Joep Kuiper, Monarchieën

Fijnschilder van chaos

Joep Kuiper

Monarchieën

Meulenhoff, 50 blz., € 13,50

Gedichten maken, gedichten lezen, er is weinig heldhaftigs aan. De dichter is al snel iemand die niet meedoet in de wereld zoals die verschijnt in het nieuws. En vaak gaat de dichter in zijn gedichten niet eens naar buiten, leeft hij in een wereld waarin de tafel al even belangrijk is als de stoel en waarin het naderen van het raam dat uitzicht biedt op de dreigende buitenwereld het dramatische hoogtepunt vormt.

Joep Kuiper (1981) gaat naar buiten. Hij leidt je met hortende, scherp geslepen zinnen door een stuurloos bestaan. Er staat iemand op in deze gedichten die alles met een even grote precisie benadert. Hij gaat te werk als een schilder van een oorlogstafereel, die alles tot in het detail bestudeert om de chaos minutieus weer te geven.

Het eerste gebied dat wordt geschetst is een gehavende stad. Er zijn marktpleinen, verzetsstrijders, verpulverde hoofden, lachende hoeren en zich kapot kotsende scheppers.

Het lijkt de ervaring van een jongen die voor het eerst een grote stad bezoekt. Maar mogelijk volgen we een soldaat die te laat kwam om te vechten. Wat begint als avontuur slaat om in paniek, doodsangst. Alles gaat stuk, alles mislukt, en uiteindelijk wil degene die deze stad doorwaadt, met het water aan zijn schenen, alles vergeten: «…om/ maar iets te noemen MAMA PAPA wat/ ik nu nog wil is waakzaam blijvend huiswaarts/ boeken/ en vergeten dat ik hier geweest ben./ Onthouden dat ik hier nooit geweest.»

De bundel leest als een afrekening. Met plaatsen die de dichter nooit meer wil bezoeken, mensen van wie hij meer had verwacht of verlangde. Het mooie is dat de afrekeningen zo liefdevol zijn. De dichter schetst in opperste verrukking wat hij verafschuwt.

Het gedicht De bureaucraat is zowel wraakoefening als liefdesverklaring. Er is sprake van een paard, maar het zou ook om het woord paard kunnen gaan. «Hoog is het voorhoofd van het laatste woord dat zij spreekt». Beschrijft de dichter de schoonheid van het dier of van het meisje? Wie is eigenlijk het paard? Of vormen het meisje en het paard samen het beest waar hij tegenover staat? Pas halverwege het gedicht wordt duidelijk dat de liefde van het meisje voor het paard mogelijk groter is dan voor hem. Hij realiseert zich: «Mijn functie is droompaard», en ten einde raad sluit de dichter het meisje op in een dossier. Zoals hij haar opsluit in het gedicht. Het onderwerp is bedwongen door de hand van de dichter. En dat is voor de schepper die zichzelf verwijtend bureaucraat noemt geen geruststellende gedachte.

De lezer leeft door de gedichten te lezen in zijn eigen, tijdelijke monarchie. Maar waar blijft dan de dichter? Hij is niet aan te wijzen als heerser in de uiteenlopende vertellingen. Hij kruipt in de huid van steeds weer een ander. Soms komen anderen aan het woord, het zouden de mensen kunnen zijn die de dichter ooit wordt, of vreest te worden, zoals in het gedicht Niemand ziet zijn kind graag intellectueel en socialist worden, waarin een kleuter op een koe klimt. Zoals een intellectueel in wording zijn ideeënwereld bestijgt. De kleuter loeit, de koe loeit, de lezer die allerlei redenen bedenkt waarom hij geen intellectueel en socialist is, loeit mee.

In een aantal gevallen doet zich zelfs een transformatie van de ik-figuur voor. In het gedicht Over de man die niet lekker in zijn vel zat wordt de man een vrouw. En in De zelfmoordenaar ziet de dichter die langzaam dronken wordt varkens in zijn wijn verschijnen. Hij ontwaakt als stuk varkensvlees, als ham in een container. In de slotregel ontwaakt hij nogmaals: «Ontwaakt, ben ik gedronken». Hij heeft zichzelf als varken in zijn wijn opgedronken. Hij is de drinker en de gedronkene; dichter en varken. Ook in De dorstige die over water loopt is de ik meervoudig: «want ik ben de eerste man/ ja ik ben de eerste vrouw».

In de daarop volgende cyclus, De republikeinen, is een vrouw aan het woord. Zij is op weg naar Lissabon, denkt ze. «Op naar Lissabon, dacht ik./ Op naar liefde, dacht ik». Het is haast aandoenlijk hoe direct de taal hier wordt. Hier is de grootspraak verstomd. Het levert mooie regels op als in het zevende en laatste gedicht van de cyclus:

In de aankomsthal

wilde ik weer terug dat vliegtuig

naar Lissabon in, terug naar de nacht

voorafgaand, terug naar elke nacht.

Ik zou je toch niet kunnen vinden

in Lissabon

en zelfs niet in Londen, Parijs

of boven Reykjavik.

Zij is nog niet op Portugese bodem of ze verlangt al een vlucht naar IJsland. Maar ook daar zal ze niet te vinden zijn. Ze is het liefst op weg. Naar hem! Naar de dichter zelf, ben je geneigd te denken. Ga hem zoeken in Lissabon! De gedichten zijn in ieder geval in ons midden. Ze zijn misleidend, heldhaftig en zeer verslavend.