Pockets: Het tweede leven

Filosofie is nergens meer

Iedere maand beginnen honderden boeken een tweede leven als pocket, vijfentwintig-guldenboek of goedkope herdruk. Ger Groot maakt maandelijks een selectie van de meest opvallende titels en schrijft een essay naar aanleiding van één of enkele daarvan.

Filosofen zoeken opnieuw aansluiting bij de wetenschap. Maar wat heb je aan wijsbegeerte die geen levens vragen meer beantwoordt? Niet hoe de werkelijkheid eruit ziet, maar wat ze betekent, moet haar bezighouden. Een pleidooi voor irrealisme in de filosofie.

Wie direct na de Tweede Wereldoorlog vroeg waar de filosofie van het bevrijde Europa te vinden was, kwam onvermijdelijk terecht op een klein eiland in het hart van Parijs. Niet op het Île de la Cité, maar net iets zuidelijker daarvan, op Saint-Germain-des-Prés en de straten daaromheen. Het thuisland van het existentialisme was werkelijk een eiland, schreef de jazztrompettist en romancier Boris Vian in die jaren. En hij voegde er met zijn kenmerkende absurdisme aan toe: «Daaraan heeft het zijn vochtige klimaat en drankvolume te danken.»

Zo geruchtmakend was Saint-Germain-des-Prés dat Vian er een speciale reisgids voor schreef, in de stijl van Baedeker of de Guide Michelin. In 1950 had het boek moeten ver schijnen, compleet met overzicht van bodemgesteldheid, bevolkingssamenstelling, feiten, mythen en vooral een uitgebreid glossarium van bekende personen. Door het failliet van de uitgever kwam het niet verder dan de drukproeven. Bijna 25 jaar later kwam er alsnog een gereconstrueerde uitgave van. Weer 25 jaar later verscheen het als livre de poche.

Inmiddels is de reisgids een oefening in nostalgie geworden. Het merendeel van de toenmalige beroemdheden is vergeten en de straten zijn nauwelijks nog herkenbaar. Wat bleef was de herinnering aan de laatste keer dat de filosofie in de gestalte van Sartre, Beauvoir en Camus letterlijk op straat wandelde en daar een levensstijl schiep. Tot lang na de Tweede Wereldoorlog genoot het existentialisme een invloed die geen enkele filosofische stroming sindsdien meer heeft gekend. Nog altijd is Sartre voor veel mensen het voorbeeld van de moderne filosoof, hoe vaak hij — vooral in politiek opzicht — ook de plank mag hebben misgeslagen.

In vergelijking met het existentialisme staat de huidige wijsbegeerte er in haar publieke functie maar treurig bij. Ze heeft zichzelf opgesloten achter de muren van de universiteit, waar ze krampachtige pogingen doet om een echte wetenschap te worden.

Vlak voor de eeuwwende heeft een groep internationaal bekende filosofen zich tijdens een colloquium in Parijs de vraag gesteld hoe het er momenteel met de filosofie voor staat en waarheen ze op weg is. Het resultaat is nu verschenen in twee pockets: Un siècle de philosophie (1900-2000) en Quelle philosophie pour le XXIe siècle? Wat opvalt is dat de vraag naar de publieke functie van de filosofie daarin vrijwel onbesproken blijft, maar dat er een sterke consensus bestaat over wat de filosofie inhoudelijk moet doen. Ze moet het gezelschap van de (natuur)wetenschappen opzoeken en de kloof tussen de verschillende kennis gebieden overbruggen: zo formuleerde de Canadese filosoof Ian Hacking het algemene verlangen.

Wat is de betekenis van de vindingen van de neurobiologie? Welke gevolgen heeft de wetenschappelijke neiging tot kwantificatie voor ons denken? En wat moeten we ervan denken dat de mens daardoor steeds meer op louter een systeem van digitale gegevens gaat lijken? Dat zijn de vragen die de filosofie in de komende eeuw volgens het Parijse colloquium op te lossen heeft. En net als Aristoteles zou de filosoof de kwaliteiten van wijsgeer en wetenschapsman weer in zich moeten verenigen.

Dat klinkt aantrekkelijk, maar is het dat ook? Hoe interessant en reëel die vragen ook zijn, vormen zij werkelijk de problemen waarop mensen van de wijsbegeerte een antwoord verwachten? Zullen filosofen er met dit soort kwesties werkelijk in slagen opnieuw zichtbaar te worden op het publieke toneel en op die manier te bestaan? Zijn ze nog wel «ergens», als ze zich op deze wijze aan de wetenschappen spiegelen, tenzij in het besloten gezelschap van vaklieden onder elkaar?

De vragen die filosofen op feestjes, in de pauze van sportwedstrijden of op andere onwaarschijnlijke momenten voorgelegd krijgen, zijn van het type: wat is de betekenis van mijn leven en hoe moet ik dat inrichten? Op dat soort vragen heeft de wetenschap geen antwoord. Bij echtscheidingsproblemen heeft ze haar statistieken: zoveel huwelijken stranden, zoveel mannen plegen daarom zelfmoord, zo-en-zo verloopt het ontwenningsproces en na gemiddeld zoveel maanden is de ergste rouw voorbij. Maar dat zegt weinig over de ervaring van de scheiding zelf, en daar is het de vraagstellers om te doen. Niet dat het huwelijk strandt willen ze begrepen zien; dat begrijpen ze zelf ook wel. Ze willen weten wat het feit dat de ander er zomaar met een derde vandoor kan gaan, zegt over de liefde, trouw, belofte en hoop.

Maar wanneer de Amerikaanse filosoof John Searle in het Parijse colloquium over ethiek komt te spreken, is de belangrijkste vraag die zij voor hem te beantwoorden heeft niet: «Hoe moet ik mijn leven inrichten?» maar: «Kunnen wij in de ethiek objectieve kennis bezitten?» Die vraag heeft de charme van de wetenschappelijke objectiviteit, maar het is de vraag of degenen die van de filosofie een reëel antwoord op hun levensvragen verwachten daarvan erg wakker zullen liggen.

Opmerkelijk genoeg is realisme het eerste waarop de filosofen in de Parijse bundels zich beroepen, al verstaan ze daar iets anders onder dan de meeste van hun geprangde medeburgers. Realisme betekent voor hen allereerst dat de wereld simpelweg de wereld is. Scepsis over de vraag of datgene wat wij waarnemen werkelijk wel met de realiteit overeenstemt, is voor hen niet meer aan de orde.

Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet. Eeuwenlang hebben filosofen gedacht dat dat helemaal niet vanzelf sprak. Met obscurantisme had dat weinig van doen. Het waren juist de filosofen van de Verlichting en de — zich altijd op haar nuchtere verstand beroepende — Angelsaksische wijsbegeerte die haar op de agenda plaatsten. De wereld zoals wij die waarnemen wordt gestructureerd door de categorieën van het verstand, schreef Immanuel Kant aan het eind van de achttiende eeuw, na door de schotse filosoof David Hume uit zijn «dogmatische dommel» te zijn gewekt. Je afvragen hoe de wereld in elkaar steekt, was dus volgens Kant eigenlijk vragen naar de werking van het verstand.

Wat ooit metafysica was geweest, werd in de moderne filosofie kenkritiek en — toen men eenmaal had ontdekt dat denken in belangrijke mate samenhangt met taal — taalanalyse. Gedurende de hele twintigste eeuw leek het vaak alsof de taal het belangrijkste, zo niet enige voorwerp van de wijsbegeerte was. Maar de realistische filosofen van vandaag lijken weer helemaal te zijn teruggekeerd naar hun «dogmatische dommel». «Het summum van filosofische kwade trouw is onszelf tot de oorsprong van de wereld te maken en niet andersom», schrijft Searle hatelijk over Kant. Taalfilosofie is uit, philosophy of mind is in. De aard van de werkelijkheid begrijpen, inclusief de menselijke werkelijkheid — dat is ook volgens de populaire Britse filosoof Bryan Magee de roeping van de filosofie.

Magee haalt in zijn — zojuist als pocket verschenen — wijsgerige memoires Bekentenissen van een filosoof fel uit naar de Britse taal filosofie, die volgens hem met een bijna middeleeuwse spitsvondigheid elke oprecht filosofische vraag als onzin trachtte weg te redeneren. Daarbij beroept hij zich graag op Bertrand Russell, die met de taalfilosofie ook niet veel op moet hebben gehad. Het gesprek met de wetenschappen is nodig, aldus Magee, maar niet voldoende. Ook hun (materialistische) wereldbeeld berust immers op een keuze die ze zelf niet kunnen verantwoorden. De filosofie moet dus tegelijk dieper en op een andere manier «wetenschappelijk» zijn.

Liever dan bij de philosophy of mind zoekt Magee zijn heil en inspiratie bij de klassieke wijsgeren, die nog wisten wat echte filosofische problemen waren. Vooral Schopenhauer, die hij pas laat in zijn leven ontdekte, steekt bij hem boven alle anderen uit — misschien wel omdat hij, net als Magee zelf, een allesoverheersend belang hechtte aan de muziek.

Maar daarmee komt hij, vreemd genoeg, meteen weer buiten de wetenschappelijke sfeer terecht. Want wat is er «onwetenschappelijker» dan muziek — wanneer we het niet hebben over de (zeer rationele) muzikale theorie, maar de ervaring van de tonen, waarin de muziek uiteindelijk slechts bestaat? Als muziek ons iets onontbeerlijks zegt over ons bestaan, en filosofie is tegelijk naar dat soort onontbeerlijke antwoorden op zoek, moet ze dan niet een heel ander vlak opzoeken dan dat van de objectiviteit en wetenschappelijkheid? Moet de filosofie zich, met andere woorden, niet veeleer richten op de menselijke beleving?

Met het ontstaan van het bewustzijn heeft zich in de werkelijkheid iets nieuws gevormd dat werkelijk bestaat maar vanuit het unversum iets ireëels heeft. Wat zijn gedachten, gevoelens en ervaringen, materieel gezien, anders dan fysische verschijnselen die door de natuurwetenschap kunnen worden bestudeerd en wellicht ooit verklaard? En toch is er, anderzijds, geen grotere discrepantie denkbaar dan tussen het gevoel van verliefdheid dat iedereen weleens overvallen heeft, en de hormonale en neurofysiologische processen die daaraan ten grondslag liggen. Het een is simpelweg niet hetzelfde als het ander, al bestaan ze beide tegelijk niet zonder elkaar.

Dat filosofie de discipline is die zich bezighoudt met deze ervaring wil niet zeggen dat ze gelijk wordt aan psychologie. Filosofie vraagt naar de betekenis van die ervaring, terwijl psychologie slechts vraagt waardoor de ervaring van die betekenis is veroorzaakt. De werkelijkheid waarover de filosofie het heeft, is niet gelijk aan de objectiviteit. Ze verhoudt zich daartoe als de muziek tot de golfbeweging die haar draagt en die zichtbaar wordt op de oscillograaf. Zonder die trilling bestaat ze niet als werkelijkheid; maar zonder gehoord te worden, bestaat ze niet als muziek.

Filosofie is dus gedoemd tot hetzelfde irrealisme als wat Searle in Kant aanklaagt. Ze maakt de mens niet tot de oorsprong van het universum, maar erkent wel dat hij de enige plek is waarin dat universum een wereld wordt die betekenis heeft. Dat juist Schopenhauers liefde voor de muziek tot die conclusie leidt, is niet zo verwonderlijk. Tenslotte was Schopenhauer een van Kants meest toegewijde volgelingen en is muziek bij uitstek iets dat pas betekenis krijgt voor het menselijke begrip. In die zin maakt de mens inderdaad zijn wereld en maakt hij zich los van de wetten en het noodlot van het universum. Hij leeft pas echt in zijn eigen irrealiteit en in de artefacten waarmee hij zich omgeeft en waarin hij zijn bestaan inbedt.

Het is dan ook nog veel te vroeg om afscheid te nemen van de linguistic turn die de filosofie in de twintigste eeuw genomen heeft. Wellicht is de taalfilosofie inmiddels amechtig geworden, uitgeput als ze is door de scholastieke spitsvondigheden die Magee haar verwijt. Maar vanuit een heel andere achtergrond benadrukt ook de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer aan het slot van zijn grote studie Wahrheit und Methode: «Het zijn, dat begrepen kan worden, is taal.»

Gadamer, wiens verzameld werk ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag vorig jaar in een indrukwekkende pocketeditie is verschenen, zoekt het niet bij de analyse van woorden maar bij de gearticuleerde taal van de literatuur. Daarin drukt zich volgens hem de waarheid van het mensenbestaan pas werkelijk uit en juist aan deze «fictie» moet de filosofie, wil ze daarvan ooit iets begrijpen, haar oor lenen. Zelf wordt ze geen literatuur, want ze praat niet over het bijzondere maar over het algemene, en houdt zich niet op in de verbeelding maar in de rationele analyse. Ze hangt ergens tussen literatuur en wetenschap in. Het gaat haar niet om de naakte, maar om de betekenisvolle werkelijkheid — waarover ze niettemin op een lucide en expliciete manier probeert te spreken.

Dat laatste is voor haar de enige manier om nog «ergens» te blijven. Ze moet publiekelijk durven filosofie te zijn. Daarin lag volgens de christelijke existentialist Gabriel Marcel haar verwantschap met het theater, zoals Sartre dat zo meesterlijk wist uit te buiten. Ook diens filosofie had uiteindelijk meer invloed via zijn toneelstuk Huis clos dan via zijn hoofdwerk L’être et le néant. Marcel — zo vertelt de Franse filosoof Paul Ricoeur in La critique et la conviction, een boeklang interview over zijn eigen denkweg — kon Sartre daar bitter om benijden. Maar bij beiden had je, aldus Ricoeur, het opwindende besef dat het denken leefde en terzake deed. Misschien wel juist omdat het zich niet bekommerde om haar wetenschappelijkheid of realisme.

Boris Vian, Manuel de St-Germain-des-Prés

Livre de Poche, nr 14974, 255 blz.

K.-O. Apel e.a., Un siècle de philosophie, 1900-2000

Folio essais, nr 369, 708 blz.

J. Benoist e.a., Quelle philosophie pour le XXIe siècle

Folio essais, nr 380, 403 blz.

Brian Magee, Bekentenissen van een filosoof

Flamingo Pockets, 608 blz.

Hans-Georg Gadamer, Gesammelte Werke

UTB nr 2115, tien delen

Paul Ricoeur, La critique et la conviction

Pluriel nr 9009, 289 blz.
Arjan Visser, De tien geboden

Sinds ruim drie jaar interviewt Arjan Visser in dagblad Trouw bekende Nederlanders over de betekenis die de tien geboden voor hen hebben. 27 Interviews zijn nu gebundeld. Ze leveren aardige, vaak heel persoonlijke portretten op van mensen als André Hazes, Adriaan van Dis, Youp van ’t Hek, Sylvia Kristel, Theo van Gogh en pornoactrice Kim Holland. Opvallend is de overdonderende fatsoenlijkheid die vrijwel iedereen zichzelf toeschrijft. Bijna als een verademing komt dan de ontboezeming van Renate Dorrestein over de gedachte aan ontrouw, bij haar en bij hem: «Ik weet wel dat ik de grootsheid van ziel zou moeten hebben om mijn uitstap tegen die van hem weg te strepen, maar ik constateer alleen dat ik die niet heb.» En bijna iedereen praat over de wijsheid die komt met de jaren. Bij Rainbow verscheen ook de Trouw Almanak 2002, met zevenhonderd bladzijden informatie over de gebeurtenissen tussen 1 november 2000 en 8 oktober 2001: prijzen, necrologieën, kampioenschappen en 26 uitgewerkte nieuwsthema’s, van «claimcultuur» tot KPN en van de komst van Máxima tot het afscheid van Kok.

Visser: Rainbow pocket 567, 296 blz.

Almanak: Rainbow pocket 575, 719 blz.

John Dos Passos, U.S.A.

Een boek om dezer dagen te herlezen. Dos Passos beschrijft de eerste decennia van de eeuw van Amerika, waarin links-zijn nog niet gelijk stond aan landverraad. Met de Grote Depressie, het eind van zijn epische trilogie, stort de Amerikaanse droom voor het eerst ineen. Krantenkoppen en bioscoopjournaals, als newsreels door het hele boek heen gestrooid, kondigen de catastrofe aan. GENERAL STRIKE NOW THREATENS wordt gevolgd door OIL KING’S HAPPIEST DAY. Fragmentarisch en impressionistisch trekt het leven voorbij in hoofdstukflarden die Dos Passos The Camera Eye noemde. De literatuur ontdekte de film; Vertov en Eisenstein waren niet ver. Marx evenmin. «Ever read Marx?» «No… golly, I’d like to though.» Dergelijke gesprekken waren toen in New York nog heel gewoon.

Penguin Pocket, 1184 blz.

Simon Vestdijk, De koperen tuin
De koperen tuin is wellicht Vestdijks muzikaalste roman, vol Wagner, Debussy, Haydn en Bizet, wiens opera Carmen op even rampzalige als hilarische wijze in de provinciestad W. wordt opgevoerd. Minder opvallend is het ingekankerde standsbesef waarvan Vestdijk de W’se gemeenschap — en de hele Nederlandse samenleving — doortrokken ziet. Dat leidt tot subtiele distincties tussen de echte bourgeoisie (het rechtersgezin waarin de ik-figuur opgroeit) en de stand van diens pianoleraar Cuperus, «die het, zoals alle muziekleraren in W., van de iets kleinere burgerij moest hebben». Multatuli had die microclassificatie in Woutertje Pieterse al eens op de hak genomen, maar terloopse verschillen zijn ook de hardnekkigste. Ze verdwijnen meestal alleen door een andere vorm aan te nemen.

Salamander klassiek, 279 blz.

Godela Unseld, Wegerich und Schlangenhaut: Vom wilden Leben in den Städten

Natuur is niet groen. Echte natuur zit niet in parken en reservaten, maar tussen straatstenen, op vuilnisbelten, achter muren en tussen vloeren. Sinds Godela Unseld, ooit wetenschapssociologe, haar woonplaats Hamburg is gaan afwisselen met een optrekje in Lapland, heeft ze in haar eigen stad de natuur herontdekt. Kraaien, kevers, weegbree, duiven en artemisia vulgaris wisselen elkaar af in korte, persoonlijk geschreven stukjes. Die stedelijke biodiversiteit strekt zich bij Unseld niet tot de mensheid uit. Naast een onophoudelijke stroom vriendinnen, gastvrouwen en «Kolleginnen» is er in het hele boek maar één man te vinden: de onverlaat die in de negentiende eeuw in de Duitse steden het cimbaalkruid verspreidde.

Suhrkamp Taschenbuch 3152, 140 blz.

Jan Brokken, Afrika

Ouagadougou, hoofdstad van Burkina Faso, het vroegere Boven-Volta: een stad waarin de meeste auto’s opschriften dragen van westerse hulporganisaties, terwijl spandoeken daarboven Halt aan de westerse uitbuiting en Het vaderland of de dood uitroepen. In Ouagadougou begint Zaza en de president, de eerste van Jan Brokkens Afrika-romans die nu in één band zijn bijeengebracht. De ik-figuur is op zoek naar zijn geliefde, die aan de rand van de Sahara verdwenen is. Eenmaal in Burkina Faso, wordt hij opgezogen in de Afrikaanse onbeweeglijkheid waarin tegelijk — maar ongemerkt — alles dramatisch verandert, inclusief het landschap. «Na vijf minuten kon je het met het blote oog zien: hoe de duinen langzaam vooruitschoven; een zandtapijt dat geruisloos over het land rolde.» Deze bundeling verscheen ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van uitgeverij Atlas, die het puikje van haar fonds tot het einde van dit jaar voor ƒ25,- aanbiedt. Daaronder nogal wat reisboeken, zoals Nootebooms De omweg naar Santiago, Paul Theroux’ Hotel Honolulu en de Belgische reportages van Benno Barnard: Eeuwrest.

Uitg. Atlas, 509 blz.

Charles Darwin, Het ontstaan van soorten

Darwin was niet de uitvinder van de evolutietheorie. Die werd, ruim een halve eeuw voor hem, op Franse bodem voorzien door «des konings tuinman» Buffon en tot een echte theorie gesmeed door le chevalier Lamarck. Het venijn van Darwins boek over Het ontstaan van de soorten zat dan ook in de ondertitel: door natuurlijke selectie (et cetera, want de precisering gaat nog een paar regels door). Aan de evolutie lag geen plan ten grondslag — waarin eventueel de hand van God nog gezien kon worden — maar toeval. De mens had er dus net zo goed niet geweest kunnen zijn, en het ergste was dat dat niets had uitgemaakt. Andere non-fictie-jubileumaanbiedingen van Atlas: Frank Westermans De graanrepubliek en Geert Maks Hoe God verdween uit Jorwerd (dat inmiddels bij meer Nederlanders in de kast moet staan dan de bijbel zelf).

Uitg. Atlas, 544 blz.

Doris Dörrie, Was machen wir jetzt?

Fred Kaufman is geslaagd in het leven. Zijn vrouw doet yogaoefeningen, zijn tienerdochter is verliefd op een boeddhistische lama, en geen van beiden begrijpt hij meer. Modern gezinsleven met bijbehorend klein leed, dat door Doris Dörrie bitterzoet beschreven wordt in een aanstekelijke komedie. Hoe goed ze dat kan, bewees ze al in de novelle Männer, die ze vijftien jaar geleden zelf verfilmde en die nu in een ultraklein Diogenes-pocketje afzonderlijk verschenen is. Fred Kaufman had uit die film weggelopen kunnen zijn. Nu loopt hij weg uit de boeddhistische commune waar hij een oogje houdt op zijn dochter, maar het vooral met zichzelf te stellen heeft. Er duiken veel Nederlanders op in Was machen wir jetzt?, vooral vrouwen. De mooiste — hoe kan het ook anders? — heet Antje. Bij Diogenes verscheen ook Happy, Dörries nieuwste dramatekst. Drie echtparen — geslaagd, gescheiden of gelukkig — komen als vrienden weer bijeen. Een weddenschap: kunnen de mannen met gesloten ogen hun eigen vrouwen nog herkennen? Gevolg: Who’s Afraid of Virginia Woolf? in de light-versie.

Diogenes Taschenbuch 23270, 304 blz.

Hildegard of Bingen, Selected Writings

De Franse historicus Georges Duby kon haar visioenen in de jaren zestig nog «diffuus» en «fantasmagorisch» noemen, de musicologe Etty Mulder beschouwde haar twintig jaar later al als «een vrouwelijk genie», maar pas met Emma Kirkby’s cd A Feather on the Breath of God bereikte de middeleeuwse abdis Hildegard van Bingen een sterrenstatus. Sindsdien is haar plaats in het feministisch pantheon verzekerd, al zou ze zich nogal ongemakkelijk hebben gevoeld in het gezelschap van iemand als Alma Mahler, eveneens herontdekt als muzikale muze en wier biografie door Françoise Giroud nu als pocket is herdrukt. Hildegard bekwaamde zich nu eenmaal niet in «de kunst te worden bemind», volgens Giroud kennelijk Alma’s belangrijkste deugd, of het moest gaan om de liefde van God, die bij Alma niet boven aan het verlanglijstje stond. Liever dan door beroemde mannen liet Hildegard zich aanraken door «de stem van de levende vlam», zoveel krachtiger dan haar eigen «breekbare» vrouwelijkheid. In haar Boek van de goddelijke werken schrijft ze die stem toe aan een androgyne engel. De Engelse vertaling maakt er resoluut een vrouwenfiguur van.

Hildegard: Penguin Classics, 254 blz.

Alma Mahler: Rainbow pocket 572, 190 blz. (met cd)