Filmmuseum zoekt het grote geld

Amsterdam heeft cultuur genoeg; Rotterdam moet het kopen. Daarom was er niets op tegen toen Rotterdam in 1994 het nieuwe Nederlandse Fotografie Instituut zou krijgen. Rotterdam bood een mooi pand, en kocht als directeur uit Amsterdam Adriaan Monshouwer op, van het Canon Image Centre, de succesvolle maar helaas nu opgeheven fotogalerie uit de Leidsestraat. Waarom ook niet? Fotografen wonen er genoeg in Amsterdam, fotografietentoonstellingen zijn er ook nog steeds, in de Nieuwe Kerk en het Stedelijk Museum. Waarom zou Rotterdam niet ook een fotografisch centrum mogen hebben? Temeer daar Amsterdam, min of meer in ruil, een Vormgevingsinstituut kreeg in het voormalige Museum Fodor.

Er kleefde een nadeel aan die Rotterdamse vestiging van het instituut: er kwam hoegenaamd geen publiek naar toe. In de laagdrempelige Canon-galerie kwamen zo'n 30.000 tot 60.000 bezoekers per jaar. In het Rotterdamse, veel breder opgezette Foto-instituut kwam maar een fractie daarvan (hoe weinig werd niet medegedeeld).
Monshouwer vertrok teleurgesteld na twee jaar, na een conflict met het bestuur en hij schreef voor Amsterdam een gloedvol plan voor een ‘internationaal en spraakmakend fotografiecentrum’, het Photo Plaza. Vijftig Amsterdamse fotografen hebben dit idee onlangs in een brief aan de gemeente Amsterdam hartelijk ondersteund. Twee jaar geleden was in wanhoop zelfs het voorstel gedaan het Rotterdamse Foto-instituut te ruilen met het Amsterdamse Vormgevingsinstituut, dat geen exposities organiseert en geen groot publiek wil trekken. Maar bij het Vormgevingsinstituut moesten ze daar niet aan denken. Volgens de adjunct-directeur zijn ook voor besloten conferenties deelnemers gemakkelijker naar Amsterdam dan naar Rotterdam te trekken.
Vorige week werd een nieuw plan onthuld. Het Rotterdamse Fotografie-instituut wil fuseren met het Nederlands Filmmuseum uit Amsterdam en nog enkele instituten, om gezamenlijk een schitterend pand, het voormalig pakhuis Las Palmas op de Kop van Zuid in Rotterdam, te betrekken.
Het Filmmuseum heeft er wel oren naar. Het heeft in Amsterdam na veel geharrewar een aantrekkelijk en centraal gelegen pand gekregen, het Vondelparkpaviljoen, maar dat is te klein en het museum is feitelijk verspreid over verschillende locaties. Bovendien heeft directrice Hoos Blotkamp een curieuze klacht: het in haar gebouw gevestigde café Vertigo is in Amsterdam bekender dan haar hele Filmmuseum.
Wat hoopt het Filmmuseum te winnen bij een verhuizing naar Rotterdam? Een hoop geld. Het nieuwe combinatiemuseum aast op het legaat van 22 miljoen gulden dat amateurfotograaf en fotoliefhebber Heinz Walter Wertheim aan het Prins Bernhardfonds heeft nagelaten voor de oprichting van een fotografiemuseum. Met veel abstract geredeneer zou dat misschien ook ten goede kunnen komen aan een museum waarin naast fotografie ook de nieuwe media en film een plaats krijgen. Er is immers een overlappingsgebied van film, video, fotografie en computerkunst.
Het publiek doet er niet meer toe. In de toekomst zullen alle beelden immers voor iedereen per Internet bereikbaar zijn. Het idee dat fotografen, filmers en andere kunstenaars de behoefte zouden hebben elkaar te ontmoeten, is volstrekt verdwenen. Het doet er ook niet toe dat het publiek voor minder spectaculaire fototentoonstellingen dan World Press Photo voor een groot deel uit (aankomende) fotografen en studenten fotografie zal bestaan en voor wat uitheemsere filmvoorstellingen dan Titanic vooral uit filmmakers, filmacademie- en filmkundestudenten en dat die nu eenmaal meer in Amsterdam zijn te vinden.
Het grote geld en een prachtig paleis in Rotterdam lokken. Of er iemand gebruik zal maken van al dat fraais doet er niet toe. En zo dreigt het legaat van meneer Wertheim het idee van een fotografiemuseum eerder om zeep brengen dan te stimuleren en tegelijk nog eventjes het Filmmuseum mee te slepen in de ondergang.