Fietsers zijn gangsters

Matineus als ik ben, sta ik elke ochtend precies om kwart over acht voor de stoplichten van de hoek Westeinde-Frederiksplein. Dat zijn in principe nuttige, veiligheidsbevorderende installaties. Maar over de mijne ben ik niet erg te spreken. Die lijken namelijk door een krankzinnige te zijn geinstalleerd. Het zijn er drie op rij: een aan de overkant, een ter hoogte van de tramrails en die derde waarvan ik net het knopje heb ingedrukt. Met als gevolg dat die twee verstverwijderde behulpzaam op groen springen, waar ik dus niets aan heb.

Zij die geloven haasten niet. En zij die niet geloven, zoals ik, kunnen zich beter ook niet haasten, want daar trekt zo'n stoplicht zich niets van aan. Het stoplicht en ik zijn, na ruim tien jaar, oude kennissen. Het heeft mij inmiddels veel geleerd over de mentaliteit van de gemiddelde weggebruiker. Ooit was de situatie helder en overzichtelijk. Stond het stoplicht op groen, stak de fietser of automobilist de kruising over. Stond het daarentegen op rood… Dat is allang niet meer zo. Over de automobilisten heb ik geen klagen, hun beroerde reputatie ten spijt. Wel is het verstandig op te passen voor de gepantserde geldwagens van de Nederlandse Bank. Zij vervoeren twintig miljoen in hun achterbak en denken daarom dat zij boven het wegenvervoersreglement staan.
Het grote probleem wordt echter door de fietsers gevormd. Het lijkt zo'n aardig, democratisch, milieuvriendelijk vervoermiddel. Helaas, de gebruikers van dit vervoermiddel zijn inmiddels tot het puurste gangsterdom geperverteerd, om het even of het brave kantoorbedienden of jonge moeders met kinderzitje betreft. Zij rossen zonder scrupules over het zebrapad, zonder zich te storen aan het verschil tussen rood en groen, aan God noch gebod.
De kleine criminaliteit beweegt zich inmiddels tweewielig door de binnenstad. De laatste vijf jaar is het aantal ongelukken waarbij alcohol in het spel was, leert ons de wetenschap, verviervoudigd. Met als schrale troost dat deze beschonken zwijnen in driekwart van de gevallen zichzelf verwonden. In het weekeinde, met name op zaterdagnacht, na de sluiting van de cafes. Daar heb ik gelukkig niets mee te maken. Op het moment dat de velo-criminelen beschonken van hun rijwiel tuimelen, lig ik allang in mijn bed, met een leerzaam boek binnen handbereik.
Laat ik het vraagstuk tot zijn essentie terugbrengen. Stoplichten worden geacht het verkeer te regelen. Groen betekent dat je door mag rijden. Rood betekent dat je geacht wordt te stoppen. Het moment dat je dit gegeven negeert, bega je een overtreding. Inmiddels heb ik op de hoek van Frederiksplein en Westeinde tienduizend van deze overtredingen waargenomen, zonder dat ook maar een lokale politieagent zijn dienstpistool op de wetsovertreders heeft leeggeschoten. De fietsterreur vormt werkelijk een probleem en het feit dat het hoofdstedelijkse stadsbestuur daar tot op heden niets aan heeft gedaan, bewijst dat Ruigoord moet blijven en het Olympisch Stadion niet mag worden afgebroken.