Filosofen in het graf

Maarten Doorman, Denkers in de grond. Een homerun langs 40 graven. € 15,00

Op het eerste oog wekt het omslag van Maarten Doormans Denkers in de grond: Een homerun langs 40 graven bevreemding. Centraal staat een stralende bruid in het lichtblauw (want ze is duidelijk zwanger), omringd door bruiloftsgasten en voor zich op een tafeltje champagne, wodka en water.
Na lang kijken ontdek je boven de bruid op de achtergrond het opschrift Imma… Kant. Maar dan nog: Kant en huwelijksgeluk, wodka? In het stukje over het graf van de grote verlichter wordt het raadsel opgelost. Het gaat hier om een traditie. In Kaliningrad gooien kersverse bruiden hun bruidsboeketten op het graf van deze verstokte vrijgezel en allesbehalve frivole filosoof.
Waarom? Een omstander geeft uitleg: ‘Kant is de enige band met de geschiedenis van deze stad. We zijn trots op hem en hij geeft ons hoop.’
Het blijkt maar weer: de stoffelijke resten van de filosofen hebben hun eigenaardige lotgevallen, net als de boeken die ze geschreven hebben.
Het meest bizarre lot is wel het stoffelijk overschot van de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) beschoren. Hij zit in een vitrinekast op een gang in het University College London, en hij zit daar al ruim anderhalve eeuw. Eerst met zijn eigen hoofd, maar dat viel eraf. Men zette het vervolgens tussen zijn voeten op de grond, maar toen studenten ermee gingen voetballen, vond men het verstandiger het hoofd in een kluis op te bergen.
Denkers in de grond staat vol met dat soort anekdotes, zij het meestal minder bizar. Nu eens zijn ze vermakelijk, dan weer veelzeggend, een enkele keer navrant. Zo merkt Doorman op dat op de grafsteen van Martin Heidegger en zijn vrouw Elfriede steentjes liggen, een bekend joods gebruik. 'Haast misplaatst’, schrijft Doorman. Een gotspe is in dit verband misschien een beter woord, want Heidegger stond aanvankelijk, zacht gezegd, niet afwijzend tegenover het nazi-bewind, en zijn vrouw was een rabiate antisemiet.
Doorman heeft een scherp oog voor details: het boekje van Mickey Spillane op het graf van Wittgenstein, dat in het sterfjaar van de filosoof verscheen; de 'enorme kwak vogelpoep’ op de grafsteen van Susan Sontag, 'die de onverwachte schoonheid van het banale illustreert’; de slak met zijn slijmspoor op de dekplaat van het graf van Lyotard, et cetera. Het is vervolgens de dichter in Doorman die aan zulke schijnbare toevalligheden betekenis weet te geven.
Behalve over een scherp observatievermogen beschikt Doorman ook over de gave van het woord. De verwoording van zijn aanschouwingen is vaak ronduit meesterlijk. Over Voltaire: ’(…) de marmeren filosoof houdt een ganzenveer in de rechterhand zoals een wereldkampioen darts op de Embassy een pijl vlak voor de worp. Zijn blik laat er geen misverstand over bestaan dat hij dadelijk doel zal treffen. Voltaire schreef altijd in de roos.’ Over Marcuse: 'Op 19 juli 2003 liet een beambte (…) de urn van de filosoof de grond in zakken met behulp van wat volgens een van de getuigen een doorzichtige dameskous moest zijn. Dat is wat er uiteindelijk van 1968 overblijft: as in een sok onder de grond.’ Dit soort observaties, maar vooral de puntige, altijd verrassende verwoording ervan maken de beste stukjes tot ware prozagedichten.
Heel anders van toon zijn de achtergrondverhalen (onder de titel Backstage), waarin Doorman verslag doet van wat hij en zijn compagnon, fotograaf en beeldend kunstenaar Fredie Beckmans, allemaal meemaken op hun reis langs de veertig graven. Het is de toon van het New Journalism, van schrijvers als Tom Wolfe, Truman Capote en Hunter S. Thompson. Het lijkt wel of beiden 'backstage’ moeten bekomen van de ernst van de sterfelijkheid waarmee ze aan de graven worden geconfronteerd. Dat uit zich in allerlei kwajongensstreken waaraan Doorman en Beckmans zich ongeremd overgeven: de eet- en drinkgelagen, het consequent overschrijden van de maximumsnelheid, het intimideren van een lifter, het stiekem leeggieten van een flesje olie in de aktetas van een douanebeambte. Doorman vertelt het in geuren en kleuren en lijkt al schrijvende nog na te genieten. Het wordt op een gegeven moment een beetje te veel van het goede, maar het zij hun vergeven, echt kwaad doen ze niemand. Jongens zijn het - maar aardige jongens, in de grond.
De foto’s in het boek stellen teleur. Sommige ervan zijn zo donker dat er nauwelijks iets op te onderscheiden valt. Dat zal zeker te maken hebben met het papier waarop ze zijn afgedrukt. Maar als de uitgever de naam van de fotograaf een even prominente plaats op het omslag geeft als die van de auteur, mag je verwachten dat hij alles in het werk stelt om de foto’s tot hun recht te laten komen. Zoals ze er nu staan had Doorman zijn vriend Fredie net zo goed thuis kunnen laten en zelf met zijn mobiel foto’s kunnen maken. Hij had dan wel veel minder lol gehad.

MAARTEN DOORMAN, FOTO’S FREDIE BECKMANS
DENKERS IN DE GROND: EEN HOMERUN LANGS 40 GRAVEN
Bert Bakker, 178 blz., € 15,-