Regisseur John Appel blikt terug op de opnamen van

Filmen met Hazes

Een potje driebanden in De Plashoeve, een weekendje Londen, gesprekken bij hem thuis, in zijn tot café omgebouwde garage. Meestal ging het over voetbal. Mijn wereld staat niet ver af van die van Hazes. Ik houd van voetbalkantines, volkse cafés, broodjes kroket.

Vinkeveen, 18 mei 1998

Mijn eerste ontmoeting met André Hazes. Na jarenlang met het plan voor een film rond gelopen te hebben is het dan eindelijk zo ver. Via zijn vriend Michael Petterson heb ik hem benaderd om te komen praten. De afgesproken plek is zijn stamkroeg aan de Vinkeveense Plassen. Ik ben gespannen, bang dat mijn ontmoeting op een teleurstelling uitloopt. Misschien voelt hij er niks voor.

Als ik het café binnenkom zie ik hem zitten aan een tafeltje met twee glazen bier voor zich. Ik stel me aan hem voor.

«Wat wil je drinken?» vraagt hij.

«Doe maar een biertje.»

Hij bestelt voor mij een biertje en voor zichzelf twee, in kleine glaasjes, twee colaatjes pils.

«Ik ben aan het minderen», zegt hij lachend.

Aan de manier waarop hij aan zijn sigaret trekt zie ik dat hij zelf ook nerveus is, nog meer dan ik. Hij kijkt om de halve minuut op zijn horloge. Dat maakt me rustig. Ik begin hem uit te leggen wat voor documentaire ik wil maken en al snel heb ik door dat het klikt. Het ijs is gebroken; de eerste stap is gezet. Het moet vooral een eerlijke film worden, over wat zich in de loop van het komende jaar voordoet. Zonder oude koeien uit de sloot te halen. Dat vindt hij een goed idee. We schudden elkaar de hand en hij voegt eraan toe: «En ik weet al wie de rol van mijn vader moet spelen: Frits Lambrechts.»

Na drie kwartier gaat de telefoon. Het is Rachel, zijn vrouw. Hazes loopt naar de bar, voert een kort gesprekje en komt weer terug naar ons tafeltje. «Het was Raz», zei hij. «Ze moest even controleren of alles oké was. Anders had ik nu naar huis gemoeten om te eten. Nu nemen we er nog een.» Zijn vooropgezette ontsnappingstruc komt mij niet onbekend voor.

Mijn eerste avond met André Hazes doet mij denken aan de eerste keer dat ik Johnny Meijer ontmoette, de Amsterdamse accordeonist over wie ik tien jaar geleden een film maakte. Ook toen zag ik tegen de eerste kennismaking op. Ik fietste naar zijn woning in de Vinkenstraat. Toen ik mijn fiets tegen het raam zette, ging plotseling het raam open en ik hoorde Meijer schreeuwen: «Hé teringlijer, sodemieter op met die kolerefiets!» Ik haalde mijn fiets weg en stelde mij voor. Ook nu lukte het vrij snel om hem voor mijn filmplan te winnen.

Een paar maanden later waren de eerste opnamen. Hij was door het Amsterdams Saxofoonkwartet gevraagd voor een gastoptreden in het Concertgebouw, onder de voorwaarde dat hij in smoking zou verschijnen. Met de grootst mogelijke tegenzin ging Meijer naar de winkel om een smoking te kopen. Vloekend liet hij zich een pak aanmeten. «Het is maar voor één nummertje!» vitte hij. Een week na het concert was hij dood.

Benidorm, 17 augustus 1998: eerste filmopnamen

Toen Hazes mij vertelde dat hij naar Benidorm ging, op vakantie, maar vooral om er een concert in de plaatselijke arena te geven, besloot ik met de film te beginnen.

Als ik met de filmploeg naar Spanje afreis, is Hazes er al een week. Voor we naar het hotel gaan om onze apparatuur en koffers weg te brengen, rijden we langs de boulevard om André even een hand te geven. Ik zie hem al van afstand zitten, met een biertje op het terras. De begroeting is hartelijk en hij komt meteen ter zake. «We gaan nú filmen», zegt hij. «Ik zit hier al lang genoeg. Ik wil nu die arena zien.» Ik besef dat ik het plan om eerst rustig te acclimatiseren moet laten varen. We pakken onze apparatuur uit en gaan met Hazes op weg naar de arena van Benidorm, het stadion waar over vijf dagen het concert plaatsvindt. André is nerveus en ongeduldig. Een zenuwtic trekt over zijn gezicht. Hij betreedt de lege arena als een stierenvechter voor zijn grote gevecht.

«Ik draag dit concert op aan mijn vader en mijn moeder», zegt hij, overmand door emotie, en hij haalt herinneringen aan zijn ouders op. «Als dit lukt ben ik heel ver in mijn leven.»

De eerste opnamen, één rol film van tien minuten, behoren tot de mooiste van de film. Dat is een goed begin, denk ik, wetend dat de eerste rollen film normaliter nooit de beste zijn.

Rotterdam, 2 oktober 1998

De week voor het grote concert van Hazes in Ahoy’ ben ik in België. Ik ben bezig met opnamen van Dodengang, een film over de laatste veteranen uit de Eerste Wereldoorlog van de gelijknamige loopgraaf in Diksmuide. ’s Avonds in het hotel bel ik Hazes om te vragen hoe het met hem gaat. «Klote!» zegt hij. En hij vertelt mij over zijn crisis met Rachel. «Ik kom morgen naar je toe», zeg ik.

Ik zeg de afspraken voor de loopgravenfilm af en vertrek naar Rotterdam. De volgende middag klop ik aan op de deur van zijn hotelkamer. Ik zie dat hij er slecht aan toe is, verward en alleen, alsof iedereen hem op zo’n moeilijk moment aan zijn lot overlaat. André neemt mij in vertrouwen over zijn privé-problemen.

Ik realiseer me dat ik voor een dilemma sta. Moet ik gaan filmen of niet? Ik vind dat ik toch moet filmen, denkend aan de afspraak van onze allereerste ontmoeting om een eerlijke film te maken. Ik zie dat André ook twijfelt. Ik overtuig hem ervan dat hij zijn verhaal moet vertellen. Hij vertrouwt me en hij vertelt openhartig en ontwapenend over zijn huwelijkscrisis: «Als ik straks Zij gelooft in mij ga zingen, dan kan ik dat enkel maar voor mezelf doen.» Vanaf dit moment weet ik dat Zij gelooft in mij de titel voor de film zal zijn. Het lied dat samenvalt met zijn privé-leven. De volgende dag vraagt hij mij: «Je gebruikt toch niet alles wat ik gisteren gezegd heb?» Ik zeg hem dat hij mij moet vertrouwen.

Londen, 26 maart 1999

Bij Hazes thuis. Hij zegt: «Heb je zin om een keer mee naar Londen te gaan, naar Arsenal, om Bergkamp en Overmars te zien voetballen?» Natuurlijk heb ik daar zin in. «Ik regel wel wat», zegt hij als ik naar huis ga. Ik ben nog maar net thuis als de telefoon gaat: «Het is voor mekaar. We gaan morgen!» Een dag later staan we op Schiphol. Michael Petterson is er, en Willy Worst, vriend van Hazes, koopman op de Albert Cuyp. Het tweedaagse tripje is voor André net een schoolreisje. Hij is uitgelaten als een klein kind. Bij het stadion koopt hij sjaaltjes en petjes. Hij wordt herkend door een paar Arsenal-fans. «You’re a Dutch popsinger!» Arsenal wint met 1-0 door een doelpunt van Bergkamp.

Na de wedstrijd gaan we terug naar het hotel. Tot sluitingstijd zitten we aan het bier. Als we naar bed gaan, vraagt Hazes of ik met Willy Worst op een kamer wil. Hij moet nog wat bespreken met Michael. Geen probleem lijkt me dat. Eenmaal op bed komt de aap uit de mouw. Willy ligt nog niet of hij begint vreselijk te snurken. Ik duw hem een paar keer op zijn zij, maar niets helpt. Ik pak mijn matras en sleep dat naar het trappenhuis van de nooduitgang. De volgende ochtend leg ik het matras weer op de kamer, waar het gesnurk nog steeds in volle gang is. Willy heeft niets gemerkt. Later zie ik Hazes bij het ontbijt, dat voor hem uit een sixpack bier bestaat. We werpen elkaar een blik van verstandhouding toe. «Lekker geslapen?» vraagt hij. «Kon niet beter!» zeg ik.

Nieuwe ter Aar, 30 juni 1999: Hazes’ verjaardag

De laatste opnamedag van de film. Hazes heeft een restaurant afgehuurd om zijn 48ste verjaardag te vieren. Sugar Lee Hooper treedt op en tot mijn verbazing is er uit de voetbalwereld maar één prominente gast: Coen Moulijn, de oude linksbuiten van Feyenoord. Zoals op al zijn feesten treedt Hazes ook zelf op. Op mijn verzoek zingt hij Waarom, het nummer dat hij zelden uitvoert. De slotakkoorden zijn het einde van mijn film.

De producent van de film wil ook Rachel een cadeau geven, als dank voor haar medewerking aan de film. Iets wat ze heel graag wil hebben. Ze moet er maar over nadenken en het later laten weten. Maar Rachel hoeft niet lang na te denken. Ze antwoordt binnen een mum van een seconde: «Een skipak!»