Fijne mensen, nare mensen

Miniatuur uit een Frans dertiende-eeuws manuscript van Van den Vos Reynaerde © Bibliothèque Nationale de France

Ik behoor tot de uitverkorenen die in de late jaren zestig colleges van professor F. Lulofs (1919-2003) volgde over het dertiende-eeuwse satirische meesterwerk Van den Vos Reynaerde. Schitterend was het: hij leerde ons niet alleen precies lezen, maar ook vragen te stellen bij wat we lazen. Waarom vertrok Reynaert juist op die dag naar het hof? Waarom gedroeg Julocke, de vrouw van de pastoor, zich precies zo? Hij maakte ons nieuwsgierig naar betekenismogelijkheden en naar wat er aan mogelijke ‘bedoelingen’ door de tekst zweefde. Viel dat nog te achterhalen?

Lulofs bracht ons dichter bij de dertiende eeuw, zonder dat je het gevoel had nu ineens alles van die tijd te kunnen verklaren of begrijpen. Hij maakte de Middeleeuwen niet gewoner maar ongewoner, omdat hij de verschillen met ‘onze’ samenleving scherp benadrukte. Natuurlijk maakten we achter zijn rug flauwe grappen over de ins and outs van dit merkwaardige boek. Eindeloos is er bijvoorbeeld gespeculeerd over de beginzinnen ervan: ‘Willem die Madocke maecte/ daer hi dicken omme waecte’. Volgens ons ging het niet over een boek dat Madocke heette, maar over een worstsoort, die Willem vergeefs probeerde na te maken.

Nico Dros bedacht een levensgeschiedenis rond deze mythische Willem-figuur waarbij hij zich niet liet verleiden tot speculaties over de ‘echtheid’ ervan. Hij creëerde zijn eigen ‘Willem’ en dat gaf hem de gelegenheid een boeiende figuur neer te zetten, zeer geschikt voor een klassieke historische roman als deze. Bij hem is het een wees, die ergens in Vlaanderen op de kust aanspoelt, hij heeft een vage vorstelijke achtergrond, denkt men, die in het verhaal verder niet eens zo’n grote rol speelt. Dros laat hem onder verschillende namen – Berda, Madoc, Willem – in het begin van de dertiende eeuw avonturen beleven en uiteindelijk ook een Franse versie van het Reynaert-verhaal naar het Middelnederlands vertalen en bewerken. Willem is duidelijk een zetstuk dat Dros inzet om een historische periode voor ons te laten opdoemen. Tot leven te brengen, zoals het cliché fraai zegt. Willem is in een klooster tot kopiist opgeleid en zijn belevenissen zijn duidelijk gerelateerd aan wat destijds in de samenleving een rol speelde: de strijd tussen Kerk en Staat, de overgang van het leenstelsel naar meer invloed van de hogere burgerij, de opkomst van half-ketterse bewegingen.

In dit boek valt veel te ­beleven: bloed aan de paal, vergiftigingen, vrijpartijen

De roman zoekt het niet in de verschillen tussen het heden en het verleden, zoals Lulofs dat deed. De figuren handelen, denken en spreken als eigentijdse mensen, romanfiguren kun je beter zeggen. Ze worden verliefd, ze vinden de voorschriften van kerk en staat maar lastig, vrouwen dienen mannen, en de ‘gewone’ bevolking speelt ergens op de achtergrond een kleine rol.

Soms gaat het met die eigentijdsheid wel wat ver. ‘Er was tijdelijk weinig werk in zijn branche voorhanden’, staat bijvoorbeeld ergens, ‘omdat dat najaar een zwerm vaganten in de stad was neergestreken.’ ‘Branche’: niet wat je noemt een middeleeuws woord, ik moest erbij glimlachen, Dros had duidelijk geen zin zich netjes aan alle regels van de historische roman te houden. En waarom zou hij ook? Er moest een spannend boek komen en geen doorwrocht traktaat.

Willem is in Dros’ handen een buitenstaander, een loner, zijn maatschappelijke positie is precair, voortdurend moet hij rekening houden met lastige omstandigheden, zoals dat hoort binnen een romantische literatuuropvatting. Hij heeft relaties met veel vrouwen, onder andere met de beroemde dichteres Hadewijch, maar vindt de ware niet. Er valt dus veel te beleven in dit boek: zoektochten, veldslagen, vergiftigingen, bloed aan de paal, vrijpartijen, valse priesters, rechtszaken, fijne mensen, nare mensen. Het hoort er allemaal bij.

Dros hanteert in de roman de stijl van de brede vertelling, we zitten direct op de huid van zijn held en leven met hem mee. Dat levert zinnen op als: ‘De eerste tijd in Koekelbeke sliep de aangewaaide Madoc op de zolder boven de peeskamertjes van herberg ’t Zwaluwnest in het hart van de buurt.’ Veel details geeft hij niet, dat zou de roman uiteraard onuitstaanbaar dik gemaakt hebben. Hij probeerde in zijn stijl niet een middeleeuwse sfeer op te roepen maar koos voor een wat ouderwets klinkende verteltoon: ‘Dikwijls bezocht hij overdag de stad binnen de muren of hij wandelde door het vrije veld of het houtvestersbos waar de steenpoelen liggen.’ Een toon die overigens past bij de verteller van deze brede roman. De hele geschiedenis wordt vanuit het heden verteld door een oude, gefrustreerde Middeleeuwen-kenner die oude handschriften in handen krijgt en een kans schoon ziet zijn carrière nieuw leven in te blazen. Hij bedenkt het verhaal omdat hij er gewoon zin in krijgt een roman te schrijven. We hoeven er dus helemaal niets van te geloven.

Ik vond dit ijzersterk en het deed zeker geen afbreuk aan de roman die ik achter elkaar naar volle tevredenheid uit las. Het punt is dat zelfs ik weleens zo’n fijn avonturenboek (want dat is dit) wil lezen waarin veel belevenissen staan die ik weliswaar al kende uit eerdere historische romans, maar die Dros toch maar mooi bij elkaar kreeg geschreven. Hij had er duidelijk zin in. Soms denk ik dat dit soort boeken geen bestaansrecht meer hebben, dan sla ik ze over, maar wanneer ik weer te veel postmoderne romans heb gelezen, allemaal geschreven in een verfijnde of juist onbegrijpelijke schrijftrant (hoe goed vaak ook), vol minieme gebeurtenissen en overpeinzingen van fijn besneden, vaak sterk onderdrukte mensen die aan de wereld lijden en veel onuitsprekelijk leed doormaken, dan word ik toch graag af en toe ondergedompeld in een begeesterde roman als deze.