Filmliga

Het boek Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandsche Filmliga (1927-1933), geschreven door Céline Lins-sen, Tom Gunning en mijzelf, moet wel een heel heftig document zijn, wanneer je Max Arians bespreking ervan in De Groene van 1 september mag geloven. Vooral ik moet het ontgelden. Het lijkt, zegt Arian, ‘alsof Schoots bloed heeft geproefd en door wil gaan met het tot de grond toe afbreken van gerespecteerde reputaties’. Ik zou vooral de schrijver Menno ter Braak, de voornaamste theoreticus van de Filmliga, postuum willen beschadigen. Verder zou ik in allerlei richtingen ‘vegen uit de pan’ uitdelen. Wij auteurs geven ook niet gewoon een visie, maar doen dit ‘luidkeels’. Aangezien Céline Linssen zich in prettiger oorden bevindt en Max Arian geen aandacht schenkt aan Tom Gunning, zal ik verder maar voor mijzelf spreken.

Om de discussie in het juiste perspectief te stellen lijkt het mij goed de lezer te laten weten dat in de twee pagina’s van Max Arian meer opgewonden terminologie voorkomt dan in de vierenzestig pagina’s die ik in mijn bloeddorstigheid aan Het gaat om de film! heb bijgedragen. Menno ter Braak kon er trouwens ook wat van. Hij smaalde in 1932, na een van zijn laatste bezoeken aan een filmvoorstelling bij de Liga: ‘Zoodra ze doordrongen zijn van een kunstwaarde, vervelen ze zich niet meer, maar spannen zich nauwgezet in, om het fijne eraf te roomen. En alleen het voorrecht al, om met gelijkgezinden in één vrijmetselaarsbijeenkomst verzameld van esotherische geheimen te smullen, schijnt de verveling uit het lokaal te verdrijven.’ Zoveel verachting zou ik niet voor mijn rekening nemen, maar duidelijk is dat ik mij met mijn bedenkingen tegen de Liga in het goede gezelschap van Ter Braak zelf bevindt. Voor hem waren de activiteiten in die organisatie achteraf slechts een jeugdzonde.
De beste manier om respect voor iemand als Ter Braak te tonen lijkt mij het serieus nemen van zijn opvattingen. Over die opvattingen ben ik inderdaad uiterst kritisch, maar mét argumenten en zonder het geschreeuw dat de bespreking in De Groene suggereert. Volgens Max Arian geven wij in ons boek Ter Braak en anderen 'de schuld’ van de jarenlange stagnatie in de Nederlandse film en van alles en nog wat; wij strooien 'verwijten’ in het rond. Zelfs gebeurtenissen uit de jaren zestig zouden we de dode Ter Braak aanrekenen. Mij lijkt dat wij gewoon hebben geprobeerd historisch onderzoek te doen en ideeën te analyseren, niet schuldvragen te beantwoorden. Maar de recensent verstrekt zijn lezers hier ook bepaald onjuiste feitelijke informatie. In ons boek is immers te lezen hoe de drie voornaamste leiders van de Filmliga, Ter Braak, Henrik Scholte en L.J. Jordaan, rond 1932 alledrie afstand namen van hun eerdere inzichten over film. Ter Braak keerde zich in zijn boek Démasqué der schoonheid tegen het estheticisme en de vormgerichtheid waarmee hij eerder zijn onmiskenbare stempel op de Liga had gedrukt. Wat film betreft liet hij het daar verder bij. Scholte en Jordaan bleven na 1932 actief op filmgebied. De inzichten over cinema die ze toen verwoordden, staan dicht bij de ideeën die ik in mijn stuk verdedig. Hoe zouden wij de Liga-leiders 'de schuld’ kunnen geven van wat anderen na hen deden?
Nee, het merkwaardige is juist dat latere volgelingen de koersverandering van hun voorbeelden negeerden, tot in de jaren zeventig en tachtig toe. Max Arian denkt zelfs nu nog dat kritiek op Ter Braaks filmideeën uit 1927-32 gelijk staat aan een aanval op de hele Ter Braak. In feite licht hij zo opnieuw één korte periode uit de ontwikkeling van Ter Braak en zijn compagnons. Is dat nou respect? En hoe zouden we Jordaan 'de schuld’ kunnen geven, terwijl hij nota bene zelf in 1949 in een Vrij Nederland-artikel over de hopeloosheid van de Nederlandse film overwoog: 'Misschien is de Nederlandse film - sit venia verbo - erfelijk belast, in zoverre als zij, in Filmliga-kringen geboren, nog steeds te veel door de normen van dit milieu wordt beheerst.’ Soortgelijke conclusies werden aan het einde van de jaren vijftig en in de jaren zestig getrokken door Jan Blokker, Pim de la Parra en anderen. Er is dus door de tijd heen steeds een lijn van verzet geweest tegen de remmende rol van vooral de Liga-denkbeelden op de Nederlandse filmcultuur. Zo was veel filmkritiek in de jaren dertig gekleurd door Liga-ideeën als: een verhaal en acteurs vormen een bedreiging voor de zuiverheid van de film. Getalenteerde filmmakers die hun leerschool rond de Filmliga hadden doorlopen, bekwaamden zich in de 'zuiverder’ documentaire. Intussen ging het grote publiek naar buitenlandse films, of naar Nederlandse, maar die waren vaak gemaakt door Duitse emigranten. Bij dit alles was de Liga zelf ook weer product van algemenere maatschappelijke tendenzen, zoals de anti-moderne houding van de culturele elite in de jaren twintig, die de publieksfilm zag als een bewijs voor het oprukken der horden. Ook de calvinistische argwaan tegen de 'lichtzinnigheid’ die het nieuwe medium met zich bracht, kan een voedingsbodem voor de strengheid van de Liga en haar navolgers zijn geweest.
Wat mij uiteindelijk nog het meest heeft getroffen in Max Arians bespreking is het zinnetje: 'In (Schoots’) artikel krijgen dit keer zelfs de kunstenaars uit de Renaissance en de eeuwen daarna alvast een veeg uit de pan.’ Wil hij soms mijn reputatie afbreken? De onwetende lezer moet uit zo'n verzinsel tenslotte wel het beeld krijgen van een gek met een waas voor z'n ogen. Wie de moeite neemt de pagina’s 165-169 in ons boek na te lezen, waarop deze woorden moeten slaan, zal zien dat daar niet één onvertogen woord over enige kunstenaar uit vroeger eeuwen valt. Ik probeer erin te laten zien dat de romantische visie op het kunstenaarschap historisch bepaald is en dat de positie van de kunstenaar in vroeger tijden vaak een heel andere was. Wat iedereen weet die de kunsthistorische literatuur een beetje volgt. In de jaren twintig zag Ter Braak de kunstenaar als een eenzaam genie, levend buiten de gewone wereld, opgaand in hogere esthetische sferen. In de jaren dertig zag hij het heel anders.) In de filmdiscussie is dit een belangrijke kwestie. Dit romantische beeld is immers moeilijk te rijmen met de collectieve of industriële productie, de grote investeringen en de min of meer massale distributie, die zelfs een bescheiden film vraagt? De Ter Braak van 1927-32 liet zich door deze tegenspraak niet inspireren tot vernieuwende inzichten, hij vond omgekeerd dat het medium zich maar moest richten naar zijn op dit punt ook toen al achterhaalde ideeën.