INTERVIEW: claudie de cleen 

«Fijne nihilistische gedachten»

Tekenen is iets dat, net als schrijven en praten, eigenlijk vanzelf zou moeten gaan, maar het kost vaak veel hard werk om iets te maken dat eruitziet alsof het geen moeite heeft gekost. Kunstenaar Claudie de Cleen (1968) kan dat, al vraagt ze zich wel eens af of het al dat geploeter wel waard is.

«Het is vreselijk vermoeiend», zegt ze, in haar atelier, «om jezelf voortdurend hardop te corrigeren. Mensen vragen mij altijd: wat zeg je nou eigenlijk?» Ze praat in aaneengeregen halve zinnen: niet-afgemaakte gedachten, of gedachten die halverwege worden tegengesproken door een nieuwe, betere gedachte, die ze vervolgens weer relativeert. De muren van haar atelier hangen vol met dit soort gedachten, kris kras door elkaar heen, sommige half afgemaakt. Op een van haar meest recente tekeningen zijn twee stukjes been te zien met schoentjes eronder. «Ik ben mijn eigen gum», staat ernaast. «Dramatischer kan bijna niet», zegt ze lachend.De Cleen studeerde grafisch ontwerpen aan de Gerrit Rietveld Academie, doorliep de Jan van Eyck Academie in Maastricht en volgde een eenjarige opleiding voor art directors. De afgelopen jaren doken haar tekeningen op in galeries, in boekjes, op T-shirts en in bladen als Blvd, Carp, Avenue, de VPRO Gids en het Volkskrant-_magazine. Regelmatig verandert ze van stijl of techniek, maar haar handschrift is altijd herkenbaar. De figuren in haar tekeningen – veel meisjes – voelen zich vaak wat ongemakkelijk met het leven. Zo verbergen norse of sombere meisjes hun gezicht achter een bos haar, trekken ogenschijnlijk keurige meisjes brutaal en misschien zelf ook een beetje verrast hun shirtje omhoog en staan onhandige meisjes als een mislukte Marilyn Monroe op een luchtrooster, hun omhoog gewaaide rok in het gezicht en hun niet zo flatteuze onderbroek in het volle daglicht. Aan alle ongemak weet De Cleen een geestige draai te geven, maar het gaat nooit vanzelf, dat leven.«Ik vind het mooi als mensen helemaal voor de kunst kunnen gaan», zegt De Cleen, «maar ik heb opdrachten nodig om iets uit mijn handen te krijgen. Tot voor kort heb ik dat nooit als een beperking gezien, zolang je maar voldoende vrijheid geboden wordt. Ik begon natuurlijk in een gunstige tijd, rond 2000. Bladen als _Carp en Blvd hadden veel geld en veel ruimte waarbinnen ik mijn eigen gang kon gaan. Het gebeurde bijna nooit dat ze zeiden: hier begrijpen we niks van. Nu komt dat meer voor. Misschien ook omdat men in Nederland wat bekrompener wordt, dat mensen daardoor duidelijker willen zien wat er bedoeld wordt. Cryptischer beelden zijn dan al snel te ingewikkeld.»Haar tekening van gebruiksvoorwerpen – labello, een liniaal, een knijper – voor het Britse blad Grafuck, een «nieuwe anthologie van erotische kunst», werd bijvoorbeeld niet geplaatst. «Ik vond het juist wel grappig, voorwerpen die toch ook enigszins kunnen prikkelen, maar blijkbaar niet in Engeland.Als ik wil kan ik bij mijn galerie exposeren, maar op het moment weet ik het allemaal niet zo goed. Twee jaar geleden heb ik een kind gekregen, en het klinkt misschien stom, maar dan ben je er echt een tijdje uit. Nu vind ik het lastig om in een bepaalde staat te geraken waarin je dingen gewoon uit je hand laat vloeien. Soms heb ik een ochtendje, tussen het opdrachtwerk door. Dan ben ik even tevreden, en daarna twijfel ik meteen weer. Die tekening van dat meisje bijvoorbeeld…»Ze wijst naar een tekening aan de muur: het achteraanzicht van een meisje dat haar hoofd opzij laat hangen, meebuigend met de kromming van een lijn. «She has the habit to see something really sad in every line» luidt de tekst.«Dat soort tekeningen zijn het kortst denkbare stukje tussen je hoofd en je hand. Zoiets kun je niet verder uitwerken, dat voelt bijna alsof je de boel aan het flessen bent, dan zit je dat gevoel nog eens te beleven. Met het resultaat ben ik uiteindelijk wel blij, maar dat duurt ongeveer een minuut. Want tegelijkertijd baal ik er natuurlijk van dat ik me zo voel. Als ik het vervolgens aan iemand laat zien, zoals nu ook, dan denk ik: daar heb je haar weer met haar gevoelentjes. Daar voel ik dan enige schroom over. Je kunt wel zeggen, en volgens mij zeggen meer kunstenaars dat over hun werk, dat ik er in mijn werk mee bezig ben om mezelf te doorgronden. Maar het moet geen zeurkunst worden.» We bladeren in de strip Flatface, een boekje waaraan ze drie jaar geleden begon toen ze in Atelier Holsboer in Parijs verbleef. Flatface is een man zonder gezicht, «een karakterloos type dat niet meer weet hoe hij inhoud aan zijn leven moet geven». Op een tekening ligt Flatface op zijn buik in bed, zijn lege gezicht in het kussen. «What if I would die and neighbours think it’s garbage they smell», staat erboven.«Er worden natuurlijk aan de lopende band mensen in huizen gevonden die daar al weken liggen te rotten», zegt De Cleen monter. Toen ze de tekening maakte, dacht ze plotseling terug aan een krantenbericht over een beroemde Amerikaanse jazzmuzikant die enkele jaren geleden dood in zijn Amsterdamse flatje gevonden werd («waarschijnlijk omdat men vuilnis rook»). Niemand wist wie hij was, en niemand had moeite gedaan om daar achter te komen. «Die man speelde met Miles Davis en allerlei andere groten, maar hij is hier compleet anoniem begraven. Raar is dat.»De sfeer en de stijl van de tekening doen denken aan een schilderij van Philip Guston, een van de kunstenaars wiens werk De Cleen bewondert. «Ach, hoe heet dat schilderij ook alweer, van die man die in bed ligt met een grote lamp boven zijn hoofd. Die totale gelatenheid.» Ze loopt heen en weer door haar atelier, op zoek naar een boek waar het in staat. «Heb je dat ook wel eens, als je ergens niet op kunt komen, dat het dan helemaal wit wordt in je hoofd?»Flatface is ook een opportunist, iemand die voortdurend door zijn omgeving afgewezen wordt. Ze laat zien hoe hij door zijn vriendinnetje in zijn ballen wordt geschopt. De begeleidende tekst verklaart waarom: «My girlfriend did not want to kiss me anymore, so I forced her to. And then we broke up.»«Aan het einde is hij niemand meer. Volkomen in het niets opgelost. Weer zo’n fijne nihilistische gedachte.Iemand zei laatst over Flatface: het lijkt wel of hij net chemotherapie heeft gehad, vanwege dat plukkerig getekende haar. Ik houd erg van onhandig tekenwerk, veel art brut-tekeningen vind ik prachtig, of het werk van David Shrigley. Het gunstige van tekenen is dat je heel snel je ideeën op papier kunt zetten. Op een gegeven moment word je daar bekwamer in en kun je bepaalde gevoelens oproepen. En ja, dan blijf je daar een beetje in doorsudderen. Dat wil ik liever voorkomen. Maar het is ook mijn frustratie dat ik daar niet in door kan schieten. Ik heb altijd gedacht dat als je echt goed werk wil maken, je jezelf helemaal moet isoleren. Tot op het bot gaan. Dat is natuurlijk een heel romantisch idee. Terwijl de meeste mensen mij juist heel praktisch vinden.»Uit de berg papier op haar bureau vist ze een tekening van een typisch De Cleen-meisje: slippertjes aan, een kort rokje, hangende schouders en een onzichtbaar gezicht achter een sluier van haar. «Having long hair is sometimes not so practical» staat er.«Het probleem is: er zit een stem in mijn hoofd die me te snel tot de orde roept. Vaak vergelijk ik mijn werk met het allerhoogste, en daar kan ik dan niet aan tippen. Vroeger had ik daar niet zo’n last van, toen was ik gewoon lekker aan het tekenen. Als kind deed ik bijvoorbeeld mee aan tekenwedstrijden van l’Oréal. Dan kon je een krultang winnen en die won ik dan. Maar dan had ik natuurlijk net mijn haar afgeknipt, dus dan kreeg je zo’n kort bol kapsel. Ook op de Rietveld Academie ging het me heel gemakkelijk af, al bleef ik ook toen altijd in de schetsfase steken. Dan had ik wel tien ideeën, maar als je daar vervolgens mee verder gaat, moet je keuzes maken. En dan begint het gehakkel. Bovendien: hoe langer je ergens mee bezig bent, hoe frustrerender het is als het mislukt. Dat is weer heel praktisch gedacht.»Als ik zeg dat die vluchtige notities juist haar kracht zijn, draait ze een beetje bij: «Misschien moet ik ze toch maar weer laten komen, die gedachten.» «Ik ben zo iemand die maar door blijft praten en dan achteraf spijt heeft van wat ze allemaal heeft gezegd», zegt De Cleen bij het afscheid. Ze kijkt een beetje bezorgd. Ik vraag of ze denkt dat een mens in staat is zichzelf weg te relativeren, totdat er, net als in het geval van Flatface, niets meer van hem over is. Ze knikt. Zij zou het misschien wel kunnen, als ze zou stoppen met tekenen. «Hebben ze toch nog nut, die tekeningen.»

Werk van Claudie de Cleen is te vinden bij

Motive Gallery, Elandsgracht 10, Amsterdam