Vierhonderd jaar grachtengordel: De Derde en Vierde Uitleg

Fier gegordelde schoonheid

Volgens de Unesco is de Amsterdamse grachtengordel een ‘masterpiece of town planning’. Is dat wel zo? Was er echt sprake van een stedenbouwkundig plan? Of deden ze maar wat?

Medium sk a 4750week35 groot

Bij de toekenning van de status Unesco Werelderfgoed wond men er geen doekjes om: de Grote Uitleg van Amsterdam was ‘een stedenbouwkundig megaproject’ van ‘ongehoorde omvang en complexiteit’. Het was een mirakel van ingenieursvernuft – want uitgevoerd in een land dat alleen met een ingewikkeld stelsel van afwateringen en dijken droog gehouden kon worden. De stad plantte linden langs de grachten; wie er een erf kocht, moest achter zijn huis een tuin aanleggen. ‘Wij hebben ’t Groene Wout/ hier binnen onze Stadt’, aldus Melchior Fokkens in 1662, en de burgers bouwden stadspaleizen die konden wedijveren met de beste hôtels van Parijs. Het was nog nooit vertoond.

Tijden veranderen: dat de grachtengordel werelderfgoed zou kunnen worden was veertig jaar geleden nog ondenkbaar. Amsterdam was toen een artikel 12-gemeente en behandelde het gebied stiefmoederlijk, want voor aankopen en restauraties had men geen geld. De bouwwereld had weliswaar afscheid genomen van het radicale modernisme, die klap-in-je-gezicht-architectuur als de bank van Marius Duintjer aan de Vijzelstraat, maar de toenmalige Schaefer-nieuwbouw was vaal en zonder historische visie. Panden met hoogwaardige architectuur verdwenen zomaar; historische interieurs werden monter weggesloopt. ‘Stadsgeschiedenis’ was vooral een toeristisch of museaal begrip.

Bij de herwaardering van de grachtengordel en de viering van het vierhonderdjarig bestaan is het aardig te bedenken wat er nou eigenlijk precies geherwaardeerd wordt. De Unesco-status maakt de gordel niet tot een museum, maar toch ook weer wel, en áls het dan een museum is, wat wordt er dan eigenlijk bewaard? De zeventiende eeuw? De achttiende? De negentiende? De architectuur van Vingboons en De Keyser, of die van Berlage, Baanders en Van Gendt?

Aangezien de grachtengordel ook landelijk bezit is – het is het nationale podium voor inhuldigingen en uitvaarten – steken bij het vierhonderdjarig bestaan allerlei nationalistische noties over het verleden de kop op. Machtige clichés zijn te horen, over de deugdzame koopmansgeest, de geneigdheid tot innovatie, de voorkeur voor praktische zaken – sloten graven, handel drijven, kanonnen gieten, schepen bouwen, kaas maken – boven geestelijke, een voorliefde voor sobere, functionele architectuur, een innige relatie met het water. De schilderkunst van de Gouden Eeuw is dan te zien als de weerslag in beeld van dat eerlijke succes, en de grachtengordel is er de etalage van.

Als er een pand wordt verbouwd tot appartementencomplex krijgt dat steevast een quasi-zeventiende-eeuwse naam, ‘Keyserveste’, of zoiets. Is dát wat de grachtengordel zijn waarde geeft, gouden letters op een gevel, een prijzige reconstructie van een glorieus maar fictief verleden? Is de grachtengordel de uitdrukking van een hoger ideaal?

De gedachte dat de Amsterdamse grachtengordel het gevolg is van één geniaal concept, één meesterplan, dateert uit de negentiende eeuw. De plattegrond gaf kennelijk blijk van een uitzonderlijke visie: dat moest wel het werk van een groot ontwerper zijn. De stadstimmerman (hoofd openbare werken) Hendrick Staets is er vaak voor aangewezen. Hij was het niet. Er was geen Vitruvius, geen Palladio of Wren, die met de passer een volmaakte halvemaan tekende, en daarin kaarsrechte radialen en kaden. De grachten zelf – de combinatie van water, kade en woonhuizen met opslagfunctie – waren een voortzetting van wat men in de oude stad gewend was, en bovendien: die grachten waren wel fraai voor het oog, maar allesbehalve ideaal. Werkelijk beschaafde zeventiende-eeuwers woonden liever aan een lommerrijke boulevard, zoals het Lange Voorhout in Den Haag, waar je met je koets kon rijden. De Amsterdammers hadden echter geen keus: ze woonden in een laag veengebied, het water wás er nu eenmaal, de grachten waren een noodzakelijke oplossing. Maar zij slibden dicht en stonken, ze waren riool en vuilnisbelt. De theologiestudent Hendrik ter Meulen (1841-1873) uit Bodegraven woonde in 1864 op kamers op de Leliegracht, hoek Keizersgracht. In de hete zomer van dat jaar klaagde hij per brief aan zijn ouders over ‘de modder die om zo te zeggen op de Leliegracht dreef, zodat het bij regen was of er 100 secreten stonden te luchten’.

Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam daarin verbetering en die verbetering wakkerde tegelijkertijd de eerste aanzet tot bescherming aan. In de roman Adriaan de Mérival uit 1866 laat de schrijver Allard Pierson een vriend aan het woord, die de liefde van de schrijver voor de ‘majestueuse, die mausoleumsplechtige grachten’ volstrekt niet begrijpt. ‘Ik heb hem gezegd: “Dit is de poëzie van den weemoed. Hier of nergens wordt men schilder. Hier is kleurenmengeling in overvloed; hier hoort men de stilte; hier gevoelt men het antieke.” (…) Ik heb hem doen beklimmen de brug bij het Koningsplein en hem al de heerlijkheden getoond van “de bocht van de Heerengracht” en hem, op zijn geweten af, gevraagd, of hij in Europa, in de oude of in de nieuwe wereld, iets wist aan te wijzen dat daarmede in de verte vergeleken kon worden. Verstokt heeft hij mij geantwoord, dat de stad al die grachten behoorde te dempen en ze in even zoo vele wandelperken moest herscheppen.’

Dat gebeurde: de Nieuwezijds Voorburgwal, de Nieuwezijds Achterburgwal (Spuistraat), het Spui, de Rozengracht, de Anjeliersgracht, de Goudsbloemgracht en de Vijzelgracht werden gedicht. In 1895 werd de Raadhuisstraat aangelegd, dwars over de Warmoesgracht en dwars door de grachtenbebouwing heen. Pas in 1901, toen de gemeente van plan was de Reguliersgracht te dempen, wist de schilder Jan Veth in zijn pamflet Stedenschennis de verontwaardiging zo scherp te verwoorden dat b. en w. het voorstel introkken. Veth betoogde dat de ‘grachtengordels’ niet schilderachtig ‘in den kleinen zin’ waren en ‘niet bloot pittoresk door een kleurrijke wanorde’, maar juist in hun geheel, in ‘die groote traceering, die stoute evenmaat, die fier gegordelde schoonheid’ bewondering wekten.

Dat wilde niet zeggen dat het gebied daarmee ook populair werd. Vanaf het einde van de negentiende eeuw, toen de tram en de trein het forenzen mogelijk maakten, waren de oude patriciërsfamilies weggetrokken naar het Gooi en de duinstreek, en hun huizen waren fabrieken en kantoren geworden. Soms gebeurde dat met eerbied, maar veel vaker werd er drastisch gesloopt. Het leefklimaat aan de grachten verslechterde. De stad zat nog vol met oude industrieën – brouwerijen, suikerbakkerijen, eau de cologne-makers, azijnstokers – en het proletariaat had zich in de stegen en kelders gevestigd.

De omstandigheden waren erger dan dickensiaans. De schrijfster Neel Doff woonde als kind met tien mensen in één kelderkamer in de Lindeboomsgang, bij de Prinsengracht. Zij schreef in Dagen van honger en ellende: ‘De zon drong er nooit in door; in den winter hing er een vochtige, ijzige kou en in den zomer werden we ziek door de klamme hitte. (…) Wij lagen op zakken van grof linnen, gevuld met haverdoppen, die tot poeder vergaan en doortrokken van kinder-urine, tot een vieze prikkelende massa waren geworden. Het linnen schuurde en brandde mijn huid; de vlooien plaagden mij verschrikkelijk; ik stikte bijna en kreeg oorsuizingen, waardoor ik mij allerlei dingen begon te verbeelden.’ In de loop van de twintigste eeuw verbeterde de situatie, maar de verkrotting en het gebrek aan sanitair bleven urgent. De Jordaan was tot ver in de jaren zestig een derdewereldwijk.

Maar zoals Ruskin Venetië juist vanwege zijn verval had liefgekregen, zo kleurde Piersons ‘poëzie van den weemoed’ decennialang de aandacht voor de grachtengordel. Het sentiment is hardnekkig als de evergreen Aan de Amsterdamse grachten, in 1955 geschreven door de rechtenstudent Pieter Goemans. Het werd beroemd door de uitvoering van Wim Sonneveld die het in 1960 als single uitbracht. De bomen dromen langs het water, in Goemans’ Amsterdam, maar het huis van zijn grootmoeder is leeggehaald: ‘Nu zit een vreemde meneer in ’t kamertje vóór/ en ook die heerlijke zolder werd tot kantoor.’ Het beeld klopt: in de naoorlogse jaren was de grachtengordel als woongebied al een halve eeuw stervende. Het is te verklaren dat veel bestuurders wilden grijpen naar de sloophamer en de bulldozer, om met die toestanden af te rekenen. De grachtengordel had alleen toekomst als zakendistrict. De Jordaan diende afgebroken en heringericht tot een Le Corbusier-achtige nachtmerrie; op de Rozengracht zou een vierbaans autoweg op betonnen verhoging worden gebouwd. De politiecommissaris Kaasjager stelde voor het Singel te dempen ten behoeve van het autoverkeer; er was ook een plan waarbij de Overtoom zou worden doorgetrokken tot aan het Spui, dwars door de bebouwing. Het was aan het verzet van de burgers én aan de crisis van de jaren zeventig te danken dat die daadkracht geen verdere uitwerking kreeg.

Zo is de grachtengordel ontstaan: in 1578 ging Amsterdam over naar de prins, werd deel van de Opstand en raakte dus de facto in oorlog met Spanje. De stad beschikte over een verdedigingsmuur die honderd jaar oud was en daar moest snel iets aan gebeuren. Er moest een moderne omwalling komen, met bastions, maar dat kon niet zomaar, want in het schootsveld buiten de muur was door de snelle bevolkingsgroei een voorstad van illegale wijkjes ontstaan. De impuls voor de snelle ruimtelijke ontwikkeling van de stad kwam dus voort uit militaire noodzaak. Er werd in 1585 een nieuwe wal aangelegd, ruwweg langs het tracé van de huidige Herengracht. Het ontwerp moet in handen zijn geweest van militaire ingenieurs en landmeters, die snel pragmatische oplossingen vonden voor de problemen met de waterhuishouding en de bodemgesteldheid.

Daarmee waren de problemen niet opgelost. Ver vóór 1600 was al duidelijk dat er in de stad een onleefbare situatie zou ontstaan als er niet drastisch werd uitgebreid. Maar de oorlog woedde voort en pas vanaf augustus 1609, toen het Twaalfjarig Bestand was afgekondigd, kon er veilig worden gebouwd aan een nieuwe verdedigingslinie – bijna een kilometer verder naar het westen, strekkend van het IJ tot aan de Overtoomse Vaart, nu de Leidsegracht. In 1613 werd in hoog tempo de oude stadswal afgegraven, de Herengracht gevormd en de grond erlangs bouwrijp gemaakt. In januari 1614 kwamen die erven op de veiling. Ze brachten meer dan een half miljoen gulden op. De Prinsengracht volgde het jaar daarna, de Keizersgracht in 1615. Binnen enkele jaren was de nieuwe stad volgebouwd.

Aan die Derde Uitleg gingen grote veranderingen in de stad zelf vooraf. De stedelijke economie bloeide, de rijkere kooplieden ontwikkelden zich tot bepalende spelers in het bestuursapparaat. Ze begonnen zich in organisatie, activiteit en lifestyle te onderscheiden van het traditionele bedrijfsleven, de andere ‘gewone’ handelaren, de middenklasse en het volk, binnen en buiten de poort. Het creëren van nieuwe stedelijke ruimte gaf die nieuwe rijken de gelegenheid hun nieuwe positie ook echt vorm te geven.

Op het eerste gezicht wijst alles erop dat de regenten die de Uitleg van 1613 op touw zetten dat zagen als een onderneming met winstoogmerk, te vergelijken met een project als de drooglegging van de Beemster, waar velen al als investeerders bij betrokken waren. Dezelfde landmeters en dezelfde ingenieurs werden voor het project aangezocht. De vraag is of zij daarbij ook volgens theoretische voorschriften te werk gingen. Die waren er wel. In de zestiende eeuw hadden vooral Italiaanse architecten gepubliceerd over moderne vestingbouw en ideale stadsontwerpen, maar er was ook een toegankelijk (want Nederlandstalig) traktaat van de fameuze wiskundige Simon Stevin, Van de Oirdeningh der Steden (circa 1605). Dat was niet een architectonisch ideaalplan, maar een rechttoe-rechtaan matrix voor stedenbouw op basis van het principe van het legerkamp. Het is onzeker of de opdrachtgevers dat geschrift kenden. Het lijkt er meer op dat in de stadsuitbreiding technische vaardigheden in landmeetkunde en landinrichting de boventoon voerden – niet hogere ideeën over de vormgeving van stad en samenleving. De grachtengordel was dus het werk van boekhouders, financiers en ingenieurs, niet van filosofen en estheten.

Die visie op het ontstaan van de grachtengordel wordt stevig onderbouwd door de recente dissertatie van Jaap-Evert Abrahamse, De Grote Uitleg van Amsterdam (2010). Abrahamse nam vierduizend documenten door die met de Uitleg te maken hebben – besluiten van de Vroedschap, koopaktes, kaarten, brieven, bezwaarschriften, de kostenramingen van de thesauriers, de aanwijzingen voor en rapporten van landmeters, stadsarchitecten, stadstimmerlieden en stadsmetselaars. Van enige hogere bedoelingen is geen spoor. Wie meent dat er een geniaal ideaalplan was gaat eraan voorbij dat het terrein al bebouwd was, en al verkaveld; er liepen sloten en waterlopen en dijken waar de uitvoerders mee moesten schipperen.

Wat er ontstond was niet optimaal. Er werden flinke concessies gedaan, bijvoorbeeld door de bewoners van de voorstad – die niet zomaar wilden vertrekken en dreigden met oproer – onder te brengen in een extra stadsdeel, de Jordaan. Volgens Abrahamse ging daar een ‘politiek infarct’ aan vooraf. De kosten van onteigening en voorbereiding rezen de pan uit, het plan van Hendrick Staets waarbij de stad in zijn geheel rondom zou worden uitgebreid bleek onuitvoerbaar, en als er niet snel inkomsten uit de verkoop van bouwterreinen konden worden gegenereerd zou de stad wel eens bankroet kunnen gaan.

De stad kreeg gestalte door een ‘systeem van compromissen’. Het begrip ‘ideale stad’ was wel bekend, schrijft Abrahamse, en er is ook wel over nagedacht, maar het was ‘een propagandistisch concept van Italiaanse stadsbestuurders’, niet een concrete blauwdruk voor het Amsterdamse project. Als er al zo’n plan was, dan moet het van tafel geveegd zijn.

De obstakels waren legio. Een hardnekkig probleem was de corruptie van het stadsbestuur zelf. Lieden als Frans Hendricksz Oetgens en zijn partner (en zwager) Barthold Cromhout waren als leden van de Vroedschap nauw betrokken bij het opstellen van de nieuwe plannen. Handel met voorkennis was niet verboden: vanaf 1608 kochten zij stelselmatig grond in het gebied aan. De verkopers wisten niet dat als het land eenmaal binnen de stadsgrenzen zou komen te liggen de waarde sterk zou stijgen. In 1611 en 1612 was Frans Oetgens zelf burgemeester en liet toen de uitbreidingsplannen zó bijstellen dat een nog groter deel van zijn land binnen de fortificatie zou vallen. Bij de onteigening die volgde maakte hij een zodanig schunnige winst dat het zijn collega-bestuurders te gortig werd. Zij stapten naar het Hof van Holland.

Tegenover deze engere visie op de grachtengordel als project waarin economische en pragmatische belangen regeerden, staat een bredere die mede is geformuleerd door de kunsthistoricus en oud-hoofdconservator van het Stadsarchief Amsterdam, Boudewijn Bakker. Het is duidelijk dat de aanleg van de grachtengordel van meet af aan grote indruk maakte op bezoekers van over de hele wereld. De Britse wereldreiziger Peter Mundy bezocht Amsterdam in 1640, beklom de Westertoren en schreef: ‘Het uitzicht over de stad [is] zo mooi en oogstrelend als ik nooit bij een andere stad heb aanschouwd. Van boven gezien strekken de voornaamste straten en grachten zich daar uit voor ons oog (…) met daartussen aangename tuinen. De straten en grachten zijn zo lang, zo recht, de gebouwen zo fraai en gelijkvormig, met rijen bomen van één soort aan weerszijden van de grachten voor de deur van de bewoners, dat het eerder plezierige wandelpaden lijken dan stadsstraten.’

Dat was niet alleen maar vleierij. Bakker stelt dat de stadsbestuurders met hun ontwerp een dergelijk effect hadden beoogd: Amsterdam was per slot een nieuwkomer, een stad van parvenu’s, en de Uitleg bood de bestuurders de gelegenheid de stad internationaal te profileren als een monument van nieuwe stedenbouwkunst en architectuur. Waar Abrahamse de feitelijke aanleg als ‘chaotisch’ kenmerkt, een aaneenschakeling van improvisaties, daar ziet Bakker ‘een consequente planmatige aanleg op voorheen ongekende schaal (…) volgens de modernste inzichten’, uitmondend in de bouw van een stad ‘die als enige voldeed aan de principes van klassieke, mathematische esthetica’. Maar waar hadden die bestuurders die opvattingen vandaan?

Twintig jaar vóórdat de Uitleg werd ondernomen waren veel van de latere Amsterdamse regenten student aan de Universiteit van Leiden. Bakker meent dat de eerste generatie Nederlandse bestuurders van de Republiek daar is gevormd door een combinatie van humanistisch, neostoïcijns denken en calvinistische moraal. Essentieel in die combinatie waren de begrippen orde en maat – maat als ‘gematigdheid’ en als mathematisch begrip. Natuurlijk begon de uitbreiding van de stad met economische en militaire motieven, maar daarbij speelde altijd de vraag hoe kon worden voldaan aan esthetische normen. Dat sprak zelfs zózeer vanzelf, schrijft Bakker, dat dat niet eens geformuleerd hoefde te worden. In de Derde Uitleg (en zeker in de Vierde) is overal een ordelijke, mathematische regelmaat te herkennen. ‘Dat kan geen toeval zijn; het streven naar “zichtbare orde” als weerslag, op aarde, van de goddelijke, moet zwaar hebben gewogen.’

In die benadering staat Bakker niet alleen. Vorig jaar beschreef Heidi de Mare (in Huiselijke taferelen, de veranderende rol van het beeld in de Gouden Eeuw) dat schilderijen en architectuurontwerpen uit de Gouden Eeuw diepgaande ideeën weergeven over de manier waarop burgers hun huwelijk, hun huis, hun samenleving en hun stad inrichtten. De Mare meent dat in al die disciplines een ‘coherent kennissysteem’ werkzaam was dat berustte op de natuurfilosofie van Aristoteles. Ook daar werd de zichtbare wereld beleefd als een reflectie van hogere orde.

Er is echter geen smoking gun; er is geen kaart bewaard met het uitbreidingsplan en een motto, in handschrift, dat Stevin of Palladio aanroept als inspirator. Als er een idee was, dan is dat alleen geformuleerd in de bebouwing zelf. Een verleidelijk aspect daarvan is de kennelijke uniformiteit in de bouw van de huizen. De gids in de rondvaartboot zal je vertellen dat de stad strikte bouwvoorschriften uitvaardigde, die de breedte en hoogte van huizen bepaalden, en die ook eisen stelden aan materiaalgebruik en versiering, alles om een fraaie homogeniteit te krijgen. Dat was niet zo: de huizen werden gebouwd door de burgers zelf, ze kochten zelf hun materiaal en de gelijkvormigheid was geheel hun keuze. De stad zag toe op de beschoeiing en de bestrating, de bouw van de stenen bruggen en de groenvoorziening. Stedelijke gebouwen als de markthallen, het Aalmoezeniersweeshuis en het stadhuis werden volgens min of meer dezelfde ingetogen classicistische principes ontworpen. Met de bouw van huizen van individuele burgers bemoeide men zich vrijwel niet.

De stijlvolle gelijkvormigheid sprak veel bouwheren aan. Ze maakten afspraken met hun toekomstige buren en kochten vaak prefab bouwonderdelen. De gangbare classicistische stijl, gecombineerd met betrekkelijk bescheiden bouwmateriaal, bracht die eenvormigheid al snel teweeg. Een bewijs voor het bestaan van een overheersend esthetisch concept is het niet.

Een tweede feit dat erop wijst dat zo’n allesbepalend concept er niet was is de ontwerpfase voor de Vierde Uitleg, die vanaf 1662 werd uitgevoerd tussen de Leidsegracht en de Nieuwe Vaart. Dat was net als de Derde vooral grootschalige projectontwikkeling, gericht op een zo hoog mogelijke opbrengst van nieuwe bouwterreinen. De ontwikkeling lag in handen van de stadsbouwmeester, Daniël Stalpaert. Al het land werd onteigend; nu kwam er een plan tot stand waarbij al op de tekentafel de verkaveling, de waterhuishouding en het verkeerssysteem op elkaar waren afgestemd. De natuurlijke loop van de Amstel werd bijvoorbeeld gedeeltelijk rechtgetrokken, en er zit een zekere symmetrie in de ordening. Maar een ideaalplan was het opnieuw niet: weer zat het vol aanpassingen en onregelmatigheden, terwijl die hier veel beter – want zonder haast – vermeden hadden kunnen worden. In die Vierde Uitleg is duidelijk dat functionaliteit, rendement en schoonheid allemaal een rol speelden – maar de esthetische aspecten gingen altijd als eerste overboord.

De Fransman Charles-François Lebrun, onder Napoleon de gouverneur van de Nederlanden, vond Amsterdam in 1762 ‘in haar geheel beschouwd een van de grootste en meest bewonderenswaardige monumenten van het menselijk genie’. De vorige burgemeester van Amsterdam noemde de grachtengordel juist ‘het symbool van onze in beginsel egalitaire en tolerante traditie’. De huidige mag het graag hebben over de ‘derde Gouden Eeuw van de stad’ en over het erfgoed als inspiratie voor ‘onze veelbelovende toekomst’. Ook mooi. De grachtengordel leent zich, door zijn schoonheid, voor zulke inspirerende gedachten. Maar in de kern is hij een monument van opportunisme, ondernemingslust en winstbejag.


400 jaar grachtengordel: het boek

Het vierhonderdjarig jubileum van de grachtengordel neemt zijn beginjaar in 1613, het jaar waarin de Herengracht zijn huidige vorm kreeg en de grond aan weerszijden gereed kwam voor de veiling. Op 3 oktober verschijnt De grachten van Amsterdam_,_ door Koen Kleijn en Ernest Kurpershoek, een boek van 460 pagina’s en zevenhonderd illustraties waarin het volledige Unesco-gebied staat afgebeeld. Van een groot deel van de afgebeelde panden wordt de bouw- en bewonersgeschiedenis uit de doeken gedaan. Een en ander wordt voorafgegaan door inleidingen van onder anderen Vincent van Rossem, Kees Zandvliet, Fred Feddes, Boudewijn Bakker en Jaap-Evert Abrahamse. In bijgaand artikel is gebruik gemaakt van de bijdragen van de laatste twee auteurs.

Het boek is verkrijgbaar vanaf 3 oktober. Tot 1 januari 2014 geldt een gereduceerde prijs van € 99,50. Uitgeverij Thoth, Bussum.