FILM IS VOELEN, NIET BEGRIJPEN

Na Michael Haneke, Gus van Sant en de Coen Brothers is dit jaar de Franse Claire Denis de ‘maestro’ van het filmfestival in Rotterdam.
Denis heeft een uitgesproken eigen stijl. In haar films hoeft niet alles te worden uitgelegd. Zo staat in Beau travail (1999), over het Vreemdelingenlegioen in West-Afrika, een groep afgetrainde mannen in legerkleding in een karig Afrikaans landschap. Geconcentreerd doen ze synchroon en in volledige stilte hun dagelijkse lichaamsoefeningen. Het zweet op hun lichamen glinstert in de middagzon. De camera zwerft tussen hen heen en weer, filmt spierbewegingen dicht op de huid om dan weer van een afstand het aantal mannen te observeren. We weten niet wie de mannen zijn, wat hun doel of achtergrond is. De schoonheid van het menselijke lichaam is alles waar het om gaat.
Claire Denis groeide op in het Franstalige West-Afrika, waar haar vader werkte als diplomaat. Na een mislukte poging om economie te studeren, belandde ze op de Parijse filmacademie en begon daarna aan een carrière als regieassistente bij onder anderen Jacques Rivette, Wim Wenders en Jim Jarmusch. Hier ontwikkelde ze haar eigen visie op filmmaken, wat direct bleek uit haar veelbesproken debuutfilm Chocolat (1988), de semi-autobiografische film over koloniale verhoudingen in Afrika, die genomineerd werd voor een Gouden Palm.
De multiculturele samenleving (en de onderkant daarvan) is een steeds terugkerend thema. De outsider en de underdog zijn haar favoriete personages – het familielid van een seriemoordenaar in J’ai pas sommeil (1994), de eenzame broer en zus in Nénette et Boni (1996), de jaloerse legercommandant in Afrika in Beau travail (1999), de oude Einzelgänger die een illegale harttransplantatie ondergaat in L’intrus (2005). Ook haar nieuwe film, 35 Rhums, die in Rotterdam wordt gepresenteerd, over een zwarte vader in een buitenwijk van Parijs die moeite heeft zijn dochter los te laten, past in dat schema.
De psychologische benadering van haar personages interesseert Denis niet. Ze is ervan overtuigd dat film juist verarmt als je probeert alles te verklaren en te achterhalen. ‘Het gaat om de relatie tussen de kijker en het personage. Die moet een gevoel overbrengen: herkenning, sympathie. Ik geloof meer in een intuïtieve dan in een rationele relatie’, legt ze in een interview uit.
Denis beheerst de kunst van het weglaten op hoog niveau. Ze observeert zonder commentaar en speelt met de overgang tussen werkelijkheid en droomwereld. Juist dat wat niet wordt gezegd, lijkt het onderwerp te zijn van haaar films. Alsof het verhaal en passant gebeurt en alleen maar geraakt wordt door de zwervende blik van de camera. Daardoor heeft de kijker vaak pas halverwege door waar de film over gaat. Denis gaat daarmee in tegen wat ze noemt de ‘huidige obsessie met het verhalende in film’. Dialogen zijn bij Denis tot een minimum gereduceerd, er wordt niets uitgelegd en al helemaal geen conclusie getrokken. Het gaat haar om de beelden, de montage, het geluid – de technische kant.
Toch zijn haar films, waarvan er in vorige edities van het festival veel zijn vertoond, alles behalve technisch te noemen. ‘Sensueel’ of ‘lyrisch’ omschrijft haar omgang met het medium beter. ‘Echte cinema is een manier om het technische en industriële materiaal om te vormen op zo’n manier dat het aan het sublieme raakt. En ik denk dat sensualiteit de sleutel is’, zegt ze daarover. Film is voor haar aanraken en niet vertellen. De kijker moet de film kunnen voelen. Denis’ vaste cameravrouw Agnès Godard laat je de bomen bijna ruiken, de kou van de sneeuw voelen. De kijker moet niet willen begrijpen en analyseren, maar zich overgeven aan de impressionistische kracht van de beelden en de muziek en zijn verwachtingen en vragen uitschakelen. Daar hebben kijkers tegenwoordig misschien moeite mee.