Fileermes

Nederlandse premiere op 2 november in de Amsterdamse Stadsschouwburg, daarna tournee.
Als we de grote zaal van het Kunstencentrum De Vooruit in Gent betreden, is een duivelse machine bezig om het auditorium volledig in de mist te zetten. Het ruikt ook onaangenaam, maar wanneer het licht dooft, trekt de damp binnen enkele minuten weg. Het toneel is kaal. Midden achter: een lichtgevende spleet, met zicht op een kale muur. Rechts achter: een enorm gevaarte dat slechts langzaam zichtbaar wordt. Het lijkt een schrikbarend beest uit een hallucinerende dronkemansdroom. Een olifant met een vin? Walvis met slakkehuis? Links achter staat een schaars verlichte tafel waaraan twee mannen zitten. Voor op het ver de zaal ingebouwde voortoneel staan twee fauteuils tegenover elkaar. In de een zit een man die traag een sigaret poogt aan te steken. In de ander een donker bebrilde vrouw die de man sarrende teksten toewerpt. Zij heeft een speelgoedaap op schoot.

Met dit beeld begint de ruim viereneenhalf uur durende toneelgebeurtenis die O'Neill heet. De tekst is van de Zweedse schrijver Lars Noren. Toen hij de eerste versie van zijn stuk voltooide, lag er een pak papier van enkele kilo’s. De gesnoeide en speelbare variant is vertaald door Karst Woudstra, en geregisseerd door Luc Perceval, bij de Vlaamse theatergroep Blauwe Maandag Compagnie.
O'Neill gaat over de Amerikaanse toneelschrijver Eugene O'Neill. Die was in de periode tussen de beide wereldoorlogen heel succesvol. Nogal wat van zijn theaterscripts werden verfilmd. En hij kreeg in het midden van de jaren dertig de Nobelprijs voor de literatuur. Daarna ging het snel bergafwaarts met hem. Hij werd ernstig ziek (Parkinson). Prive ging het hem ook verder niet zo best. En hij werd niet meer gespeeld.
De ontmoeting in het stuk heeft - zoals de meeste ontmoetingen in toneelstukken - nooit plaatsgehad. De beide zoons uit O'Neills vorige huwelijken begroeten de oude O'Neill en zijn derde vrouw, de actrice en alcoholiste Carlotta, op de tweeenzestigste verjaardag van de beroemde vader en echtgenoot. De ziekte van Parkinson heeft de toneelschrijver zijn toekomstig levenswerk uit handen geslagen. Carlotta bespuugt en besmeurt haar armlastige echtgenoot. De beide zoons - verslaafd aan drank en drugs - willen voor niets deugen. De verjaardag wordt een veldslag van kapotgeslagen illusies.
O'Neill is een voorstelling die zich onttrekt aan kwalificaties als ‘goed’, 'genietbaar’ of 'beroerd’. Ze voelt ellendig, zo veel is zeker. Ik kwam ruim over middernacht als een wrak uit de voorstelling; ik had dan ook viereneenhalf uur op het puntje van mijn pluchen zetel verkeerd. Kijkend naar een tot op de rand van het pijnlijke, het banale en het gruwelijke uitgevochten slachtveld, vol pijn, verdriet, vernedering, belediging, dronkenschap. Een anatomische les. Ieder van de acteurs hanteerde een eigen fileermes.
Peter van den Begin (O'Neill) schuifelde over het kale plankier, zijn geringe gebaren oogden machteloos, het deed pijn aan de ogen hoe hij zijn talloze sigaretten poogde aan te steken. Ilse Uitterlinden (Carlotta) toonde een hysterie en demonstreerde tegen het eind van de voorstelling een dronkenschap, zo genant, zo schrijnend als ik zelden op een podium zag. Stanny Cretz (de aan dope verslaafde jongste O'Neill-zoon Shane) liet me een joch zien, constant bevreesd dat men ontdekt dat hij wil scoren; iets wat hij het liefst wil en tevens iets wat hij het liefst onontdekt wil laten. In die kwadratuur van de verhulling gaat een hoop energie zitten, die energie werd schaamteloos getoond. Vic De Wachter (als Eugene jr.) lachte zijn grote zorgen de ene helft van de voorstelling bruut van zich af, deed zijn best het ideale kind van de beroemde vader te spelen, en viel - na het lezen van O'Neills laatste pennevrucht (Long Day’s Journey Into Night) - apelazerus finaal door de mand: hij wilde, nee: eiste dat pa een paar jaar wachtte met publikatie van dit vernietigende stuk, omdat het Eugene jr. zijn (niet bestaande) carriere bij de film zou kunnen kosten.
Het is geen subtiele voorstelling. Maar wel een voorstelling die als een knetterende kater dagen door mijn kop bleef woelen.