‘Het zijn de politikers’

Fietsen langs de taalgrens in België

De boer aan de ene kant spreekt Vlaams, honderd meter verderop spreekt zijn buurman Frans. De taalgrens is ferm en België lijkt hopeloos verdeeld.

Medium mc 002

VREDIGER DAN aan het begin van de Belgische taalgrens, vijftien kilometer onder Ieper en net boven het Franse plaatsje Armentières, is moeilijk voor te stellen. Het is een modderig plekje tussen het maïs en de suikerbieten. Links van het beekje dat de landweg kruist, met je rug naar Frankrijk, ligt Vlaanderen. Rechts ligt Wallonië. Aan de horizon staat een eenzaam kluitje huizen dat volgens de kaart de naam Clef d'Hollande draagt en ooit de sleutel naar Holland moet zijn geweest.
Een auto nadert vanuit de Vlaamse verte en komt een meter of twee van mij tot stilstand. Twee mannen stappen uit. Ze dragen grote laarzen en lange stokken met stalen punten. Ze zijn de muskusratvangers van de gemeente Heuvelland, vertelt de een, terwijl de ander tegen de auto leunt en een sjekkie draait. Hun gebied stopt bij het beekje, begrijp ik uit zijn onvervalste West-Vlaams, de Walen moeten hun eigen ratten vangen. Dat doen ze alleen niet altijd, waardoor hij toch vaak de grens over moet. ‘Vroeger was het makkelijker’, zegt hij, en wijst naar de overkant. 'Toen hoorde dat nog bij Vlaanderen.’
Het is een raar stukje België, de gemeente Komen-Waasten, of Comines-Warneton. Het is volledig afgezonderd van de rest van Wallonië en maakt er pas deel van uit sinds 1963, toen de taalgrens werd vastgelegd. Dat was destijds nogal een koehandel - 43 gemeentes veranderden van gewest - en ging niet altijd zonder slag of stoot. Vooral hier in Komen-Waasten en in de spiegelbeeldige Voerstreek, de Vlaamse exclave in het oosten van het land, net onder Nederlands Limburg, ging het er tot in de jaren tachtig heftig aan toe. Knokploegen gingen geregeld op de vuist, met elkaar en met de rijkswacht. Doden zijn er niet gevallen, maar het scheelde nooit veel.
Dat is verleden tijd, verzekert de rattenvanger. Zelfs nu de Belgische politici elkaar het licht niet in de ogen gunnen en dreigen met een zogenaamd plan B, de wat laffe codenaam voor de ordinaire splitsing van het land, is er hier van een taalstrijd geen sprake. 'Vroeger wel, maar nu niet meer’, zegt hij. 'Iedereen is hier tweetalig.’ Hij vindt het jammer dat de streek 'verpatst’ is, maar heeft zich erbij neergelegd. 'Het komt nooit meer terug bij Vlaanderen.’
Ik fiets langs dichte cafés en gesloten gordijnen, over heuvels en door bos, langs monumenten en begraafplaatsen voor Britse WOI-militairen, richting de noordoosthoek van deze geïsoleerde strook Wallonië. Daar ligt het stadje Komen, dat begin jaren tachtig in het nieuws kwam toen er een Vlaamse basisschool de deuren opende onder wild getier van scheldende Franstaligen. Ouders en hun kinderen moesten spitsroeden lopen om de klaslokalen te bereiken. 'Het leek Belfast wel’, zegt directeur Tom Vandermeulen.
Daarvan is nu weinig te merken. De eerste paar voorbijgangers, allen Franstalig, weten niet eens van het bestaan van de school. Anderen wijzen me vriendelijk de weg. Problemen? 'Nee hoor, integendeel’, antwoorden ze bijna verrast. 'Steeds meer Franstaligen sturen er hun kinderen naartoe voor het goede onderwijs en om ze tweetalig op te voeden.’
Het gebouwtje ziet er vredig maar verlaten uit. Het is woensdagmiddag, de school is uit. 'De inwoners hebben de school perfect geaccepteerd’, zegt Vandermeulen aan de telefoon. Negen op de tien leerlingen komen inmiddels uit Waalse gezinnen. 'Het is de politiek die ons tegenwerkt.’ Hij heeft het over 'pesterijen’ van de burgemeester, zoals wegwerkzaamheden voor de deur op de eerste schooldag, het voetpad dat opeens stopt voor de school en even verder weer doorloopt, of een kaartje van alle scholen in Komen waar hij dan weer niet op staat.

Medium mc 017

MIJN ROUTE LOOPT over een van de oudste grenzen van Europa. Of over een gedeelte daarvan, over de grens tussen de Germaanse en de Romeinse wereld. Die is min of meer stabiel gebleven sinds de vroege Middeleeuwen, zeggen taalkundigen, na de Grote Volksverhuizing. Maar het is pas na de Franse Revolutie, wanneer de taal een rol gaat spelen als bindmiddel van de staat, dat de grens een politieke betekenis krijgt. De eerste taalgrenskaarten stammen uit de tijd van Napoleon. En ook Willem I wilde weten welke taal zijn zuidelijke onderdanen spraken, om daar vervolgens wat aan te doen.
Verloren moeite, want de nieuwe Belgische staat van 1830 is eentalig Frans. De taalgrens komt pas weer in beeld bij de geleidelijke erkenning van het Nederlands tegen het einde van de negentiende eeuw. Tot waar mag het Vlaams zich laten gelden? De talentellingen die dat moeten uitmaken, om de tien jaar opnieuw, zijn controversieel want ongeloofwaardig en onberekenbaar. Een vaste grens, zo wordt overeengekomen, moet rust brengen.
De industriële broeinesten van Kortrijk en Lille ben ik eindelijk gepasseerd en het landschap verbetert met de minuut. Ik fiets weer tussen het maïs en de koeien, van dorpje naar dorpje, elk met hun eigen nisjes en kapellen, langzaam richting het oosten.
Het valt me op dat de grens minutieus is opgetekend; met elke straat, struik, en schuur is rekening gehouden. Soms volgt hij een rivier of een heuvelrug, soms maakt hij compleet onlogische bochten en soms klieft hij simpelweg een dorp doormidden, zoals het gehucht Tombroek, net buiten Moeskroen, waar het vuilnis aan de ene kant van de straat op een andere dag van de week wordt opgehaald dan aan de andere.
De mensen spreken ook echt een andere taal aan de andere kant van de taalgrens. Logisch, zou je denken, maar het is een vreemde - en ietwat schizofrene - gewaarwording als je hem twintig keer op een dag oversteekt. De twee talen lopen hier niet geleidelijk in elkaar over, zoals in Straatsburg bijvoorbeeld of in veel andere grensgebieden, maar veranderen abrupt. Een boer spreekt Vlaams en honderd meter verderop spreekt zijn buurman Frans.
Ik fiets langs de Schelde, over de Kluisberg, door de Vlaamse Ardennen en plaatsjes met namen als Zarlardinge, om de hoek bij Goeferdinge. Ik stap af en beklim de muur van Geraardsbergen, stap weer op en daal af naar het pittoreske Edingen, slaap in een weiland van een boer in Sint-Pieters-Kapelle en kom dan, via de oude hoogovens van Clabecq, dicht in de buurt van Brussel.
Tot nu toe is het geen Joegoslavië, integendeel. 'Het zijn de politikers’, is de meest gehoorde verzuchting, 'de mensen hier leven prima samen.’ Ik ben zelfs een beetje teleurgesteld, merk ik. Een burgeroorlog had ik niet verwacht, maar ten minste toch een uitgesproken mening, een boze slogan op de muur, of misschien zelfs een knokpartij. Ik heb welgeteld twee bordjes gezien waarop de Franse vertaling was zwartgeverfd. Dat was in Ronse, een thuishaven van Vlaams activisme. Omstanders dachten dat de gemeente het zelf had gedaan, 'of kinderen’.
Zijn het dan echt alleen de politici? Zou de vastlegging van de taalgrens dan echt rust hebben gebracht? Het begint erop te lijken. Maar, de echte brandhaarden komen nog.

Medium mc 024

EEN DAARVAN is de gemeente Sint-Genesius-Rode. Het is historisch en officieel Vlaams grondgebied, maar wordt bewoond door een grote meerderheid gegoede Franstalige Brusselaars en niet-Nederlandstalige diplomaten en eurocraten. En: het grenst zowel aan Brussel in het noorden, officieel tweetalig maar de facto Franstalig, als aan Wallonië in het zuiden. Franstalige politici azen daarom al een tijdje op dit rijke stukje land, wat fel wordt bestreden door de Vlaamse.
De villa’s beginnen al in de gemeente ervoor en zetten stug door tot aan het enorme Zoniënwoud, dat begint in Brussel-Zuid en eindigt in Waterloo. Mooie meisjes in cabrio’s rijden van en naar de tennisbaan. Vrouwen wandelen met hun minuscule hondjes; mannen maaien het gras. Het lijkt sprekend op de buurt Zonnedael uit de tv-serie Flodder. Je zou het niet beter kunnen bedenken.
Hoog-Rode is waar de echte rijken wonen. De nakomelingen van oud-president Mobutu van Zaïre hebben er een optrekje. Laag-Rode is waar het kleine centrum is. Ik loop er tegen het kantoortje van de Gordel aan, de jaarlijkse fietstocht om Brussel heen, voor en door Vlamingen, om te laten zien dat het land nog steeds van hen is. Franstalige bewoners tonen traditiegetrouw hun waardering door de nacht ervoor de richtingaanwijzers om te draaien en spijkers op de fietspaden te gooien.
De naambordjes van het culturele centrum zijn gemolesteerd. Op het ene is de Franse vertaling overgeverfd; het andere is al weer schoongemaakt, maar je kunt nog duidelijk zien dat hier de Nederlandse versie het doelwit was. Ik raak aan de praat met een vrouw, een geboren en getogen Rodenaar, die er dertig jaar les gaf op de Nederlandstalige kleuterschool. Ze is noodgedwongen verhuisd naar Halle, vertelt ze, een Vlaamse gemeente niet ver hier vandaan, omdat ze hier geen huis kon kopen. Haar ouders wonen er nog, ze komt nog vaak op bezoek.
Spanningen zijn er genoeg, zegt ze: 'Vroeger was iedereen Nederlandstalig. Nu is meer dan de helft van de kinderen op school Franstalig. En de ouders doen niet eens moeite om op school Nederlands te praten. Of bij de supermarkt, in het centrum. Sommige caissières spreken niet eens Nederlands. Ze praten altijd liever Frans.’
Voor haar is het een verloren zaak. Rode zal nooit meer Vlaams worden. Maar, weet ze te vertellen, voor anderen is dat niet zo. Ze kent toevallig een paar mensen uit de buurt van het Taal Aktie Komitee, een actiegroep die strijdt voor een onafhankelijk en Vlaams Vlaanderen. 'Tot nu toe is het altijd geweldloos gebleven’, zegt ze, 'maar dat hoeft niet zo te blijven. Het zal niet zo gaan als in Joegoslavië, maar als de Vlamingen te veel moeten toegeven [in de regeringsonderhandelingen], dan wordt het zeker rellen.’

MET DIE WAARSCHUWING op zak kies ik weer het hazenpad. Ik fiets dwars door het Zoniënwoud, hopende dat mijn banden het zullen houden, trots op mijn tweedehands Peugeot die ik heb beladen met fietstassen en een tent.
Ze hebben allebei wel een beetje gelijk, bedenk ik ondertussen. De Vlamingen willen hun grondgebied niet kwijt en de Franstaligen willen gewoon overal hun taal kunnen spreken. Ik denk dat het te maken kan hebben met een verschillende interpretatie van de taalgrens. De een ziet het bijna als een staatsgrens, als de bekroning op de eeuwenlange ontworsteling aan een vreemde kolonisator. 'Wij passen ons toch ook aan als we naar Wallonië, of naar Duitsland gaan?’ is een favoriete redeneertruc. De ander ziet de taalgrens meer als een administratieve grens, een hulpmiddel om de boel wat makkelijker te kunnen besturen.
Al snel is er van de Brusselse twisten weinig meer te merken. Ik kom langs landhuizen en kastelen, bij het plaatsje Terhulpen in de buurt, waar de adel vroeger moet hebben geregeerd en geflaneerd. Langs het chique privé-meer van Genval en het plaatsje Ottenburg, waar de taalgrens opeens een scherpe bocht naar het noorden maakt, door velden van wat ik denk dat hoppe, gerst en mout moet zijn naar Hoegaarden. Soms bekruipt me een Blue Velvet-gevoel. De dorpjes liggen er zo lieflijk bij dat het onderhuids wel moet broeien.
De mensen vertellen me hier hetzelfde als eerder, vóór Brussel. 'Heb je dat uit de gazet?’, proest een oud mannetje in het gehucht Walshoutem. 'Laat je toch niks wijsmaken jongen, het gaat prima hier.’ Misschien, bedenk ik, komt dat wel gewoon omdat er hier zo weinig mensen wonen. Het is een uitgestrekte leegte, met hier en daar een verlaten dorpje. Ruimte genoeg. De zon gaat onder als ik de provinciegrens met Luik oversteek. De paraglider boven mij moet een uitzicht uit duizenden hebben.
Toch heeft meer dan een kwart van de Vlamingen op de N-VA gestemd, een nationalistische partij die uiteindelijk streeft naar onafhankelijkheid. Een voorbijganger in Grandville, een klein dorpje dat bedwelmd is door de suikerbietenlucht van de nabijgelegen fabriek, biedt een verklaring: 'De Vlamingen van hier zijn prima mensen. Het zijn die uit het noorden, dat zijn egoïsten.’ Misschien is dat het wel. De buren zijn oké, maar voor de rest zijn het eikels.
De volgende ochtend ontbijt ik met de vriendelijke mevrouw die me liet slapen in haar achtertuin in het Waalse dorpje Cras-Avernas. 'Ik begrijp die Vlamingen wel’, zegt ze. 'We hebben ze vroeger echt vernederd. Wij hadden hier een huisje in de tuin voor seizoenswerkers, dat noemden we het maison des Flamands. Zij waren de eerste gastarbeiders en werden ook zo behandeld.’ Hun nationalisme van vandaag, denkt ze, is dan ook zelden zonder een vleugje revanchisme.
De Voerstreek! Eindelijk, de beruchte brandhaard waar José Happart en zijn mannen vele veldslagen hebben uitvochten met de rijkswacht en de Vlaamse Militanten Orde, om de aanhechting bij Vlaanderen tegen te houden. Daarvoor hoorde het bij de Waalse provincie Luik. De bevolking is gemengd, maar sinds het begin van de eeuw is de meerderheid Nederlandstalig, mede vanwege de vele Nederlanders die zich in de wonderschone streek hebben genesteld.
De eerste tekenen van taalstrijd laten niet lang op zich wachten. Bij binnenkomst in het pittoreske ’s-Gravensvoeren, waar het kerkplein vroeger de arena was, zie ik een aaneenschakeling van vervaagde witte letters op straat: 'Flamands dehors’, Vlamingen buiten, 'Fourons Wallons’, Voeren Waals, en 'Vive Happart’. Een huis staat te koop, 'voor Nederlandstaligen’.
Maar eenmaal op het kerkplein merk ik daar weinig van. De fruitverkoper is Franstalig en spreekt noch verstaat ook maar een woordje Nederlands. Hij staat er al een jaar lang elke dinsdag en heeft nog nooit een probleem gehad. 'De burgemeester’, zegt hij, een Vlaming, 'heeft zelfs een gat in de bestrating laten boren zodat ik er mijn kraam kan vastzetten.’ Een Vlaamse vrouw van begin dertig heeft net fruit gekocht, in het Frans. Ze woont hier al haar hele leven en heeft nog nooit iets gezien of gemerkt, zegt ze.
In de andere dorpjes krijg ik hetzelfde te horen. 'Dat waren mensen van buiten’, zegt een Franstalige vrouw in Sint-Martens-Voeren, 'die hier naartoe kwamen om rel te schoppen. De inwoners zelf hebben altijd goed met elkaar samen geleefd.’ De letters TAK staan geschilderd op een elektriciteitshuisje, voor Taal Aktie Komitee. Op straat dezelfde Franstalige propaganda. De letters zijn vervaagd en bijna niet meer leesbaar, net als de taalstrijd zelf, zo lijkt het.

Foto’s:

Michel Castermans
Frontière / Grens
ÉditionsYellow Now – Côté photo 17 x 22 cm – 96 pages – Ill.coul.– 24,00 € ISBN 978-2-87340-256-3

Éditions Yellow Now
15, rue François-Gilon 4367 Crisnée – Belgique info@yellownow.be www.yellownow.be