Filosofen van het Antropoceen

Het Antropoceen is een tijdperk dat schreeuwt om een filosofisch diepteonderzoek naar onze verstoorde omgang met de aarde. Laat dat maar aan Bruno Latour en Timothy Morton over.

Small cropdg 18 09 c

Tesla-baas Elon Musk is vastberaden om binnen tien jaar een kolonie te stichten op Mars. Deels omdat hij een avontuurlijk ingestelde ondernemer is met te veel geld, deels omdat hij gelooft dat het de enige manier is om de mensheid voor uitsterven te behoeden. Milieuactivisten mogen dan scanderen dat er geen Planeet B bestaat, Musk is daar nog niet zo zeker van. Het enige wat we nodig hebben om ons te vestigen op de Rode Planeet, gelooft hij, is een beetje durf en innovatieve technologie. ‘Ik kan me niets opwindenders voorstellen dan de ruimte in trekken en tussen de sterren te zijn’, zei hij tijdens de presentatie van zijn SpaceX-initiatief.

Wie Oog in oog met Gaia van Bruno Latour leest, begrijpt hoe absurd de plannen van de Silicon Valley-magnaat zijn. Dit is geen gezonde bravoure, dit neigt naar waanzin. Op Mars bestaat de atmosfeer voor meer dan 95 procent uit koolstofdioxide, schommelt de temperatuur tussen de 20 en de min 140 graden Celsius, en zouden astronauten constant beschermd moeten worden tegen levensgevaarlijke kosmische straling. Terwijl op aarde alle parameters precíes goed staan afgesteld om leven tot bloei te laten komen. Het is oneindig veel makkelijker om onze huidige thuisbasis leefbaar te houden dan om zo’n onherbergzame planeet bewoonbaar te maken. Al is ook dat eerste geen eenvoudige opgave meer, weet Latour. Wat we meemaken is niet zomaar een ‘ecologische crisis’, maar een onomkeerbare ‘mutatie naar een andere wereld’ met een ‘Nieuw Klimaatregime’. We treden binnen in het ‘Antropoceen’, het nieuwe tijdvak dat schreeuwt om een herbezinning op onze verstoorde verhouding met de planeet.

Dat is precies wat Latour biedt in acht rijke lezingen. Voortbouwend op zijn wetenschapssociologische werk komt de Franse filosoof tot treffende inzichten over ecologie en politiek. Daarvoor roept hij de hulp in van de Britse wetenschapper James Lovelock en diens ‘Gaia-hypothese’. Een gewaagde keuze, want in academische kringen is Lovelocks reputatie bepaald niet onomstreden: als uitvinder hielp hij weliswaar het gat in de ozonlaag te ontdekken en was hij betrokken bij de maanmissie van Nasa, maar dat sommige collega’s hem toch afserveren als een zweverige bazelaar heeft alles te maken met zijn boeken over ‘Gaia’, waarin hij betoogt dat de aarde zich gedraagt als een zelfregulerend systeem – een soort superorganisme. ‘Pop-ecology literature’, oordeelde evolutiebioloog Richard Dawkins. Maar volgens Latour is Lovelock een miskende visionair die op gelijke voet staat met niemand minder dan Galileo Galilei.

Waar de Italiaan zijn telescoop naar het weidse heelal richtte, ontdekte dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van het universum is en dat de levenloze hemellichamen in ons sterrenstelsel geregeerd worden door dezelfde natuurwetten, zet Lovelock ons weer met beide benen op aarde. Hij beseft dat onze globe op geen enkele andere planeet lijkt. En anders dan zijn spottende critici doen vermoeden, krijgt Lovelocks theorie wel degelijk wetenschappelijke navolging. Earth system scientists doen serieus onderzoek naar het samenspel tussen alle verschillende aardse sferen. In plaats van alle onderzoeksvragen keurig op te delen in geïsoleerde wetenschapsdomeinen hebben zij juist oog voor de manier waarop alles met elkaar verbonden is.

Toch blijft het riskant om Gaia zo’n prominente plaats te geven. Het heeft onvermijdelijk een new age-achtige bijsmaak: het is zo’n term waar alternatieve helers en spirituele goeroes graag mee aan de haal gaan. Maar wie een beetje bekend is met het werk van Latour weet dat hij lak heeft aan de onzichtbare scheidslijnen tussen wetenschap, politiek, religie en mythologie. De kracht van de Gaia-hypothese is juist dat ze de boel opschudt en klassieke tegenstellingen tussen mens en dier, cultuur en natuur omverwerpt. Precies zoals Latour het graag ziet.

Al sinds begin jaren negentig bestrijdt hij de ‘moderne’ houding dat alles netjes opgedeeld moet worden in overzichtelijke categorieën en behapbare brokken. ‘De moderniteit is nooit begonnen’, schreef hij in zijn klassieker Nous n’avons jamais été modernes (pas vorig jaar bij Boom in Nederlandse vertaling verschenen). Eerder had hij in zijn boek Laboratory Life (1979) al laten zien dat wetenschappelijke conclusies nooit absoluut en onfeilbaar zijn, maar gevormd worden door allerlei factoren, waaronder politiek en geld. Het leverde hem een vaste plek op in elke cursus wetenschapsfilosofie.

Het is ook de reden dat Latour zich nog altijd moet verweren tegen de aanklacht dat hij medeplichtig is aan het tanende vertrouwen in de wetenschap en de opkomst van het post-truth-tijdperk. Want beweerde hij niet dat feiten sociale constructen zijn? En als wetenschappers geen neutrale beschrijving bieden van de werkelijkheid, hoe kunnen ze dan aan waarheidsvinding doen? Des te opvallender is het dat Latour zich in dit boek opwerpt als verdediger van de klimaatwetenschappen tegen de georkestreerde twijfelcampagne van ‘klimaatontkenners’. Al betekent dat allerminst dat hij van zijn eerdere standpunten is teruggekomen.

Is ons eigen lichaam niet samengesteld uit allerlei microben? Zijn wij zelf niet evengoed symbiotische wezens?

Als de klimaatwetenschap één ding duidelijk maakt, dan is het namelijk dat het strikte onderscheid tussen feitelijke en normatieve uitspraken onhoudbaar is. Iemand die concludeert dat het leven op aarde in gevaar komt door het roekeloze handelen van de mens suggereert immers automatisch dat het een goed idee zou zijn om ons gedrag te veranderen. Klimatologen zouden zich minder moeten verschuilen achter ‘objectiviteit’ en duidelijker stelling moeten durven nemen. Hun krampachtige weigering om zich te mengen in het morele debat speelt de twijfelzaaiers alleen maar in de kaart. Een view from nowhere bestaat niet: de natuur is geen passief studieobject, waarvan we tijdloze wetten kunnen doorgronden. Gaia is een ‘planetair levenssysteem’ waarin allerlei organismen onophoudelijk met elkaar interacteren en dat ‘terugslaat’ als de mens probeert het te domineren.

In de laatste lezing beschrijft Latour een bijeenkomst in het Parijse Théâtre des Amandiers, een half jaar voordat in diezelfde stad de klimaattop werd gehouden. Tweehonderd studenten kwamen samen voor een theatersimulatie van de klimaatonderhandelingen, waarbij het er net ietsje anders aan toe ging dan bij de officiële conferentie. Er waren delegaties namens de oceanen, vertegenwoordigers van inheemse volken en woordvoerders van bedreigde diersoorten. Het is illustratief voor het langzaam indalende besef dat de mens misschien niet langer de onbetwiste maat der dingen is. Er worden rechten toegekend aan chimpansees en serieuze verhandelingen geschreven over de politieke stem van dieren.

De Australische filosoof Timothy Morton gaat in zijn boek Humankind nog een stapje verder: volgens hem wordt het tijd dat we het hele concept van menszijn eens kritisch bevragen. Want is ons eigen lichaam niet samengesteld uit allerlei microben? Zijn wij zelf niet evengoed symbiotische wezens?

Net als Latour wil Morton afrekenen met het idee dat onze soort het middelpunt van de wereld is. De grootste catastrofe in de geschiedenis is iets wat hij met doelbewuste dramatiek omschrijft als de ‘Severing’: een traumatische ‘splijting’ waarbij de mens zich vervreemdde van de levende wereld om hem heen. Het is geen aanwijsbaar moment in de geschiedenis, maar een ‘golf’ die begon in het Neolithicum en waarvan de rimpelingen nog altijd voelbaar zijn. Plato deed een duit in het zakje door het lichaam van de geest te scheiden, René Descartes beweerde dat dieren zielloze machines zijn en volgens de hedendaagse ecomodernisten is een verdere onderwerping van de natuur de enige weg voorwaarts. In de ogen van Morton zijn het allemaal onvolmaakte pogingen om de ware essentie te ontkennen: mens, dier en ding zijn onlosmakelijk met elkaar verweven.

In Humankind wil hij solidariteit kweken met ‘nonhuman people’. Opvallend genoeg haalt hij daarvoor Karl Marx van stal, een filosoof die wellicht veel interessants te melden heeft over solidariteit, maar toch een behoorlijk antropocentrische blik heeft. Niet dat Morton dit ontkent, alleen beschouwt hij dit eerder als een overkomelijk gebrek dan als een wezenskenmerk van het marxisme. Sterker nog: ‘Marx anticipeerde alles wat we nu kunnen zeggen over ecologie’, het komt er alleen op aan zijn gedachtegoed uit te breiden tot de sfeer van het niet-menselijke.

Wat volgt is een pleidooi voor een ecologisch bewustzijn, waarbij we tegelijkertijd beseffen dat homo sapiens druk de planeet naar zijn hand zet én dat we de controle zijn verloren. Of liever: dat het een illusie is dat we die controle ooit hadden. Dat alles doet hij in een proza dat even stimulerend als bevreemdend is, met passages over dansende tafels en vol verwijzingen naar popcultuur. Morton is een onstuimige denker die er niet voor terugdeinst om te provoceren (‘This book is very probably going to freak you out’, waarschuwt hij in de inleiding). Bij vlagen doen zijn analyses wel erg avant-gardistisch aan, alsof hij er vooral plezier in schept om zijn intellectuele lenigheid te etaleren. Maar laat zijn teksten even bezinken en je merkt dat het niet zomaar ijdele hersengymnastiek is. Om zijn punt te maken moet hij een nieuwe ontologie opbouwen en oude zekerheden overboord gooien. Dat vergt radicaal denken.

In een uitgebreid profiel bestempelde The Guardian Morton afgelopen zomer als de ‘prophet philosopher of the Anthropocene’. Het is een titel waarop ook Latour aanspraak kan maken. Met slimme vondsten, prikkelende associaties en een nieuw begrippenkader overstijgen beide denkers de sleetse terminologie die het klimaatdebat zo vaak kenmerkt. Niets geen obligate opsommingen van CO2-concentraties, stijgende zeespiegels of smeltende ijskappen. Het gaat over een ‘Kosmokolos’ en ‘terrestrialisering‘ (Latour) of ‘ecocommunisme’ en ‘hyperobjecten’ (Morton).

Dat is misschien nog wel de grootste verdienste van deze boeken: ze geven de ecologische discussie een broodnodige impuls. Want hoewel Latour stelt dat we het best alle hoop kunnen laten varen, zijn het juist dit soort sprankelende beschouwingen die hoopvol stemmen dat de mens genoeg hersens heeft om in te zien dat we geen Planeet B nodig hebben.