Filmische kwaliteit

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Vandaag: de eerste drie documentaires die in de serie Teledoc Campus worden uitgezonden.

Teledoc Campus is het podium voor jonge documentairemakers. Films van ongeveer 25 minuten van publieke omroepen met steun van CoBO Fonds en Filmfonds. De vijfde reeks is zondag begonnen maar wordt in tweeën gehakt: eerst drie weken Campus, dan vier weken lang steeds twee afleveringen van de minispeelfilmpjes onder de noemer Kort! (NTR), en pas vanaf 10 november de resterende zeven documentaires. Curieuze programmering – een maand fictie tussen twee blokken documentaire – maar goed, de gemene deler is ‘kansen voor beginners’ (die soms trouwens al een klein oeuvre op hun naam hebben).

Hier aandacht voor de eerste drie Teledocs. Twee ervan zijn dansfilms+. ‘Plus’ in driedubbele zin omdat ze niet alleen dans tonen maar daarmee tegelijkertijd iemand portretteren die buiten de mainstream valt. En via die ‘iemand’ raken ze aan een maatschappelijk, sociaal of medisch probleem. Waar bij komt dat ze niet rapportage-achtig registreren maar met eigenzinnige filmische middelen een kunstwerkje van zichzelf proberen te zijn. Dat is veel tegelijk, maar het resultaat mag er wezen. Tot op zekere hoogte zijn het experimentele films, en als je in deze setting de kans krijgt om uit te proberen en risico te lopen, zou je gek zijn als je het niet deed. Op veilig spelen zal later nog volop van je geëist worden.

Terzijde: waar zal er nog plek zijn voor experiment en artisticiteit van jonge makers voor een jong publiek als het curieuze plan van Slob werkelijkheid wordt om Nederland 3 aan de regionale zenders toe te kennen? Natuurlijk is de regio van belang en daar zijn in grote wijsheid precies die regionale zenders voor uitgevonden. Die elke burger desgewenst kan zien, ook als zij/hij niet in Margraten of op Schiermonnikoog woont. Bovendien barst het op de nationale netten al van programma’s over de regio – van vrouwzoekende boeren (KRO-NCRV) tot een prachtserie als We zien ons (HUMAN) over Lindenheuvel in Geleen. Van Typisch Vinkeveen (EO) tot Typisch Groesbeek (BNNVARA). Van BinnensteBuiten (KRO-NCRV) tot Vroege vogels (BNNVARA). Van Bed & Breakfast (MAX) tot de Zeeuws-Vlaamse dramaserie Grenslanders (AVROTROS). Van Fryslân Dok (regionale tv die al geïnfiltreerd is in NPO 2) tot het lobbywerk van La Jaspers in Onze boerderij (KRO-NCRV). Terwijl, over provinciaal op een treetje hoger gesproken, het NOS Journaal al steevast opent met Nationaal Nieuws, waardoor je meteen weet dat de Derde Wereldoorlog kennelijk nog niet is uitgebroken. Allemachtig. Maar lopend op naaldhakken gebracht, dat dan weer wel. En wat zit er al in het middagjournaal van 3 uur? Jawel, een blok regio-nieuws.

Terug. Daverende kijkcijfers zullen ze helaas niet krijgen, want Teledoc Campus, wat is dat? Nou, dat was zondag om te beginnen Gioia van Laura Stek. Genoemd naar de hoofdpersoon. Haar stem begeleidt ons de hele film – offscreen. We horen zingen: ‘I got a feeling, I feel so strange/ Everything about me seems to have changed.’ Het blijkt de inhoudelijke aankondiging van wat Gioia in haar brein al heel jong aangekondigd kreeg wanneer een psychose dreigde: altijd het gevoel dat ze een kraai zag, een vogel uit de onderwereld als boodschapper – geruststellend en eng tegelijk. Haar bipolaire stoornis dwingt haar tot een extreem prikkelarm leven, waarbij dansen, wat ze altijd zo graag deed – nee, wat een levensvoorwaarde was, waarin ze zich volledig kon verliezen (we zien dansfoto’s van haar als kind) – gevaar inhoudt. Jezelf verliezen werd van bevrijdend tot beangstigend, het begin van totaal controleverlies. Waarbij de angel zit in de aantrekkelijkheid van haar type psychose dat vaak de vorm aannam van licht, liefde, vertrouwen en het zien van schoonheid in iedereen. ‘Beter dan MDMA, beter dan verliefdheid!’ Met als paradoxaal gevolg dat ze, toen ze een keer wakker werd en iedereen zó aardig vond, moest vaststellen dat ze haar pilletje had vergeten in te nemen: ‘Als ik mijn medicatie niet neem is het net of ik aan de drugs ben.’ Die door Gioia beschreven gelukzaligheid wordt ons door de regie niet via haar ‘talking head’ overgebracht maar in kleuren, vormen, bewegingen, geluiden. Wat scherp contrast oplevert met een volgende realistische passage, waarin Gioia met haar vriend aan tafel de boodschappen bedenkt (koffiepads, wasmiddel in de aanbieding). Hij gaat ze halen, want prikkels buiten zijn te veel risico. Wel veel kleurige bloemen in interieur en kleding. We hebben een glimp van Gioia opgevangen als we een danseres zien die in beweging de sensaties van een psychose verbeeldt. Maar dan wel de fase waarin lieflijkheid is overgegaan in gruwel. Even denk je dat de danseres Gioia zelf is. Maar dat kan haast niet vanwege het genoemde gevaar van dansen en vanwege het extreem hoge technische niveau van deze niet-klassieke dans (Mara Hulspas, voorheen Scapino). Bovendien wordt steeds duidelijker dat er een aanmerkelijk verschil in lichaamsbouw is tussen de hoofdpersoon en de danseres. Mara verbeeldt niet het uiterlijk maar het innerlijk van Gioia. Blijf kijken en er volgt een ontroerende apotheose. Gioia is ziek, en in en door Gioia weet ze duidelijk te maken wat die ziekte inhoudt, betekent en met zich meebrengt. Hopend op meer begrip en empathie bij de kijker voor wie eraan lijdt. Toch, de kracht van de productie ligt in meer dan de ‘boodschap’. Die ligt ook in filmische kwaliteit.

Father Figure van Bibi Fadlalla is het portret van Guilliano (26) en van de groep overwegend mannelijke dansers die hij om zich heen heeft verzameld. Wat ze delen is een donkere huidskleur, homoseksualiteit en ‘ballroom’, oftewel voguing. Ruim een jaar geleden zond de NTR in Het uur van de wolf Mother’s Balls uit, een documentaire van Catherine van Campen. Het was een portret van de Amerikaanse Amber Vinyard en een gemengd groepje jonge mensen rond haar die in ballroom de creatieve, extravagante en veilige vrijhaven vonden die ze als LHBT-ers in de ‘gewone’ wereld niet ervoeren. Sindsdien is ballroom zelfs voor mij niet meer alleen foxtrot & wals en brillantine in je haar, maar uitzinnige ritmes, travestie, exuberantie, exhibitionisme, nadrukkelijke erotiek. Ik schreef over mijn huiver en verwarring, maar ook over het besef hoe belangrijk die dans en gemeenschap zijn voor wie afwijkt van ‘normaal en modaal’. Een plek waar niets te gek is, waar je volledig jezelf kunt zijn, je uit kunt leven en waar acceptatie, zelfacceptatie en zelfbewustzijn de leus waren en zijn. Een vorm van emancipatie die wortelt in het Harlem van de jaren tachtig.

Waarschijnlijk waren Guilliano en vrienden aanwezig bij of deelnemer aan de eerste editie van de Nederlandse ballroomscene waar Amber spreekstalmeesteres was (zie Van Campens film). Was zij ‘de moeder’ van het clubje kids om haar heen, Guilliano is voor zijn eigen gezelschap (The Kiki House of Angels), dat nauwelijks leeftijdsverschil kent, toch wel degelijk ‘the Father’ (zie de filmtitel). Wat in beide gevallen het belang van de gemeenschap voor de leden uitdrukt: die is familie. Zoals een van hen zegt: ‘Ik heb bloedfamilie en de Angels zijn gekozen familie; je creëert iets wat sterker is dan bloed.’ Waarom is dat zo belangrijk? Guilliano: ‘Als donker persoon heb je sowieso al een streepje minder; ben je gay in de zwarte machocultuur, dan zijn het er twee.’ Zeker als je bloedfamilie je seksualiteit niet accepteert, en dat is niet uitzonderlijk. Er zit gelaagdheid in die ballroomcultuur, een en al lichtheid en vrolijkheid en lust en schittering, maar ook een groot ‘fuck you’ tegen al wat moeite heeft je te accepteren zoals je bent. Wat dan wel weer op een veilige, besloten plek geroepen moet worden. Terwijl je buiten vooral niet op wil of kan vallen. Zoals Jeffrey zegt: ‘Ik werk in de havenwereld, de meest macho aller culturen; en daar kom ik dan aanzetten, een Kaapverdiaanse demi-seksueel; dus ben ik op kantoor nooit “uitgekomen”; seksualiteit is niet heel je leven, het is een klein deel.’ Dat zal niet elke emancipator hem in dank afnemen, maar het lijkt me heel begrijpelijk. En dat ‘kleine deel’ leeft hij uit met en bij de Angels. Maar hé, het was toch een dansfilm. Nou en of. En zie de moves, de outfits, de kapsels, de naaldhakken van de jongens. Zie ook de fraaie animaties die film en personages esthetische extra’s geven die ze ook in ballroom zoeken. Al is hun smaak vaak de mijne niet. Ook Guilliano is buiten zijn ‘familie’ terughoudend, straight. Ook al omdat zijn liefhebbende moeder zich zorgen maakt om wat ellendelingen hem aan zouden kunnen doen. De titel Father Figure heeft een verrassende dubbele betekenis: kijk zelf.

De derde film, Goodwill Dumping van Teddy Cherim, gaat over kleding of mode, maar anders dan je zou verwachten. We beginnen op straat bij een bak voor tweedehandskleding van het Leger des Heils. We eindigen daar ook, maar zijn veel vragen, antwoorden en twijfel verder. En we zijn in sorteerloodsen, winkeltjes en op markten in Nederland en Afrika geweest. Eerst wordt mensen die in de bak ‘gedoneerd’ hebben gevraagd wat ze denken dat er met de kleding gebeurt. Men hoopt op ‘een goede bestemming’, bij voorkeur bij ‘minder bedeelden’ en/of ‘in andere landen’. Er wordt gegeven ‘in goed vertrouwen’. Zelf voel ik me wel prettig als ik eindelijk een keer opgeruimd heb en een bak heb gevonden: goed doen dat niks kost. Maar dan klinkt (in de film) een autoritaire mannenstem: ‘Gedragen textiel is gewoon een afvalproduct, wettelijk; je doneert niet: je ontdoet je van afval.’ En hij kan het weten want hij is chef in een bedrijf dat gigantische hoeveelheden kleding per kilo van het Leger des Heils koopt, sorteert en doorverkoopt. Het Leger bekostigt van de opbrengst de eigen logistiek ‘en hoopt dan wat over te houden voor het goede doel’. Oké dan. Het bedrijf exporteert het draagbare deel inderdaad vooral naar Afrika, al komt een fractie hier in de kringloop terecht en is er in de Jordaan een vintagewinkeltje waar een gisse jongedame uw liefdadig gegeven Armani en Burberry, door haar opgevist, verkoopt. Wat zegt een vrouwelijke sorteerder? ‘Ze denken dat ze geven uit hun hart aan mensen die het nodig hebben, maar nee. Terwijl veel mensen het wel nodig hebben.’

Dan samen met enorme balen naar Kenia waar een grote importeur/grossier doorverkoopt. ‘Een plek waar ze gratis kleren uitdelen heb ik nog nooit gezien’, lacht hij. We komen bij de kleine handelaren, vaak marktvrouwen, die ‘in goed vertrouwen’ balen kopen naar gewicht en moeten afwachten wat ze aantreffen. ‘De kwaliteit holt achteruit.’ We komen bij de sjouwers die de aankopen bezorgen in een winkeltje of bij een marktkraam (zeven tot acht dollar per dag voor loodzwaar werk). We zien hoe soms inferieure kwaliteit in waarde stijgt door er een merkstempel op te zetten (Nike, Polo). Maar we zien juist ook een naaiatelier dat aan producten ‘cultuur toevoegt’ naar ‘African taste’. Decoratie, meer kleuren. Ze worden daardoor stukken duurder, maar vinden veel aftrek en zien er inderdaad vaak indrukwekkend uit. Bij voorkeur wordt daar eigen textiel gebruikt, omdat deze hele westerse ‘liefdadigheids’-import veel mensen werk verschaft maar ook de eigen maakindustrie ontwricht. Het is boeiende research-televisie. En ook hier krijgen we weer visuele hoogstandjes voorgezet. In de vorm van levende standbeelden, gekleed en behangen met curieuze textielcombinaties. Bizar en soms bloedmooi. Slotteksten in beeld: tussen 2000 en 2015 verdubbelde het aantal wereldwijd geproduceerde kledingstukken naar meer dan honderd miljard per jaar. En: in Nederland wordt jaarlijks 238 miljoen kilo textiel weggegooid. En dan denk je toch weer even aan klimaatverandering.


Teledoc Campus vanaf zondag 15 september, NPO 3, 23.30 uur.
Laura Stek, Gioia, NTR
Bibi Fadlalla, Father Figure, NTR, 22 september
Teddy Cherim, Goodwill Dumping, BNN, 29 september