De verloedering van de universiteit

Filosofie als curiositeit

Vorige week luidden hoogleraren wederom de noodklok. Door «eenzijdige technocratische oriëntatie» is het universitair onderwijs aan het «verloederen». Bij het filosofieonderwijs aan de Universiteit van Amsterdam heeft de ontwikkeling reeds onherstelbare schade aangericht.

Een minuscuul docentenkamertje in de voormalige faculteit der wijsbegeerte aan het Amsterdamse Binnengasthuisterrein. In de stalen stellingkast staat een foto van een half aangegeten taartpunt. Op de mokkarug staat met geleiletters het woord «geest» geschreven. «Faculteit der geesteswetenschappen» moet de tekst op de complete, onaangesneden taart geweest zijn. «Het enige feest dat het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam de faculteit der wijsbegeerte ooit aangeboden heeft, is het opheffingsfeest», zegt docent Maarten Coolen met een niet al te vrolijk gezicht. Op het moment dat de foto gemaakt werd liep Coolen met een fikse kater rond. De samenvoeging van de faculteiten wijsbegeerte en theologie met letteren in de nieuwe faculteit der geesteswetenschappen was een feit geworden. Nu, bijna vier jaar verder, is Coolen er nog steeds niet over te spreken.

Coolen: «Iedereen probeert zo lang mogelijk de gevolgen te verbergen, dat doen ze in de gezondheidszorg ook. Zolang mogelijk proberen we het leuk te houden voor studenten.» Juist omdat de samenvoeging tegelijkertijd plaatsvond met de invoering in 1996 van de MUB — de Wet Modernisering Universitaire Bestuursstructuur die nieuwe, technocratische bestuursvormen mogelijk maakte — veroorzaakte dit onvrede onder het wetenschappelijk personeel. «De een gaat weg, de ander met pensioen en een derde probeert een andere baan te vinden. Iedereen heeft zo zijn eigen overlevingsstrategie. Het zou hier leeglopen als er andere banen waren.» Sinds de invoering van de MUB vertoont de universiteit volgens Coolen de trekken van een chocoladefabriek. «In een chocoladefabriek hoeven mensen zich niet druk te maken om de aard van het product. Verantwoordelijkheid voor het geheel heb je niet.»

De hedendaagse wetenschap behoort in dienst te staan van praktisch nut en economische voorspoed. Afgestudeerden zijn brandhout voor de motor van vooruitgang. Zo redenerend is filosofie een wel zeer ongewenst verschijnsel. Aan filosofen heb je praktisch niets. Wijsgerig antropoloog Theo de Boer concludeerde het al in de bundel De filosofie in Nederland (1992): «De wijsgeer staat terzijde en beschouwt het toneel van het leven. Aristoteles propageerde reeds deze zuivere beschouwelijkheid (…). Lucretius komt er bijna onbeschaamd voor uit waar het beschouwelijk leven op neerkomt: anderen mogen de rotkarweitjes opknappen.» Van dergelijke arrogantie kon in Lucretius’ dagen wellicht nog sprake zijn, tegenwoordig is veeleer van een omgekeerde situatie sprake. Het is de doldraaiende 24-uurs economie die zijn neus ophaalt voor onbruikbaar kritisch gefilosofeer.

Misschien is het daarom dat de filosofen aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) zich aan dit zuivere beschouwen, zoals gepropageerd door Aristoteles, sinds vier jaar niet meer wagen. Met de afschaffing van het vak filosofische antropologie verdwenen de hermeneutiek en de fenomenologie, stromingen die van essentieel belang zijn voor het alles reflecterende karakter dat de filosofie op de wetenschap kan hebben. Coolen: «Fenomenologie vraagt naar wat het fundament van alle wetenschappen is. Het stelt de vraag naar de grond van de kennis en kijkt naar de relatie tussen mens en werkelijkheid. Zonder het onderzoek naar deze vraag leid je geen filosofen op.»

Alle wijsgerige zwaargewichten van de vorige eeuw — zoals Husserl, Heidegger, Gadamer of Ricoeur — zijn in de hermeneutische en fenomenologische traditie te plaatsen. De hele continentale filosofie is erdoor getekend. Ironisch genoeg was het ook juist met deze wijsgerig-antropologische leerstoel dat Amsterdam enig internationaal gezag wist uit te stralen. Achteraf lijkt de afschaffing ervan welhaast een coup van wijsgerige anti-antropologen. Met het verwijderen van de leerstoel, zou je kunnen denken, wilden de coupplegers wellicht op de Angelsaksische toer gaan, daarbij louter analytische filosofie duldend.

Hoe plausibel ook de gedachte, niets is minder waar. De afschaffing van de leerstoel is een ordinaire daad van bestuurlijk ingrijpen geweest. Het College van Bestuur van de UvA rekende, cijferde en concludeerde dat wijsbegeerte eigenlijk best zonder problemen bij de kwakkelende letterenfaculteit ondergebracht kon worden. Verzet tegen het plan zoals uitgedokterd door een door letterenprofs gedomineerde stuurgroep was nauwelijks meer mogelijk. Want ongeveer tezelfdertijd voerde de UvA de vers door de Tweede Kamer goedgekeurde MUB in.

Niet alleen in Amsterdam, op alle universiteiten in den lande maakte de MUB technocratische bestuursvormen mogelijk. Voor, tijdens en vlak na de invoering was er van protest weinig merkbaar. Nu vier jaar na dato de gevolgen aan de oppervlakte komen, beginnen opposanten zich te roeren. Vorige week maandag kwamen verontruste professoren samen in de aula van de Universiteit Utrecht, alwaar zij nogmaals de aandacht vestigden op het in het voorjaar reeds opgestelde manifest Naar een universitair reveil. Daarin wordt de verloedering van het universitair onderwijs onomwonden uit de doeken gedaan. «Veel wetenschappers voelen zich in hun werk bekneld door een keurslijf van regels en oekazes. Zij trekken zich terug in een kleine enclave waar zij nog wat nuttig werk kunnen doen en keren de universiteit verder de rug toe.» En: «Er is een boekhoudersmentaliteit ontstaan, die de behoefte aan beheersing van bovenaf nog versterkt heeft. Mede door de minutieuze regelgeving van OCW gaat de universiteit gebukt onder een verstikkende bureaucratisering.» Er wordt geconstateerd dat de situatie lijkt op die van begin jaren zestig, toen de «eenzijdig technocratische oriëntatie» hoognodig «door een radicaal-democratische tegenbeweging» aangevochten diende te worden. We zijn aan het begin van de 21ste eeuw weer terug bij af, zo stellen de pamflettisten.

«Het is niet voor niets dat er naar verhouding veel filosofen onder de ondertekenaars van het manifest te vinden zijn», zegt medeondertekenaar Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Van Tongeren suggereert dat zodra de universiteit wordt onderworpen aan abstracte organisatieprincipes, kleinere en minder marktgerichte opleidingen, waar filosofie een duidelijke exponent van is, direct in de verdrukking komen. De uitwassen van de grootschalige reorganisatiedrift van de afgelopen jaren komen daarom nergens zo helder aan de oppervlakte als bij de voormalige filosofiefaculteit van de Universiteit van Amsterdam. Van Tongeren: «De fusie in Amsterdam is een typisch voorbeeld van dat organisatiedenken dat wil dat eenheden groter moeten worden om goed te kunnen functioneren.» Van Tongeren verwacht niet veel goeds van de evaluatie van het monsterproject. «Wat ik er tot nu toe van hoor, maakt mij nog niet minder pessimistisch.»

De definitieve opmars van de technologische oriëntatie in het vaderlandse wetenschappelijk onderwijs begon vier jaar geleden met de eerdergenoemde MUB. Dit stokpaardje van de toenmalige onderwijsminister Ritzen (PvdA) maakte in een klap een einde aan de in de jaren zeventig zo fel bevochten inspraak van studenten en wetenschappelijk personeel. De op democratische leest geschoeide universiteitsraad werd met de MUB vervangen door een tandeloze medezeggenschapsraad of een tandeloos inspraakorgaan, waardoor het College van Bestuur van een universiteit eenvoudig en zonder tegenspraak beslissingen door kon voeren. De universiteiten waren tot dan toe professionele organisaties, waarbij hoogopgeleid personeel met gelijke kwalificaties een gelijkwaardige beslissingsbevoegdheid genoot, zoals dat ook in advocatencollectieven gangbaar was. De MUB bracht er een hiërarchische variant voor in de plaats. Sinds oktober 1996, toen de Kamer met de MUB instemde, hoeft een College van Bestuur alleen nog maar de hoogleraren en eventueel de universitair hoofddocenten te raadplegen alvorens een bepaalde beslissing uitgevoerd kan worden. Universitair medewerkers als Coolen hebben niets meer te zeggen over de vakken die ze moeten doceren. Coolen, die als gevolg van de gelijktijdig met de MUB doorgevoerde fusie zijn eigen vak niet meer kan doceren, ziet het onderbrengen van filosofie bij geesteswetenschappen niet als iets wat het vak bevordert. Filosofie is geen wetenschap als andere wetenschappen. Literatuur wetenschappers besturen een cultuurfenomeen dat buiten hen staat terwijl de filosofie zichzelf bestudeert. Coolen: «Literatuurwetenschappers schrijven geen romans maar filosofen schrijven wel filosofische teksten.»

Filosofie hoort aan de basis van alle wetenschappen te staan, waarbij een verbinding met letteren in het geheel niet vanzelfsprekend is. Vroeger had de filosofiefaculteit daarom binding met alle faculteiten. In het allervroegste begin was het vak ondergebracht in een zogenoemde facultas artium, een soort verplichte vooropleiding. Een wetsaanvaarding in 1815 leidde ertoe dat filosofie samengevoegd werd met letteren, waarmee voor het eerst de tegennatuurlijke historische band tussen de twee vakken werd bewerkstelligd. In 1960 wist de wijsbegeerte zich te bevrijden uit deze literaire boeien, door middel van de oprichting van de Centrale Interfaculteit. Volgens K. Kuypers, hoogleraar filosofie in Utrecht, was het de ideale vorm voor de beoefening van de universitaire filosofie. Hij noemde het «in overeenstemming met de beste tradities van het Europese denken». De kernvakken van filosofie — ontologie en metafysica — die in de letterenfaculteit voornamelijk object van historische belangstelling waren geweest, werden met de Interfaculteit ondergebracht in een zelfstandige divisie. Ook de her en der over andere faculteiten verspreide wetenschapsfilosofieën werden bij de Interfaculteit binnengehaald. Dit filosofisch walhalla, dat niet toevallig verwezenlijkt werd in een in politiek opzicht tolerant tijdperk, hield stand tot begin jaren tachtig. Toen sloeg, geheel conform het no-nonsense beleid van roerganger Lubbers, onderwijsminister Deetman zijn slag. Over de volle breedte introduceerde hij op universiteiten een op moderne leest geschoeid management. Het belang van «de nationale economie» trad voor het eerst op de voorgrond. De wetenschap diende daaraan ondergeschikt gemaakt te worden. Uiteraard moesten er grove correcties uitgevoerd worden op de eigenzinnige en dwarse filosofie opleidingen. Het vak, zo wilde de bewindsman, diende gereduceerd te worden tot filosofie van een wetenschapsgebied. Deetman stelde daartoe voor de propedeuse wijsbegeerte af te schaffen. Hij hoopte daarmee te bereiken dat studenten de wijsbegeerte hooguit «erbij» deden. De autonomie van de wijsbegeerte zou bij invoering van de maatregelen ernstig aangetast worden. In Deetmans wensdromen zou filosofie alleen nog de ambitie hebben om vragen binnen een wetenschapsgebied te beantwoorden.

De enige filosoof die indertijd nadrukkelijk verzet pleegde tegen Deetmans snode voornemens was hoogleraar wijsgerige antropologie Theo de Boer. Hij slaagde erin het parlement een motie te laten indienen, waardoor de radicale plannen ternauwernood doorkruist konden worden. «Bijna was de filosofie als basisstudie afgeschaft», zegt Theo de Boer, inmiddels emeritus, in de hoogbouw van de Vrije Universiteit. Dat het indertijd zo ver kon komen, is volgens De Boer deels ook te wijten aan de lakse houding van de filosofen zelf. De Boer: «Filosofen geloofden niet meer in hun eigen vak. Omdat ze de universiteit alleen zagen als een onderzoeksinstituut en filosofie slechts opvatten als levensbeschouwing.» Met name de destijds invloedrijke heideggerianen in Leiden straalden een geestdodende passiviteit uit. De heideggerianen meenden, geheel in lijn met het gedachtegoed van hun geestelijke vader, dat het einde van de filosofie was aangebroken. De Boer: «Wat voor bezwaren konden ze dus hebben dat Deetman hen zou opheffen? Als de technologische ontwikkeling onontkoombaar was, wat hadden ze dan nog op het gedrag van Deetman aan te merken? Als de metafysica tegenwoordig de technocratie is, dan is de technocraat Deetman zelf de metafysicus bij uitstek. Hij werd het voertuig van de idee en daarmee voltrekker van het lot van de filosofie. Eigenlijk was Deetman de grootste filosoof aller tijden. Dat betekende dat heideggerianen nergens meer tegen konden protesteren. Dat deden ze dan ook niet, ze hebben hun bek niet opengetrokken.»

Hoewel De Boer het ingrijpende ministersvoorstel wist af te wenden, misten de strenge bezuinigingen op het hoger onderwijs onder de kabinetten-Lubbers hun uitwerking niet. Door het langzaam dichtdraaien van de geldkraan waren universiteiten gedwongen tot een efficiëntere organisatie. Ook de filosofiefaculteit van de UvA ontkwam niet aan een groot reorganisatieplan. Omdat De Boer als gevolg hiervan tegen zijn zin leiding moest gaan geven aan een nieuw gevormde «supervakgroep» stapte hij op. In die zogenaamde supervakgroep kwam naar zijn mening de wijsgerige antropologie ernstig in de verdrukking doordat metafysica en de volledige geschiedenis van de filosofie eraan toegevoegd werden. Bij de Vrije Universiteit werd De Boer met open armen ontvangen.

Zo kwam een zware taak op de schouders van Maarten Coolen te rusten. Coolen, waker over het erfgoed van De Boer, besloot de fenomenologische en hermeneutische erfenis op zich te nemen. Daartoe werd hij secretaris van de door De Boer zo verafschuwde supervakgroep. De leerstoel wijsgerige antropologie van De Boer, die in eerste instantie leeg gebleven was, werd met de komst van een opvolger aangepast. Coolen: «Theo de Boer werd opgevolgd door Maarten van Nierop. Toen hij eenmaal was benoemd heeft het College van Bestuur de stoel veranderd in filosofie van de kunst en cultuur.»

Welbeschouwd werd filosofische antropologie uit de leeropdracht gehaald. Toen vier jaar later de fusie in geesteswetenschappen doorgedrukt werd, was het drama compleet. Vanaf dat moment, zo besloot het interim-bestuur van de faculteit geesteswetenschappen in oprichting, was per hoogleraar slechts één afstudeervariant mogelijk. Daarmee kwam de studievariant filosofische antropologie te vervallen. Coolen vernam op een belegde vergadering met alle leden van de faculteit over de veranderingen die de fusie met zich mee zou brengen. «Ik heb de opheffing van de afstudeervariant pas op die vergadering gehoord.» In een klap werd met een belangrijke traditie gebroken.

Coolen: «De leerstoel wijsgerige antropologie trok altijd veel leerlingen. Die zijn nu elders terechtgekomen.» Coolen doceert nu twee nieuwe vakken. «Nu geef ik een propedeusemodule cultuurfilosofie en mens en cultuur in de twintigste-eeuwse filosofische stromingen. Voor de hermeneutiek en fenomenologie is er nog wel wat ruimte. Maar filosofische antropologie als afstudeervariant bestaat niet meer.»

Als uit een toekomstige evaluatie blijkt dat de aan de Universiteit van Amsterdam voltrokken fusie succesvol is, bestaat de mogelijkheid dat andere universiteiten de methode kopiëren. De filosofie zal dan als een curiositeit bij andere faculteiten ondergebracht worden, waardoor het zijn eigenzinnige op wetenschap reflecterende karakter verliest. Op confessionele universiteiten zal het zo ver niet komen, verzekert de decaan van de faculteit der filosofie Machiel Karskens. Aan zijn Katholieke Universiteit Nijmegen werd met succes een fusie met letteren tegengehouden. Ook aan de Vrije Universiteit werd een geplande fusie ongedaan gemaakt. «Confessionele universiteiten zijn filosofievriendelijker dan niet-confessionele», zegt Theo de Boer daarover.

In deze tijd is die constatering zo verwonderlijk nog niet. Vroeger mag de filosofie geleden hebben onder het theologische juk, sinds de wetenschap op een ongehoorde manier verstrengeld is geraakt met de economische vooruitgang, lijkt het erop dat het juist de confessionele instellingen zijn die dankzij hun levensbeschouwelijke grondslag nog wel in staat zijn om de zin en richting in hun academische bedrijvigheid kritisch tegen het licht te houden. Zij zijn daarom het beste in staat om de wijsbegeerte van haar ondergang te behoeden. De filosofen op de confessionele universiteiten zijn de ware parasieten: ze blijven vragen waar de wetenschap allang is gestopt.