Filmwarmte

Noem het een ‘freudian slip’. Op de voorpagina van de Dagkrant (nr. 1, donderdag 27 november 1997) van het Idfa (International Documentary Filmfestival Amsterdam) stond in vette letters te lezen: ‘Nu kopt NRC Handelsblad: “Een klein festival in het bos groeide uit tot het allergrootste festival in de wereld”.’ Toen ik met deze krant in mijn hand tegen de Idfa-directrice zei dat ze dat in Cannes wel niet zo leuk zouden vinden, ontging haar de ironie.

Ze zei dat het echt in de NRC stond. Alsof het daarmee minder grotesk zou zijn. Bedoeld werd natuurlijk dat het Idfa zich aanmeet het grootste documentairefestival ter wereld te zijn (en zo stond het ook in de NRC). De Volkskrant zei iets voorzichtiger: ‘Het Idfa is nu “waarschijnlijk” het grootste documentairefestival ter wereld, aldus directrice Ally Derks.’
Vanwaar deze grootheidswaan? Denkt men bij het Idfa nu echt dat de internationale reputaties van Leipzig, Marseille, Parijs en Florence zijn verbleekt en iedereen zich richt op Amsterdam? En dan nog. Als je je met een festival als het Idfa al de allergrootste kunt noemen, wat stelt dat dan voor? Het gaat bij de documentaire toch niet om glamour, imponeren of schittering? Hoogmoed en bombast horen bij de speelfilm. Laat een festival voor de documentaire zich spiegelen aan de kenmerken van de goede documentaire: originaliteit, integriteit en persoonlijkheid. Zodra het Idfa het meest eigenzinnige en oorspronkelijke documentairefestival ter wereld is, mag men zich op de borst slaan. Nu is bescheidenheid op zijn plaats. Bescheidenheid die de mooiste documentaires siert, zoals de nieuwe film The Underground Orchestra (Het ondergronds orkest) van Heddy Honigmann.
Honigmann toont in haar film de metropool Parijs als een muzikale melting pot. Ze volgt straatmuzikanten in de metro. Niet zelden zijn de muzikanten illegaal in het Westen en dat verklaart de rest van de betekenis van het 'ondergronds’. Er valt een veelheid aan exotische muziek te beluisteren uit landen als Vietnam, Venezuela, Bosnië en Algerije. Honigmann kreeg geen toestemming om in de metro te filmen. In de ondergrondse van Parijs heerste op het moment van filmen grote nervositeit vanwege een reeks fundamentalistisch geïnspireerde helse aanslagen. Honigmann moest zich daarom net zo illegaal en stiekem gedragen als haar onderwerp, wat enkele charmante momenten in de film opleverde. De filmmaakster voelt duidelijk een grote en warme verwantschap met de mensen die zij in de film portretteert. Ze concentreerde zich op 'nette’, 'goede’ en 'begaafde’ vluchtelingen. Politieke asielzoekers die muziekspelen op conservatoriumniveau. Het geeft de film een gevoeligheid die soms niet vrij is van een vleug sentiment. Aan de onderkant van een harde, zakelijke en onverschillige samenleving vindt zij arme edele mensen die zich moeizaam, maar blijmoedig in leven houden met het maken van wonderschone muziek. Ze portretteert haar edele muzikanten met het grootste respect. Ze volgt ze vanuit de ondergrondse naar hun kleine woningen en geeft ze alle gelegenheid om hun droeve levensverhaal te vertellen. In haar film geen Georgische drugshandelaren of verslaafde Australiërs die bij een valse gitaar 'Blowin’ in the wind’ kwelen. Eerder maakte ze al even sympathieke portretten van de nobele taxichauffeurs van Lima in Metaal & Melancholie. In de slotscènes van The Underground Orchestra volgt ze de Afrikaanse vuilnisophalers in de straten van een vroeg-ochtendlijk Parijs. Als een voorbode voor een film over rechtschapen schoonmakers. Ja, dit is ironisch, maar de ironie is als licht bedoeld. Die mogelijke film over de mens achter de vuilnisophaler zou ik best willen zien, mits hij is gemaakt door een filmmaker met de warmte, kundigheid en bescheidenheid van Heddy Honigmann. Het Idfa zou veel van haar eigen cineasten kunnen leren als ze dat zouden willen. Als ze naar hun eigen betere films zouden kijken zoals Honigmann naar goede straatmuzikanten kijkt. Met gepaste bewondering.