Film- en museumlijstjes

Tweeenvijftig klassieke films bij elkaar rapen in een filmonvriendelijk land als Nederland, ik geef het je te doen. Na de te verwachten berg problemen rond kopieen en rechten werd vorige week trots een lijst gepubliceerd van films die onder de titel Les films du paradis gaan circuleren langs de bioscopen. De bedoeling is ‘de verloren kijker’ in Veere en Geleen het paradijs van de cinematografie deelachtig te laten worden. Met negentien Amerikaanse films, twee Japanse en twee Russische wordt de gemiddelde bioscoopbezoeker en televisiekijker echter eens te meer bevestigd in het idee dat de filmgeschiedenis in Hollywood wordt gemaakt.

Elke lijst die maar een beetje de pretentie heeft die geschiedenis te representeren roept natuurlijk onmiddellijk een tegenlijst op. In Het Parool van afgelopen zaterdag beet Mark Moorman de spits af met een tegenlijst waarop liefst de helft van Amerikaanse makelij is. Ook hij slaat de hele Russische revolutieperiode over en bakt het met een Japanner en een Rus nog bruiner.
De vraag is wat je opschiet met lijstjes en tegenlijstjes. In ieder geval nodigt het uit tot kritisch lezen, tot ter verantwoording roepen en tot alternatieven bedenken. Waarom blijven dit soort lijsten beperkt tot film en popmuziek? In musea kun je er ook mee aan de slag, zeker bij zomeropstellingen en ‘keuzen uit de collectie’. In het Stedelijk is de opstelling van 'moderne klassieken’ uit de schaduw van de laatste aflevering van de tentoonstellingreeks Couplet gekropen. Van Couplet had je als Moorman ook kunnen zeggen: waarom het neon-object Citta irreale van Mario Merz, terwijl zijn iglo’s veel belangrijker zijn geweest voor de ontwikkeling van de kunst? En waarom Verboden vruchten uitkiezen van Rob Scholte, als je het veel bekendere Utopia kan krijgen?
De voor de gelegenheid uitgebreide klassieke afdeling verleidt nog veel meer tot het maken van een alternatieve lijst met persoonlijke favorieten. Het Stedelijk trapt niet in de val die de meeste Duitse musea gevangenen maakt van hun eigen verzameling: van elke schilder uit een erkende avantgardestroming een of twee werken, in zaaltjes per stijl bij elkaar, zodat zich halverwege een geeuwhonger naar onverantwoorde frivoliteiten van volslagen onbekende kunstenaars opdringt.
Veel van de getoonde klassieken hangen al jaren op dezelfde plek in het Stedelijk, maar zijn nu als het ware op scherp gesteld door er werken bij te hangen die blijkens de bijschriften al sinds 1940 of 1960 in de kelders verstoffen.
Daar zit een heel erg vroeg landschap bij van Kandinsky en een mooi 'balkenschilderij’ van Paul Klee. Tussen de voor zijn laatste jaren kenmerkende, abstracte zwarte kronkels is een maskerachtige grimas te ontwaren. De titel Lupus Martis (Marsspel) verwijst waarschijnlijk naar de politieke situatie in 1938.
De prijs voor weinig subtiele maar effectieve oorlogsallusies gaat naar Lovis Corinths prachtige Kuhstall uit 1922 (aangekocht in 1940). De Eerste Wereldoorlog gaf het al uitgekakte expressionisme in Duitsland en Frankrijk een geweldige nieuwe impuls en de koeiestal is daar een sprekend voorbeeld van. De tekening is vrijwel geheel verklodderd door grijze en bruine penseelstreken, met hier en daar een gele veeg. Het grauwe geheel, dat sterk doet denken aan Soutines geslachte vogels en Bacons Figures with Meat, draagt Corinths signatuur in bloedrode, druipende letters. Het is geen bekende klassieker en Corinth ontbreekt in de gemiddelde expressionisten-toptien, maar zelfs nu werkt zo'n grauw, ambachtelijk gepenseeld schilderij frisser dan menig doek dat in geen dertig jaar van zijn plaats is geweest.
Een kleine speurtocht in oude catalogi levert een alternatieve lijst op van uit het paradijs verjaagde schilderijen en niet te vergeten beelden in de depots van het Stedelijk Museum. Ik ben er zeker van dat het museum een dergelijke publieksparticipatie zeer op prijs zal stellen.