Bernard-Henri Lévy, De eeuw van Sartre

Filosoferen als een ronkende machine

Filosoferen met het grote gebaar, opgejaagd door de hete adem van de actualiteit, blijft in Nederland een zeldzaamheid. Misschien omdat spannende, oorspronkelijke en gepassioneerde filosofie weinig te maken blijkt te hebben met helder en begrijpelijk schrijven.

Filosoof, zo mocht Sartre graag memoreren, was hij alleen maar geworden om zich te verzekeren van de aandacht van mooie vrouwen. Erg geloofwaardig klinkt het niet, gezien de maniakale gedrevenheid van zijn denken en schrijven. Maar dieptepsychologische drijf veren hadden niet bepaald Sartres interesse: leven, dat is vrijheid, dat is kiezen hóe je wilt leven. Aldus koos Sartre zijn filosofische roem.

Geen slechte keuze voor het kleine, loensende mannetje dat al vroeg besefte dat hij inzake de liefde niet kon vertrouwen op zijn fysieke voorkomen. Hij zou andere wapens in de strijd moeten gooien, waarbij een wijsgerige titel, zeker in het filosofie minnende Frankrijk, een aardig startpunt leek.

Filosofie ter vergroting van het persoonlijke sex-appeal: Sartre was er de belichaming van, gretig en openlijk, en vooral, zoals alles in zijn leven, filosofisch verantwoord. In onvervalst existentialistisch jargon werden de verhoudingen binnen zijn liefdesleven afgebakend: Simone de Beauvoir en hij waren elkaars noodzakelijke liefde, en de rest, de ontelbare anderen, dat waren contingente liefdes.

Daarmee was — althans naar de letter van hun excentrieke liefdescontract — De Beauvoirs positie onaantastbaar. Want contingent, dat is bij Sartre zo ongeveer alles wat we zomaar in de wereld aantreffen, inwisselbaar en toevallig. Van appels die domweg groeien aan de boom, voortgestuwd door de blinde krachten van de natuur, tot de historische situatie waarin we toevallig het levenslicht zien. En zoals hij, existentialist tot in zijn gastronomische voorkeuren, conservenvoedsel prefereerde boven een zongerijpte vrucht, zo was zijn «noodzakelijke liefde» als enige onvervangbaar.

Sartre, dat is de ultieme verstrengeling van leven en denken tot in de intiemste details. Zijn leven ís filosofie, en filosofie is de pulserende slagader van zijn leven. Hierin schuilt de magie van het fenomeen Sartre, dat heeft Bernard-Henri Lévy, auteur van het zojuist vertaalde De eeuw van Sartre, goed gezien. En het ligt niet in Lévy’s aard om zijn enthousiasme onder stoelen of banken te steken: «Dat is één van de dingen die ik zo aan Sartre bewonder: zijn appetijt om te leven, zijn dorst om de wereld te begrijpen en te beheersen.»

Horen we hier de echo der herkenning? Lévy reist net als Sartre de wereld rond als politiek geëngageerd intellectueel. Ook hij publiceert up-tempo romans, essays en filosofische beschouwingen. Ook hij is een mediafenomeen van formaat, in eigen land kortweg aangeduid met zijn initialen, BHL.

Sinds het verschijnen van zijn lijvige boek over Sartre worden ze vaak in één adem genoemd: de lelijkste en de mooiste filosoof van Frankrijk. Ze delen een hang naar controversiële politieke standpunten en de souplesse om deze in de loop van hun leven overboord te gooien (Lévy ontdeed zich van een mao istisch verleden, Sartre verruilde zijn filosofisch individualisme voor het communisme). Ze delen een passie voor het publieke debat en het talent om daarin altijd in het volle licht van de schijnwerpers te staan.

Ze delen ook die andere passie, voor vrouwen. Over dit onderwerp babbelde Lévy, samen met de schrijfster Françoise Giroud, in 1993 een onderhoudend boekje vol, Mannen en vrouwen. Daarin blijkt hij inzake de liefde overigens ver verwijderd van het sartriaanse contract: «Ik wantrouw alle overeenkomsten tussen minnaars… Ik kan het niet duidelijker zeggen: ik verafschuw alleen al het idee van een overeenkomst of een afspraak tussen minnaars.»

Inderdaad, Lévy is een geestverwant van Sartre, in hartstochtelijk beleden politiek engagement, maar vooral in de gretigheid waarmee beiden filosofie bedrijven: voort gedreven door onuitputtelijke nieuwsgierigheid en de gierende ambitie om in de onoverzichtelijke chaos die de wereld is een eigen visie te laten klinken. Dit is precies dat spannende filosoferen dat door Nederlandse filosofen, altijd enigszins bezorgd om het stoffige bedrukte imago van hun vakgebied, met bijzondere belangstelling wordt gade geslagen.

Dit is filosoferen met het grote gebaar, waarvan ook de nadelen niet klein zijn, die vervolgens door critici graag en breed worden uitgemeten. Neem bijvoorbeeld Sartres beruchte stijl. Inderdaad, Sartre lezen is geen onverdeeld genoegen. De man schreef in razend tempo tientallen pagina’s per dag, had geen geduld om zijn woorden terug te lezen en was niet geïnteresseerd in redactionele verfraaiing. Vóórt moest hij, de blik onveranderlijk gericht op de toekomst, op de woorden van morgen. Niets interesseerde hem minder dan zijn doen en laten in de verleden tijd, en eenmaal neergeschreven tekst was al bijna gestold verleden.

Deze onverschilligheid leidde, zeker in zijn filosofisch werk, tot het roemruchte sartriaanse proza, schijnbaar achteloos neer gesmeten in alinea’s die regelmatig uitdijen tot volledig dichtgeschreven pagina’s — door vakgenoten bovendien steevast bekritiseerd om het onzorgvuldige jargon en de slordige citaten.

Ook Lévy’s teksten lijden aan een voort razende overdaad die het handelsmerk lijkt van Franse filosofen. Maar anders dan Sartre schrijft hij een hypergestileerd proza (hysterisch, volgens sommigen) dat bijkans bezwijkt onder literair effectbejag en menig recensent een doorn in het oog is. En dan is er nog steevast de kritiek op Lévy’s slordige filosoferen en soms ongeoorloofde vermenging van de verschillende genres, die rond zijn boek Wie vermoordde Daniel Pearl heftige commotie veroorzaakte: in de mengeling van journalistiek, bevlogen essayistiek en fictie werd ten onrechte gesuggereerd dat een beeld werd gegeven van de gebeurtenissen en achtergrond.

Het moge duidelijk zijn: filosoferen met het grote gebaar, opgejaagd door de hete adem van de actualiteit, draagt het risico van forse missers in zich.

Maar het kan ook goed uitpakken, zoals in Sartres beroemde essay over het antisemitisme (Réflexions sur la question juive), geschreven in 1944 en naar eigen zeggen gebaseerd op geen andere kennis dan het antisemitisme dat hij wilde bestrijden; nog steeds wordt het aangehaald in actuele beschouwingen over de joodse identiteit of antisemitisme.

Dat levende filosoferen van Sartre neemt voor Lévy in De eeuw van Sartre bijna dierlijke vormen aan. De auteur is de eerste om toe te geven dat je kunt gruwen van «dat vette, borstelige schrijven, vol woekerende uitwijdingen en zijsporen, van die overdaad die monsterlijke vormen aanneemt». Sartre verschijnt bij Lévy als een voortrazend schrijfmonster dat naar eigen zeggen zelden nadenkt voordat hij gaat schrijven: «Ik begin gewoon te schrijven. Inspiratie zit in het puntje van je pen.» Sartre is als een ronkende motor die stapels literatuur moet maken, een schrijvende machine.

Een oorlogsmachine bovendien, die het heeft gemunt op de gestolde ideeën die als stenen in de hersenen de stofwisseling van het denken blokkeren — en Sartre die zijn denken inzet als vergruizer van de versteende ideeën. Daarbij is hij, net als iedere schrijver, voortdurend in oorlog met de taal: «Taal zit nooit op iemand te wachten. Taal is compleet georganiseerd om de schrijver hindernissen te bereiden.»

Sartre filosofeert als een krijger op oorlogspad, en kan daarbij niet zachtzinnig met zijn bronnen omgaan. Hij leest «schuin, grazend en plunderend», op zoek naar de citaten die hij kan gebruiken. «En pech gehad als het citaat niet helemaal klopt. Pech gehad als de heiliger dan heilige ‹beweging› van de geciteerde gedachte gemist wordt. Pech gehad als die gedachte uit zijn historische context wordt gelicht. Je neemt van andermans denken, dood of levend, de stof voor je eigen gedachten.» Dit is filosoferen volgens «de wet van het voortgaande denken».

Sartres manier van filosoferen mag onconventioneel zijn, Lévy’s «filosofische zoektocht» naar zijn onderwerp is dat niet minder. Met een groot gebaar omarmt hij zijn onderwerp en kruipt in de huid van dit voortwoekerende denken. Hij bewondert zonder te verheerlijken, en laat daarbij filosofische analyse, psychologische intuïtie en gewaagde interpretaties ongegeneerd in elkaar overlopen. Het leidt tot een scherpzinnige interpretatie van Sartres uit de mode geraakte existentie filosofie, maar ook tot speculaties over het joodse denken waartoe Sartre zich in zijn levensavond, ziek en blind en grotendeels afhankelijk van zijn (joodse) secretaris Benny Lévy zou hebben bekeerd.

De man is sinds 1980 dood en begraven, zijn existentialisme wás al dood verklaard, zijn politieke missers waren breed uitgemeten. De constructie van zijn filosofisch verantwoorde liefdesleven ten slotte liep averij op door postuum uitgegeven egodocumenten. Kortom, Sartre had afgedaan. Bij Lévy springt hij opeens over de pagina’s, alive and kicking, als nietzscheaan, als communist, als filosofische jood.

Met deze onorthodoxe aanpak maakt een mens in de filosofische wereld weinig vrienden. Interpretaties die naar speculatie neigen, literaire stijlmiddelen en effect bejag staan op gespannen voet met de gulden regels van academische zorgvuldigheid, driedubbel gecheckte citaten en van hogerhand goedgekeurde onderzoeksprogramma’s.

Het spanningsveld tussen academische strengheid en de hang naar het vrije denken is een weerkerend thema in de filosofie. Filosofie kan niet zonder academische strengheid: zonder intensieve bestudering van de grote werken en zonder grondige doordenking van de «grote thema’s» heb je als filosoof geen idee waar je het over hebt. Maar aan de andere kant: iedere gedachte die werkelijk vernieuwend is, of die al te sterk is getekend door de persoonlijke preoccupaties van de denker, wordt al gauw verstikt in het nauwe korset van academische conventies. Menig filosofisch meesterwerk is buiten de academische wereld ontstaan: Schopenhauer, Nietzsche en, vooruit, die ronkende motor Sartre — ze zouden binnen de wetenschappelijke kaders niet geschreven hebben kunnen worden.

Vanaf de late jaren tachtig wordt binnen de Nederlandse filosofie stevig ingezet op het «vrije denken» dat buiten de faculteiten tot bloei zou moeten komen, ingegeven door de wens de filosofie te revitaliseren en tegelijkertijd een eigen arbeidsmarkt te creëren.

Naar Frans model moest Nederlandse filosofie zich bevrijden uit de ivoren toren van de universiteit, waar het echte filosoferen was teruggebracht tot risicoloze onderzoeks programma’s waaruit zowel de creativiteit als het persoonlijk profiel van de onderzoeker was weggepoetst. Filosofie, zo was een veel gehoorde klacht, dreigde in het korset van de strenge, academische discipline af te sterven van haar oorspronkelijke passie. De toekomst van de filosofie, zo schreef Ger Groot in 1995, ligt niet in de academische werkkamer, maar in haar publieke rol: «Na gedwongen te zijn geweest tot een uitgebleekte wetenschappelijke taal moet de filosoof opnieuw een essayistiek leren beoefenen waarvan het lezen en schrijven een genot is, en waarin de passie klinkt die de filosofie per slot van rekening zegt te zijn.»

Dat is duidelijke taal: passie en de persoonlijke vorm van het essay tegenover het uitgebleekte wetenschappelijk onderzoek. Filosofen moesten weer leren begrijpelijk en met een eigen geluid te spreken en ondertussen vrolijk blijven reiken naar het natuurlijke object van hun verlangen: wijsheid en inzichten die per definitie onbereikbaar zijn.

Mochten filosofen van Groot nog achter hun schrijftafel blijven zitten, vanwaar zij met hun prikkelende betogen de filosofische vonk op de lezer lieten overspringen, van de «praktisch filosofen» moesten ze toch echt de straat op: pas in een gesprek van mens tot mens, in de spreekkamer van de filosofisch consulent die met zijn cliënt in gesprek treedt over diens levensvragen, komen de studeerkamerwijs heden tot leven. De faculteiten der wijs begeerte zouden nog slechts de traditie conserveren. In de filosofische praktijken daarentegen was het denken springlevend: daar werd nog gerede twist.

Er was werk aan de winkel, en dat werd voortvarend aangepakt. Een filosofisch klimaat trek je niet zomaar uit de Hollandse kleigrond. In een land waar een diepgeworteld wantrouwen bestaat tegen al wat niet direct nuttig is, was filosoferen buiten de universiteit vooral pionieren.

En het bleef niet zonder resultaat. Filosofie wordt inmiddels op grote schaal uitgelegd, nuttig gemaakt en «op de markt gebracht»: Filosofie Magazine heeft een oplage van tegen de twintigduizend, de boekhandel ligt vol met Nederlandstalige filosofie, kranten besteden hieraan uitvoerig aandacht, filosofisch cafés floreren. Het vak wordt op steeds meer scholen onderwezen, filosofisch consulenten openden hun deuren en organisaties doen hun voordeel met de inzichten van ethici en andere filosofisch deskundigen. Het brede gebied van zingeving en «levenskunst», ooit werk terrein van paters en dominees en later overgenomen door psychotherapeuten, is inmiddels succesvol geannexeerd door filosofen. Filosofie als troost, bestaansverheldering of verlichting in zware tijden — zie, filosofie is zo nutteloos nog niet.

Inderdaad, de onheilszwangere teksten van Schopenhauer of Cioran blijken een beproefd medicijn voor notoire somberaars die, geconfronteerd met doemdenken in het groot, de eigen melancholie zien oplossen in een oceaan van Lijden en Zinloosheid — en zodoende kortstondig worden verlost van de loden last van zichzelf.

Aan filosofische bedrijvigheid ontbreekt het dus niet meer. Maar is daarmee ook het gewenste sprankelende filosofisch klimaat ontstaan dat alleen buiten de academische kaders, midden in het leven, zou kunnen gedijen? Is de filosofie er spannender op geworden?

Vooralsnog is er nog geen Peter Sloterdijk opgestaan die onze vertrouwde leefwereld in vuistdikke traktaten opdeelt in nieuwe «sferen»; geen Finkielkraut die de oplaaiende discussie over het antisemitisme een ferme draai geeft; geen Sartre die iedere dag vastgeroeste denkbeelden in zichzelf en anderen moest verbrijzelen; geen Bernard-Henri Lévy die Sartre tot leven wekt om hem uiteindelijk te herbegraven als een filosofische jood.

Spannende, oorspronkelijke, gepassioneerde filosofie: het blijkt niet op bestelling leverbaar. Het blijkt ook weinig te maken te hebben met helder en begrijpelijk schrijven, zoals door bijna iedere filosofische klassieker wordt bevestigd. Bij de vertaling van Kants Kritik der reinen Vernunft werd de onverschillige stijl — Kant was evenmin als Sartre erg geïnteresseerd in stilering van zijn tekst — door vele recensenten aangestipt, net als bij het verschijnen van Sartres hoofdwerk L’être et le néant in vertaling.

Maar ach, wat is stijl?

«De eerste, in zijn eentje vrijwel toereikende regel van een goede stijl is dat je iets te zeggen hebt.» Zo simpel is het volgens Michel Houellebecq, in eigen land regelmatig verguisd om zijn kale, klinische stijl — Wees niet bang voor het geluk; het bestaat niet — maar ondertussen onverminderd succesvol.

Een stelregel als een mokerslag, ontleend aan Arthur Schopenhauer. Het mysterie van vorm en inhoud teruggebracht tot één oppermachtig criterium: iets te zeggen hebben. Zo simpel is het. Of althans, zo simpel lijkt het. Want «iets te zeggen hebben» blijkt in praktijk een knap lastig criterium waarover zelden overeenstemming bestaat.

Maar één ding is volstrekt duidelijk: het begint met de maniakale overtuiging dát je iets te zeggen hebt; het blijkt uit de verbeten ambitie óm het te zeggen, om die onvermijdelijke oorlog met de taal te voeren, de grenzen van het denken op te rekken tot ver voorbij de pijngrens — en uiteindelijk te kunnen leven met het risico dat de geschiedenis onbarmhartig haar eigen oordeel velt.

Schopenhauer filosofeerde in het volle besef van dit historisch risico. Hij moest en zou de mensheid overtuigen van zijn akelige waarheid: de openbaring van die onbewust voortrazende Wil, die oerstroom waarop de ratio tamelijk machteloos voortdrijft en slechts marginaal kan bijsturen. Maar de mensheid wilde het nog niet horen; verbitterd door gebrek aan erkenning schreef hij voort, hartstochtelijk jaloers op zijn suc cesvolle tijdgenoot Hegel.

Zonder een rotsvaste overtuiging van de eigen genialiteit hadden de boeken van Schopenhauer het levenslicht niet gezien. Het voorwoord bij De wereld als wil en voorstelling geeft daar meteen al een voorproefje van. Schopenhauer had van de mensheid in het algemeen geen al te hoge dunk, en maakte daarbij geen uitzondering voor die enkeling die zijn miskende boek ter hand nam. Meteen al in het voorwoord wordt de lezer streng toegesproken: dit boek, aldus de 22-jarige auteur, is zo nieuw, zo radicaal anders dan álles wat de lezer eerder heeft gelezen, dat hij het zeker niet bij eerste lezing zal snappen. Hij zal de 1500 pagina’s absoluut twee keer moeten lezen.

En niet alleen zijn de hersenen waarschijnlijk een maatje te klein voor het nieuwe, ook het oude moet maar even worden opgefrist. Want deze radicaal nieuwe filosofie bouwt wel serieus voort op Kant, wat natuurlijk ook enige voorstudie vergt. Aldus wordt de lezer al op de eerste pagina ingepeperd: dit is géén lichte kost, en wie zich hieraan waagt, moet er wel wat voor over hebben.

Filosoferen kan niet zonder een zekere mate van narcisme — zonder dat waant niemand zijn eigen denken zó belangrijk en zó nieuw dat het iets toevoegt aan die hele geschiedenis. Wie niet beschikt over deze noodzakelijke dosis zelfoverschatting komt niet verder dan het bestuderen en becommentariëren van «de groten», domweg omdat een mensen leven te kort is om alles te kennen en vervolgens verder te denken.

Je zou het de onderbuik van de filosofie kunnen noemen: die mengeling van zelfovertuiging, nonchalance ten aanzien van de idee en waarop je voortborduurt en die sartriaanse agressie waarmee gestolde waarheden en zekerheden worden verpulverd. Lévy haalt dit cluster van krachten en drijfveren bij Sartre met bijna satanisch genoegen naar voren — en niet zonder zich gretig van dezelfde vrijheden te bedienen en vol overgave zijn Sartre neer te zetten — en drukt de lezer met de neus op de vitale mechanismen die razen onder de hooggeleerde woordenbrij die filosofie nu eenmaal is.

De passie van snijdend nieuwe inzichten en gecondenseerde ambities: is dit de passie die bevrijd moest worden uit de bleke academische taal? Ongetwijfeld. En de impuls is inderdaad een begrijpelijke, want de academische mores verdragen niet al te veel schopenhaueriaanse eigendunk of sartriaanse nonchalance. Maar verdraagt de publieke arena waarin de filosofie zou moeten opbloeien die dan wel?

Buiten de ivoren toren hoeven filosofen zich niet meer over iedere voetnoot te bekommeren, maar ze moeten wel opeens salonfähig zijn, hun woorden toesnijden op de vragen en noden van het publiek, en ook dat verdraagt niet al te veel filosofische eigenzinnigheid. De zuinige reacties op De eeuw van Sartre zijn in dat opzicht veel betekenend. Lévy plaatst zichzelf op de voorgrond — maar we wilden toch een persoonlijker geluid in de filosofie? En «een joodse Sartre», dat is natuurlijk helemaal te dol en wordt snel afgedaan als «een speculatieve stap te ver». Tja, als iedere speculatie meteen een speculatieve stap te ver is, wordt de vurig gewenste passie in de filosofie wel erg strak aangelijnd.

Passie en filosofie: het zal wel nooit helemaal goed komen. Filosofie die echt iets te zeggen heeft is nu eenmaal akelig zeldzaam, zowel binnen als buiten de ivoren toren van de universiteit. En daar zal een stapel frisse, vlotte inleidingen in de filosofie niets aan kunnen veranderen.

Bernard-Henri Lévy

De eeuw van Sartre: Een filosofische zoektocht

Vertaald door M. Grisel, H. Los en H. Scholten

Bert Bakker, 548 blz., € 24,95