TONEEL

Filibuster tegen kunsthaat

Dallas Het is geen straf om in een vlakke-vloerzaal vanaf de eerste rij de verrichtingen gade te slaan van de toneelspeler Marien Jongewaard. Hij gaat zitten op een raar meubelstuk, uitgedost in een glanzende broek en dito jack, waaronder een magere blote torso van het soort dat mijn moeder een ‘gratenpakhuis’ placht te noemen, hij draagt een uitzinnige pruik, maalt even met zijn kaken alsof hij nog bezig is de restanten van de vorige alleenspraak te verteren, kijkt in een soort allesverzengend Niets en begint: 'Wat is dit voor land? Vespucciland, een land waar je telkens weer naar het westen trekt.’
Marien Jongewaard (John) is vertrokken. Kort daarna kennen ook Wiek Hijmans en zijn elektrische gitaar hun lift-off, weer kort daarop verheft danseres Truus Bronkhorst (Jackie) zich uit haar lethargische pose-met-pruik. Gedrieën maken ze Dallas, een woedende vertelling over dromen van gisteren, afgronden van morgen en de neerslachtige vlakten van vandaag.
De tekst (Rob de Graaf) is muziek, hij krijgt zijn tonen uit het gierende snarenballet van Hijmans, zijn plastiek en ritme door de zeismaaiende dans van Bronkhorst, maar de woordenstroom die het skinny lijf van Jongewaard uitspuuwt ís in de kern muziek. Het uitzinnige eerste deel van de voorstelling is een roadmovie dwars door de verloren culturen van Amerika, bij het Vrijheidsbeeld achterlangs naar Woodstock en Wounded Knee en uiteindelijk naar de limousines in die lange straat in Dallas waar de droge geweerschoten klonken. Tijdens dat eerste deel hinkstapsprongen mijn gedachten regelmatig naar het slotconcert van The Band, later bekend geworden als The Last Waltz, het verfilmde afscheid van de muziek uit de jaren zestig en zeventig, de opmaat voor de onherbergzame jaren tachtig.
Dallas voelt aan als zo'n voorstelling met een enorme noodzaak erin, eronder en erachter, een voorstelling die Marien Jongewaard & Nieuw West al heel lang wilden maken, een vrolijke rouwklacht over het verloren utopia, een sarcastische bokkenzang tegen cynisme, een razende filibuster tegen kunsthaat. In het tweede deel is verteller Jongewaard een sloeber die zijn hand moet ophouden, zijn onderarmen vol helende polsbandjes die hij aan ons wil slijten, Willy Loman uit Millers Death of a Salesman, maar dan in de jaren tachtig van Ronald Reagan, de held van de generatie Mark Rutte. Voor deel drie gaat Jongewaard zitten in een lichtcirkel, de toon wordt berustend, voor eventjes maar: 'Ga maar zitten jongen. Dat hebben ze gezegd. We hebben hier het beste met je voor.’ En: 'Ik werk mee. Ik doe alles wat ze van me willen.’ De insnoerders, de platspuiters en de gevangenbewaarders van de 'wedstrijdverliezende sukkels’ gaan er eens goed voor zitten, en dus gaat Jongewaard er snel weer stevig voor staan, voor zijn kouderillingenapotheose. Het grote achtergrondbeeld van Dallas, een hypermodern kunstgebouw naast het schoolboekenpakhuis dat gedurende de voorstelling almaar meekleurde met de stemmingen van de tekst, dat beeld vliegt nu in de hens, een allesvernietigende fik. Terwijl de verteller het voornemen herhaalt dat 'ze’ hem met pek en veren de stad uit willen sturen, de vlammen in. 'Ja doe maar - ik weet ook dat ik me thuis voel, overal waar vuur is.’ Na de extase danken ze ons voor de aandacht. Met een gelukzalige blik in de ogen vliegen ze gedrieën weg: de muzikant, de danseres en de tekstjongleur. Op naar hun volgende fik. Geweldige voorstelling!

Bespottelijk korte speellijst! Theaterdirecteuren, uitzinnige reprise in het volgend seizoen, dit is een dienstbevel! 15 en 16 maart De Kikker, 17 maart Korzo, 19 maart LAK Leiden. www.nieuwwest.com