Kunst: Koninklijke Prijs

Figuratie

De Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst ging naar Frank Ammerlaan, Jasper Hagenaar, Keetje Mans en Evi Vingerling. Van de vier winnaars (uit 211 inzenders) worden twee werken getoond in een korte tentoonstelling in het paleis op de Dam, met een selectie van twintig andere werken uit de inzendingen.

Het aardige is dat het geen ‘gecuratorde’ tentoonstelling is – de juryleden doen ’t met wat er is ingediend – en dat het een min of meer representatief beeld geeft van wat er zoal geschilderd wordt dat jaar. 25 jaar geleden presenteerden de juryleden nog vooral ‘grote schilders’, al of niet ‘wilde’ beoefenaars van de pure, abstracte schilderkunst; in de tentoonstelling hingen alleen voor de volledigheid één of twee figuratieve stukken. Dat is tegenwoordig anders. Grof geteld is zestig procent van de werken figuratief te noemen. De experimenteerders en de conceptuelen zijn in de minderheid.

Bij de winnaars is de verdeling in evenwicht. Keetje Mans schildert curieuze meisjefiguren en curieuze interieurs, scènes waarover letters en woorden feestelijk zijn gerangschikt; de twee doeken hebben iets spookachtigs, meisjesachtigs, poëtisch. Jasper Hagenaar is concreter, maar ook hij zoekt een merkwaardige stemming. Hij toont een stapel keien, in een vitrine, en een hoge palmboom waar een man uit lijkt te vallen; daar is kennelijk iets niet pluis. Frank Ammerlaan is weer radicaal abstract. Zijn doeken zijn gevuld met grote iriserende vlekken van olie of andere chemicaliën, op een roetzwart fond. Het ziet eruit als de oude vloer van een garagebedrijf en lijkt mij precies even relevant. Evi Vingerling vond ik de meest intense, meest ‘wijze’ schilderes, met twee pure schilderijen, één wit-grijs abstract, als een sneeuwlandschap, het andere bestaande uit niet meer dan de schaduw van bladeren op een bruine achtergrond, versimpeld als in een Chinese waterverftekening.

Onder de runners-up is van alles te zien. Ik noem een charmant schilderijtje van een kledingrekje op een klein balkon, van Alex Baams en Statue of a Painter van Jan Wattjes, een donker groot doek met drie mansfiguren bij een standbeeld van een manneke met een witkwast. Bijzonder vernuftig is Kandahar van Celine van der Boorn, waarbij heel virtuoos een gecamoufleerde soldaat in een foto van een Afghaans landschap is geschilderd – je ziet ’m bijna niet.

Nu zeg ik ‘charmant’ en ‘poëtisch’ en ‘virtuoos’; de jury ziet het allemaal ernstiger in. In het juryrapport schrijft voorzitter Wilma Sütö dat de herkenbare ‘metaforen’ in de voorstellingen (een exploderend schip, een knoop in een touw, die wankele stapel kiezelstenen) te zien zijn als ‘toonbeelden van onheil en verwarring’. De wereld is ‘in duisternis gedrenkt’, zegt zij, en het zijn de vele crises waar de wereld in verkeert, waarop de kunstenaars reflecteren. Je vraagt je af of die somberheid echt dominant was in ál die honderden ingediende werken, of toch eerst en vooral in de hoofden van de juryleden. Hier komt aan de oppervlakte wat ook elders wordt gesteld: dat kunst vandaag vooral de opdracht heeft kritisch en begrijpelijk te reflecteren op de eigen tijd. Zo kan en moet de kunstwereld aan zijn draagvlak werken, zegt deze jury. Kortom: wil de ‘vrije’ schilderkunst een rol blijven spelen, dan verdient het aanbeveling terug te keren naar het verhalende, veelzeggende beeld, niet naar die vrije, al te vrije expressie van weleer.

_* * *

Tot 5 november in het Koninklijk Paleis_, Amsterdam, paleisamsterdam.nl