Profiel: George Soros

Filantropisch megaspeculant

«Vijftien jaar geleden — toen mijn dekkingsfonds honderd miljoen dollar in kas had en ik zelf zo’n 25 miljoen — besloot ik dat ik genoeg geld had. Het enige wat me sindsdien bezighoudt is de strijd voor een open samenleving. Die samenleving wordt bedreigd door het marktfundamentalisme. Te veel concurrentie en te weinig samenwerking leiden tot ondraaglijke ongelijkheid en instabiliteit in de wereld. Ik geloof niet dat de markt onfeilbaar is. Ik geloof niet dat de overwinning van de sterkste iets is om toe te juichen. We moeten strijden voor sociale rechtvaardigheid. Juist omdat ik succes boek op de kapitaalmarkt, kan ik het me veroorloven zulke ideeën te verdedigen. Ik ben de klassieke limousine liberal.»

Het zijn uitspraken die je niet meteen verwacht uit de mond van ’s werelds wildste speculant. Maar George Soros, directeur van het roemruchte Quantum Fund, dat in 1992 de Bank van Engeland liet «springen», neemt zichzelf graag met een korrel zout. Die zelfspot is geen valse bescheidenheid, hij getuigt van een innerlijke strijd die volgens zijn naaste vrienden (onder wie Lord Dahrendorf en Michail Gorbatsjov) authentiek is.

In zijn autobiografie Soros on Soros beschrijft hij zijn innerlijke verscheurdheid in de jaren tachtig, toen hij «over meer geld beschikte dan goed voor me was». Hij verliet zijn vrouw, maakte zich los van zijn zakenpartners en trachtte opnieuw zin aan zijn leven te geven. Via zijn Soros Foundation schonk hij honderden miljoenen dollars aan onafhankelijke media en maatschappelijke opbouwprojecten in Oost-Europa. De beschuldigingen van hypocrisie waren niet van de lucht, maar zijn critici hebben geen geloofwaardig antwoord op de vraag waarom de «plutocraat» Soros zijn geld steekt in vrije vakbonden, serieuze kranten, mensenrechtenorganisaties, studiebeurzen en goedgesorteerde bibliotheken. Er is maar één serieus antwoord: hij meent het.

En anders dan de meeste fundraisers slaagt hij erin zijn beleid filosofisch te verantwoorden: «Ik voelde me soms een reusachtig spijsverteringskanaal dat aan de ene kant geld opslokte en het er aan de andere kant uitperste, maar in feite vond er tussen die twee uiteinden veel denkwerk plaats.»

Het dilemma van de onterecht verworven rijkdom is van alle tijden, de drang er een zinvolle besteding aan te geven is herkenbaar. Ook de allersufste couponknipper in Tokio, Wuppertal of Hilversum ziet zich geconfronteerd met de gevolgen van zijn «beleggingen», al is het maar vanwege de omstreden uitbreidingsplannen van de lokale supermarkt.

En Soros laat het niet bij denkwerk. Zo omzichtig als hij zijn posities op de kapitaalmarkt inneemt, zo luidruchtig hamert hij op zijn politieke bedenkingen tegen diezelfde markt. Het lijkt soms of hij zijn eigen rijkdom als afschrikwekkend voorbeeld aan de wereld voorhoudt. Voor politici en centrale bankiers die hem de laatste decennia hebben leren vrezen, gaat er van zijn vermaningen zelfs een zekere politieke dreiging uit. De Amerikaanse econoom Krugman schertste ooit: «Het is alsof hij je voortdurend toeroept: ‹Hou me tegen of ik ga weer speculeren!›»

Soros’ kritiek op het casinokapitalisme is een stuk geloofwaardiger dan die van marxisten en andere traditionele critici die de «onmenselijkheid» van het kapitaal aan de kaak stellen. Hij weet dat het moderne kapitalisme, evengoed als alle andere maatschappelijke processen, mensenwerk is. Als oprichter van een van ’s werelds eerste dekkingsfondsen (fondsen die investeerders in staat stellen zich in te dekken tegen hun beleggingsrisico’s) stond hij aan de wieg van de speculatiedrift van de jaren tachtig en negentig. Sindsdien probeert hij met ontwapenende eerlijkheid de innerlijke dynamiek ervan te ontrafelen om erger te voorkomen en de wereld niet slechter achter te laten dan hij haar aantrof.

Soros pretendeert niet een profeet te zijn en daarom is hij het, zijns ondanks, misschien toch een beetje.

Als geboren «zoeker» is hij een aangename gids te midden van de zichzelf overschreeuwende protestbeweging van Seattle en het ondraaglijke analistengekwaak dat na de jongste koersval op de wereldbeurzen weer alle media vult. Geen expert weet of de bodem in zicht is, of wat eigenlijk de waarde is van die o zo betrouwbare fundamentals op wie de wereldeconomie berust, terwijl radicale activisten er alleen maar de zoveelste doodsreutel van hun mythische vijand in zien.

Soros stelt in zijn laatste boek Open Society (Public Affairs, 2000) dat het systeem fundamenteel onbetrouwbaar is, maar biedt geen sluitende verklaring. Hij denkt, integendeel, dat sluitende verklaringen hun doel voorbijschieten, dat niemand de waarheid in pacht heeft en dat die fundamentele onzekerheid de enige zekerheid is waarop een goed beleid kan worden gebouwd.

Dat is volkomen strijdig met het uitgangspunt van het economisch rationalisme dat zegt dat markten vanzelf een natuurlijk «evenwicht» bereiken als de overheid ze maar met rust laat. Dit marktmodel wordt nergens in natura aangetroffen, maar dient wel als rechtvaardiging voor de neoliberale revolutie die door Margaret Thatcher en Ronald Reagan werd ontketend en die werd overgenomen door een hele generatie beurstijgers en hun geestverwanten in politiek en wetenschap. Soros is dan ook geen kind van de jaren tachtig, hij is een antiyup. Hij ziet in het flitskapitaal de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede en de opbouw van arme landen. In Open Society beschrijft hij de ongeremde winstzucht van speculanten als een bijbelse plaag die gezinnen, familiebedrijven en nationale economieën ontwricht.

In zijn bespreking van Soros’ boek merkt de econoom Skidelsky op dat Soros getuigt van een tragisch besef dat in de Angelsaksische traditie ontbreekt: het besef dat economische instabiliteit de voedingsbodem kan zijn voor maatschappelijke ontsporingen van apocalyptische omvang zoals communisme en nazisme.

Soros’ vader was een Russische jurist die de revolutie ontvluchtte. George werd in 1930 in Boedapest geboren en zat er met zijn neus bovenop toen de economische crisis escaleerde in een wereldoorlog. Hij overleefde de nazitijd als onderduikertje bij een christelijk gezin. Aan het rondbrengen van Duitse Bekanntmachungen voor collaborerende joodse instanties hield hij zo’n hekel aan joodse organisaties over dat hij ze tot de dag van vandaag nooit een cent heeft toegestopt. Hij emigreerde in 1947 naar Groot-Brittannië en studeerde er filosofie, terwijl hij de kost verdiende als kelner.

In Groot-Brittannië las hij Karl Poppers hoofdwerk The Open Society and its Enemies (1945) en bekeerde zich meteen tot het kritisch rationalisme: «Popper toonde aan dat totalitaire ideologieën als communisme en nazisme een gemeenschappelijk kenmerk hebben: ze beweren de hoogste waarheid in pacht te hebben. Omdat die hoogste waarheid buiten bereik van de meeste mensen ligt, moeten ze hun toevlucht nemen tot geweld om hun visie aan de samenleving op te leggen. Popper stelde dat niemand patent op de waarheid heeft en dat er een stelsel van instellingen nodig is waardoor mensen met uiteenlopende standpunten vreedzaam kunnen samenleven; de zogenaamde ‹open samenleving›.»

Omdat hij niet gelooft in hoogste waarheden is Soros nooit een aanbidder geweest van de «onzichtbare hand» die volgens klassieke economen garandeert dat vrije markten leiden tot optimale uitkomsten. Hij vindt de vrije markt een noodzakelijk kwaad omdat die garant staat voor onze keuzevrijheid in de breedste zin van het woord; niet zozeer de (schijn)vrijheid van onze keuzes als consument, maar bovenal onze politieke keuzes, onze sociale bewegingsvrijheid en persoonlijke zingeving. Dankzij die hogere keuzevrijheid kunnen we ons verheffen boven het platte consumentisme en bewust consumeren, met inzicht in de gevolgen van ons consumptiepatroon voor de sociale cohesie van de samenleving, de verdeling van macht en welvaart in de wereld en het voorkomen van maatschappelijke catastrofes. Het zoeken is niet naar alternatieve waarheden, maar naar mechanismen om de chaos stapje voor stapje in te dammen en de ergste ontwrichting te bestrijden. Terecht schrijft Skidelsky dat Soros thuishoort in het gezelschap van naoorlogse Duitse en Oostenrijkse economen als Friedrich Hayek die zochten naar de juiste instellingen om de vrije markt te schragen.

Soros is niet alleen in filosofische zin een pragmaticus; hij trekt in alle openheid de consequenties uit zijn eigen falen. Zo voorspelde hij in 1998 dat de wereldeconomie zou instorten. Hij schreef er een boek over, The Crisis of Global Capitalism, waarin hij een eigen economisch model presenteerde, het zogenaamde boom bust-model. De mensheid zou volgens hem vluchten in nationalisme, waardoor nieuwe gesloten samenlevingen zouden ontstaan.

Al wat er volgde was de instorting van zijn eigen reputatie als econoom. In Open Society staat hij uitvoerig stil bij die blunder: «Ik had ingezet en verloren. Het was een pijnlijke ervaring om mee te maken, zowel persoonlijk als professioneel. Het einde van het systeem is nog niet in zicht.» Zijn voormalige adviseur Rudi Dornbusch, hoogleraar aan het Massachusetts Institute of Technology, concludeerde: «Als filantroop is hij buitengewoon, een groot strateeg die veel succes boekt. Als econoom zou ik hem niet eens een voldoende geven. Laten we zijn doortastendheid op economisch terrein vooral niet overschatten. Hij is een dwarsligger; hij probeert dingen uit en de meeste van die dingen mislukken.»

En inderdaad, wie Soros’ carrière in kaart brengt, ontdekt tot zijn verbazing dat de man helemaal geen beleggingsgenie is. Integendeel, hij verloor herhaaldelijk geld door onnozele acties, bijvoorbeeld in oktober 1987 toen hij de wereldwijde val van de aandelenkoersen nota bene zelf voorspelde maar er niet op inspeelde. In 1994 moest hij zeshonderd miljoen dollar inleveren omdat de rentetarieven volkomen voorspelbaar — maar tegen zijn eigen verwachting in — werden verhoogd. Het feit dat hij een paar maal verpletterend zijn slag had geslagen dankte hij niet aan een superieure strategie; zijn troef was zijn bereidheid meer risico te nemen dan anderen. Uitgerekend de «Soros-coup» van 1992 — waarbij hij speculeerde op de uittreding van Groot-Brittannië uit het Europese wisselkoersmechanisme — was niet eens zijn eigen werk.

Insiders schrijven die klapper toe aan Stanley — «er is moed voor nodig een zwijn te zijn» — Druckenmiller, een econoom die sinds 1988 bij Quantum werkte als hoofd van de afdeling beleggingen. Terwijl Soros per vliegtuig door Oost-Europa reisde, op het hoogste niveau gesprekken voerde over de toekomst van de postcommunistische landen en zich tevergeefs opwierp als persoonlijk adviseur van Michail Gorbatsjov, zat Druckenmiller 24 uur per dag over de Europese wisselkoersen gebogen en aasde op het ogenblik waarop de financiële wereld zich van zijn ponden zou gaan ontdoen.

Soros’ voornaamste bijdrage was het injecteren van een periodieke dosis roekeloosheid in zijn medewerker: hij moest consequent ponden blijven lenen en ze inruilen voor Duitse marken. Toen het pond op 22 september in elkaar zakte, betaalde Soros de gedevalueerde ponden terug en incasseerde een miljard dollar winst. De financieel journalist Gregory Millman, die een boek over de nieuwe generatie speculanten schreef, geeft Druckenmiller zelfs alle krediet voor deze operatie: «Druckenmiller was de architect van de reeks weddenschappen die zijn baas de jackpot opleverden en die George Soros tot beroemd financieel orakel maakten.» De laatste jaren verkeek hij zich zo op de internet hype dat Quantum Fund twintig procent verloor, hetgeen Druckenmiller dwong tot ontslag en Soros tot een vrijwillige pensionering.

Soros zou geen popperiaan zijn als hij geen lering uit zijn fouten zou trekken. Sinds zijn beoordelingsfout in 1998 werkte hij onverdroten aan de verfijning van zijn economische theorie. Het sleutelwoord is «reflexiviteit», het verschijnsel dat mensen hun ideeën over de werkelijkheid omzetten in verwachtingen die op hun beurt zodanig de werkelijkheid beïnvloeden dat idee en werkelijkheid niet meer te scheiden zijn. De mens zit dus verstrikt in zijn eigen verwachtingen. Dit sluit aan bij Poppers opvatting dat de mens nooit de werkelijkheid kan kennen, maar alleen werkhypotheses over de werkelijkheid kan opstellen die altijd voor verbetering vatbaar zijn. Alle verwachtingen — ook in de economie — zijn beperkt geldig en stuiten vroeg of laat op hun «natuurlijke» grenzen, maar het is niet te voorspellen waar en wanneer dat gebeurt. Prijzen kunnen bijvoorbeeld «onnatuurlijk» stijgen of dalen zolang mensen vasthouden aan hun verwachtingen omtrent die prijzen.

Dit kuddegedrag is voor Soros naar eigen zeggen altijd zijn beste richtsnoer voor beleggingen geweest. Hij beweert dat hij er in zijn gloriejaren steevast van uitging dat de markt «ongelijk» had en zichzelf vroeg of laat moest corrigeren: «Ik raakte vooral opgewonden als ik een zelfversterkende trend rook die zichzelf ook weer teniet moest doen; dan begon ik te kwijlen als een hond van Pavlov.» Maar hij erkende ook dat zijn eigen verwachtingen beperkt geldig waren: «Ik zette mijn geld in op onvolkomen hypotheses die kans maakten algemeen aanvaard te worden, vooropgesteld dat ik hun zwakte kende. Dat stelde me in staat tijdig te verkopen.»

In The Crisis of Global Capitalism past hij deze theorie ook toe op politieke ontwikkelingen, met name de val van de Sovjet-Unie. Zolang de sovjetleiders in het voortbestaan van hun eigen systeem geloofden, kon het voortbestaan. En zolang ze dat deden, hadden waarnemers die de val van het systeem voorspelden ongelijk, ook al baseerden ze zich op nog zulke precieze gegevens over de «natuurlijke» grenzen van de sovjetmaatschappij.

Spoedig na de verschijning van het boek gaf Soros de wereld aanschouwelijk onderricht in zijn reflexiviteitsbeginsel. Het laboratorium was Latijns-Amerika waar hij al acht jaar zo actief was dat hij door ingewijden werd beschouwd als de machtigste zakenman op het continent. Hij zou bijvoorbeeld in het geheim de grootste bezitter van land, vee en onroerend goed in Argentinië zijn. Eind 1998 besloot hij zowel zijn geld als zijn reputatie in te zetten op het economisch herstel van Brazilië. Hij kondigde een reeks investeringen in dat land aan en riep andere investeerders, de G7 en het imf, op zich bij hem aan te sluiten. De naam Soros was voldoende om de transnationale instellingen in beweging te krijgen, andere investeerders volgden en ook de Braziliaanse regering nam zijn steun met beide handen aan.

Als bekroning werd Soros’ eigen adviseur Arminio Fraga Neto in februari 1999 benoemd tot hoofd van de Braziliaanse centrale bank, een benoeming die de grote Braziliaanse kranten weer omschreven als «essentieel voor de gemoedsrust van de buitenlandse investeerders». De dynamiek die hij ontketende, illustreerde zijn stelling dat economische verwachtingen schier autonome gevolgen hebben, ongeacht de «onderliggende waarden».

Soros’ boeken zijn geen bemoedigende lectuur voor beleggers die de komende weken een sprong uit de dakgoot van Berlages beursgebouw overwegen. Hij vertelt je niet wanneer je de volgende koersval kunt verwachten, hij vertelt je dat je eigen geknoei een koersval onvermijdelijk maakt. Maar hij vertelt ons ook dat we onze politieke verwachtingen niet hoog genoeg kunnen stemmen: elke hypothese, hoe onvolkomen ook, wordt een hefboom als er maar genoeg mensen achter staan.

Zijn belangrijkste verdienste als propagandist voor een betere wereld is de verfrissende naïvi teit waarmee hij wijst op een vaak vergeten feit: de controlemechanismen die nodig zijn om de chaos te beheersen, moeten voortkomen uit de reeds bestaande controlemechanismen. Hoe onvolgroeid ze ook zijn, toch vormen instellingen als de Verenigde Naties, het IMF, de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie, de Europese Unie en de Navo de embryonale beginselen van de centrale wereldbank, de wereldregering en de wereldpolitie van de toekomst. Het is een opdracht voor komende generaties om de wereldmarkt een politieke pendant te geven. Slim beleggen is geen bewijs van wereldburgerschap. «Als burger, als lid van de samenleving, moet je het belang van die samenleving boven je eigen belang plaatsen», zei Soros enkele jaren geleden tegen de econoom William Greider: «En dat moet je zelfs doen — en daar gaat het om — als anderen het niet doen.»