Tussen landschap en abstractie

Fietsen en vliegeren

Met behulp van een geknutselde vlieger maakt Gerco de Ruijter foto’s van landschappen die geen landschapsfoto’s zijn maar een wonderlijk spel van vormen, lijnen en kleuren. Ze tillen de kijker op uit de concreetheid van de wereld.

VORIG JAAR FIETSTE ik vanuit Amsterdam naar het Oerol Festival, een mooie zonnige junidag met veel wind. Vanuit de Friese polders reed ik de zeedijk op, om zo het laatste stuk naar Harlingen te fietsen. Een groots en meeslepend gevoel, links het wijde wad, rechts de grasdijk waarboven een lucht wild van wolken hing. De zeewind duwde me tegen het beton. Ik leek op de schuine helling van een wielerbaan te fietsen, in volle vlucht op weg naar de finish.
Afgelopen maart zag ik dat beeld weer voor me toen beeldend kunstenaar Gerco de Ruijter naar mijn favoriete Friese landschap informeerde. Atelier Fryslân, adviesbureau voor de ruimtelijke ordening van Friesland, had hem opdracht gegeven bijzondere locaties in het Friese landschap te fotograferen. Via internet kon je daar suggesties voor doen. Omdat ik zijn werk goed kende, zo stelde hij voor, kon ik hem misschien op een goed spoor zetten.
De Ruijter maakt zijn foto’s vanuit een ongewoon perspectief: hij bevestigt zijn fototoestel aan een vlieger – wat lapjes stof en een paar stokjes – en laat zich door de wind leiden. Hangt de vlieger naar zijn idee boven een boeiend landschap, dan drukt hij met behulp van een klein zendertje af. Hij kijkt dus niet door de zoeker, maar laat zich verrassen door wat het vliegerperspectief hem aanreikt. Pas thuisgekomen, als de negatieven zijn ontwikkeld, ziet hij wat hij heeft gefotografeerd. Niet zelden iets heel anders dan wat hij had verwacht. Toeval lijkt een belangrijke leidraad in zijn werk.
De foto’s van De Ruijter, of beter, de foto’s die hij goedkeurt, onthullen een onvermoed spel van kleuren en lijnen. Het is vaak niet eenvoudig om er nog een landschap in te zien, al zijn er onmiskenbaar elementen die ernaar verwijzen. De foto’s zweven tussen het herkenbare en het abstracte, zeg maar een weifeling tussen weilanden, schorren, kanaaltjes, boomtoppen en een abstract schilderij van mondriaaneske of art brut-achtige kwaliteit, al naar gelang de plaats waar De Ruijter zijn vlieger oplaat. Je bekijkt ze als het beroemde Gestalt-plaatje: eend of haas? Bij De Ruijter betekent dat: landschap of abstractie? Of beide? Want dat is misschien wel het meest fascinerende, als toeschouwer pendel je van de ene sensatie naar de andere, en terug. Het zijn weliswaar plaatjes van de aarde, maar tegelijkertijd zijn ze ervan losgezongen, alsof je ter plekke je greep op de wereld verliest. Als kijker ben je letterlijk ontworteld.
De zeedijk bij Harlingen was zeker een plek voor de vliegerfoto’s van De Ruijter, daarvan was ik overtuigd, tussen zee en dijk moest je een enerverend lijnenspel kunnen betrappen. Maar kon in zo’n foto ook mijn ervaring op de fiets worden gevangen? Hangend in de wind, het grijze beton van de dijk knarsend onder mijn banden – dat leek me vooral een aardse ervaring: ik ín het landschap. Denk ik aan landschap, dan zie ik allereerst een horizon, een lijn tussen aarde en lucht. Ik weet als kijker mijn plaats, mijn beleving van de wereld begint vanaf ooghoogte. Maar in de foto’s van De Ruijter is nu juist iedere referentie aan ooghoogte verdwenen. Zijn fototoestel hangt loodrecht naar beneden, er is geen horizon. De foto’s tillen je uit de concreetheid van de wereld op, en wat je ervoor terugkrijgt is iets geheel nieuws, een nieuwe werkelijkheid.
Welbeschouwd zijn de foto’s van De Ruijter geen landschapsfoto’s. Landschappen vormen slechts zijn materiaal, ze zijn als de verftubes van de schilder. Willen ze eigenlijk wel iets over landschapservaring zeggen? Voor mij zijn ze zo plat als een dubbeltje, niet dieper dan het fotografische papier, een spel van vormen, lijnen, kleuren. Nee, hoe langer ik erover nadacht, zo gauw De Ruijter zijn vlieger zou oplaten, zou mijn fietservaring er niet meer toe doen.

MAANDEN VERSTREKEN en ik was eigenlijk al weer vergeten dat ik ‘de zeedijk’ had ingestuurd naar Atelier Fryslân. Totdat ik onlangs bericht kreeg dat ‘mijn’ foto was uitverkoren voor een kleine tentoonstelling van De Ruijters project in het Fries Museum. Die toe-eigening zou ik niet snel voor mijn rekening hebben genomen, maar toen ik de foto digitaal ontving en op mijn beeldscherm opende, gebeurde er iets vreemds. Wat in een flits terugkwam was precies ‘mijn’ ervaring van het fietsen op de dijk, alsof ik daar opnieuw was. Niet omdat ik terugzag wat ik daar ooit als landschap had gezien (mijn wielen hadden de dijk niet verlaten), maar omdat het gevoel van het fietsen werd opgeroepen, de snelheid van de wielerbaan, het zijlings uit het lood hangen.
Het was onmiskenbaar een foto van De Ruijter, al was de figuratieve component op het eerste gezicht misschien wat sterker ontwikkeld dan in het meeste van zijn andere werk. Het zeewater, de basaltblokken, de betonnen helling, het groen van de grasdijk, de twee parallelwegen achter de dijk – ze waren als zodanig herkenbaar. Tegelijkertijd klopte er iets niet. De dijk, waarvan ik nog heel goed wist dat die schuin omhoog liep, zich naast mij uit het water verhief, was platgeslagen, en het talud van gras, dat daar rechts van mij weer bovenuit stak, leek in de foto op gelijke hoogte met het zeewater en de dijk. Om niet te spreken van de wegen achter de dijk, die vanuit mijn positie op de fiets onzichtbaar waren. Het was alsof de wereld uiteen was gelegd, zoals kubisten dat in de jaren twintig pleegden te doen, opengevouwen als een plaatje op een waaier.
Het effect is enerverend. De foto, die toch echt stilstaat, laat me vliegen. Niet als in een droom, of als Superman, maar als een staat van bewustzijn. En die staat van bewustzijn associeer ik onmiskenbaar met mijn fietservaring.
Wat kan fietsen met vliegen te maken hebben? Eind negentiende eeuw zou men niet hebben opgekeken van die vergelijking. Fietsen, nog niet zo lang uitgevonden, was toen een ware rage, waarvan men de sensatie graag vergeleek met vliegen. Niet alleen hardrijders noemde men flyers, maar ook voor de beschrijving van het gewone fietsen zocht men voortdurend zijn heil in metaforen die naar vliegen verwezen.
Ik heb dat altijd een tour de force van de verbeelding gevonden, want behalve door de ervaring van een ballonvaart kon niemand de vervoering van het vliegen daadwerkelijk natrekken. Vliegen was een fantasie, je moest het je voorstellen, en klaarblijkelijk ervoeren onze grootouders de eenvoudige eenparige beweging, balancerend tussen niet meer dan twee wielen, waarin de wereld met een ongekende vaart vanuit de ooghoeken aan je voorbij trok, als ‘vliegen’. Misschien was het beeld zo in trek omdat het een nog onvervulbaar verlangen uitdrukte? Vliegen was weliswaar niet mogelijk, maar met de fiets kon je er toch al dichtbij komen, zo stelde men zich voor.
Maar de wereld versnelde en de hemel verloor zijn grenzen. Niemand komt nog op het idee de fiets met een vliegtuig te vergelijken, daarvoor zijn we te vaak supersonisch de lucht in gegaan. Ook metaforen verouderen.
Het heeft ook iets ouderwets, dat vliegeren van De Ruijter. Luchtfotografie heeft meestentijds iets agressiefs, spierballenvertoon van de fotograaf. Denk aan het werk van de Franse fotograaf Yann Arthus-Bertrand, die zo’n beetje de hele wereld vanuit een vliegtuig dan wel helikopter probeert vast te leggen. ‘De aarde vanuit de hemel’ noemt hij zijn project, gepresenteerd in spetterende kleuren, liefst op groot formaat. De boodschap in de bijschriften is meestal ecologisch en sociaal bewogen van aard, maar de foto’s zelf stralen een onmiskenbaar machismo uit, de wereld in de wurggreep van effectbejag. Het zijn beelden die de macht van de fotograaf ten toon spreiden, die onbeschaamd de technologie van de middelen die hem ter beschikking staan uitvergroten.
Hoe anders ogen de beelden die De Ruijter met zijn vlieger maakt: zachtaardiger, bijna verontschuldigend. Ik ben eens met hem op pad geweest, nieuwsgierig als ik was hoe zijn foto’s tot stand kwamen. Wat ik zag was waarschijnlijk de meest bewerkelijke methode om een foto vanuit de lucht te maken. Zijn technologie is die van het spelende kind: een flinterdun touw, een simpele katrol, de eenvoudigste vlieger. Met een harnas rond zijn torso hield De Ruijter touw en vlieger in bedwang. Hij liep er letterlijk achteraan. Rustig, in het tempo van de slenteraar, turend over het vlakke land, en gedurig omhoog kijkend naar het fototoestel dat met een oude statiefpoot onder de vlieger was bevestigd. Het zendertje om de sluiter mee in te drukken, was een door hemzelf omgebouwde afstandbediening voor modelautootjes. In het toestel een negatief waarmee niet meer dan acht foto’s konden worden gemaakt. Hij moest zijn moment goed kiezen, want aan het eind van het filmrolletje zou de vlieger weer helemaal naar beneden moeten.
Knutselwerk, in de beste zin van het woord, daar deed het me aan denken. Het bewijs dat technologie wel degelijk haar invloed doet gelden op wat ze produceert: vanonder de brullende wieken van een helikopter maak je andere foto’s dan met een doodstille vlieger die via een fragiel draadje met de aarde verbonden blijft.
Wat ik ook zag was dat toeval niet de juiste kwalificatie is voor zijn manier van fotograferen. De Ruijter kijkt weliswaar niet door de zoeker, maar hij heeft onmiskenbaar gevoel voor waar er voor zijn fotografie wat te halen valt. ‘Grensgebieden’ noemt hij het, daar waar twee soorten landschap elkaar raken. Bovendien leest hij de tactiliteit van het landschap, hij kan zich min of meer voorstellen wat voor textuur de aarde van bovenaf aan zijn fototoestel prijs zal geven. Wat niet wegneemt, zo benadrukte hij, dat ook hij steeds weer wordt verrast. Vaak zijn dat de beste foto’s. Foto’s waar de anekdotiek van tijd en plaats er niet meer toe doet.

EN NU is er die foto van de zeedijk tussen de Afsluitdijk en Harlingen. Zou De Ruijter aan mijn fietservaring hebben gedacht toen hij zijn vlieger opliet? Hij zal vooral in de zachte rimpeling van het water in contrast met de standvastigheid van de grijs betonnen wand van de dijk een krachtig beeld hebben verwacht. Maar de fietservaring wordt vooral opgeroepen door de weglopende Z van de weg achter de dijk, en die liet zich vanuit zijn positie onder aan het koord van de vlieger nauwelijks vermoeden, denk ik. Net als de bijna misselijkmakende kanteling van de aarde naar de zee, alsof de wereld dreigt om te tuimelen.
Het maakt niet veel uit. Het kon eigenlijk niet misgaan. Beide zijn technologische wondertjes, maar van een simpelheid die tegenover de huidige technologie van voortbewegen en vliegen vertederend ouderwets aandoet. Voor onze moderne ogen huist in beide traagheid, rust, stilte, en tegelijkertijd ook een aangenaam soort bravoure: een verlangen naar vrijheid, een verlangen naar ruimte, de suizeling van een stille beweging. Vlieger en fiets zijn geestverwanten. Er kon geen beter hulpmiddel worden gevonden dan een vlieger om mijn fietservaring op de dijk om te zetten in een foto. En geen betere fotograaf dan Gerco de Ruijter.

Vliegerfoto’s Fryslân in het Fries Museum, Leeuwarden, t/m 8 november; daarna reizende tentoonstelling