo met een feministische leeshouding, die zowel geridiculiseerd als opgeroepen wordt.

Als lezer blijf je ondertussen op afstand, zit je toch vooral te kijken naar iemand die tegen zichzelf schaakt. Sommige zetten zijn wat flauw of gezocht. Het reëel bestaande feminisme zet Grunberg op een gemakzuchtige manier buitenspel: er fladdert in de roman heel even een irrationele feministische activiste langs die uit pure rancune Kadoke in het gezicht spuwt, en dat was het.

Andere zetten zijn ingenieus. Ruimte voor de lezer om zelf een zet te doen is er hoe dan ook nauwelijks en dat blokkeert vaak interpretatief plezier, de mogelijkheid een beetje te kauwen op een betekenis die niet door de schrijver zelf al bij voorbaat is ingecalculeerd. Het resultaat is dat het vaak lijkt alsof deze romanwereld achter een glazen wand staat. Je kunt kijken, niet binnentreden.

Toch slaagt Bezette gebieden er bij vlagen in een intieme wanhoopsontroering over te brengen. Aan het begin: hoe de vader van Kadoke in opstand komt, zichzelf afschminkt, geen zin meer heeft in de farce die fictie is. En hoe de zoon doorworstelt met datzelfde personage, niet kan loslaten, al is er het inzicht dat de tijd om los te laten al lang gekomen is. Hoe Kadoke er niet in slaagt het Europees antisemitisme dat terug is van nooit weggeweest nog langer weg te rationaliseren. De woede en rouw over een Europa dat zich maar niet wil bevrijden van het messianistisch christendom, dat telkens opnieuw denkt dat het uit de weg ruimen van de zondebok helpt om de verlossing te bespoedigen. Hoe Kadoke ondanks zichzelf ontredderd is over het aanstaande bloedvergieten dat in Israël en Palestina onvermijdelijk lijkt.

Bezette gebieden is geschreven op een heikel punt in onze tijd, aan het einde van een merkwaardige stilte voor de storm, vlak voor de doorbraak van een werkelijkheid die zelfs door het woord ‘oorlog’ niet meer beschreven zal kunnen worden. Dat Grunberg dát weet over te brengen zonder pathetisch te worden, is het niet te rationaliseren geheim van zijn schrijverschap.