Martin Heidegger in Azië

Filosofie met zenboeddhistische trekken

Martin Heidegger is mateloos populair in Japan en China. De Aziaten zien in de omstreden Duitse filosoof een pleitbezorger van oosters, antirationalistisch gedachtegoed.

Wie niet voor hem is, is tegen hem. Heidegger is een heilige voor de een — de Verlosser van ruim twintig eeuwen metafysica en rationalisme. Hij is een ketter voor de ander, aan wiens duistere taalmonstra geen zinnig touw valt vast te knopen. En dan was die Heidegger ook nog eens goed fout tijdens de nazi-dictatuur, hamerden in het verleden vooral de marxisten. En nooit een woord van excuus na 1945.

Valt er voor Europeanen hooguit na jarenlange studie iets van Heidegger te begrijpen, des te merkwaardiger is het dat de door en door Duitse meester uit het Zwarte Woud tegenwoordig ongekend populair is in het Verre Oosten.

«Heidegger is in Japan veruit de populairste filosoof. Zelfs op veel middelbare scholen wordt hij behandeld», vertelt Chris Jones. De directeur van het Centre for Asia-Pacific Studies aan de Universiteit van Kent is gespecialiseerd in de wederzijdse beïnvloeding van Heidegger en Japanse filosofen, met name die van de omstreden Kyoto-school.

In Japan is Heidegger al decennialang een held; nieuw is de sterke interesse aan de andere zijde van de Gele Zee. «In China is Heidegger sinds kort very hot», weet Axel Schneider, hoogleraar bij Sinologie in Leiden. In de tijden dat Mao’s geest er nog heerste, stond Heidegger op de zwarte lijst: fascistisch dwaallicht. Net als die andere duistere Duitse filosofen: Nietzsche en Schopenhauer. «In de jaren tachtig werd Nietzsche eindelijk in het Chinees vertaald», vervolgt Schneider. Ook Heidegger kreeg in luttele jaren een flinke poot aan de grond in intellectueel China. «Maar ik denk dat Nietzsche op dit moment op één staat in China», aldus Schneider.

Wat is het dat de Oost-Aziaten zo aantrekt in de zoon van de koster uit Messkirch — volgens sommigen de personificatie van provinciale, Duitse kleinburgerlijkheid — die niet uit zijn eigen geboortestreek was weg te branden en die doodsbenauwd was voor technische vooruitgang?

Pas in 1868, tijdens het nieuwe Meiji-bewind, zette Japan zijn deuren wijd open voor alles wat westers was. Als een spons absorbeerde het land westerse kennis; de intellectuelen vergaapten zich aan de westerse filosofie. In eerste instantie vooral aan de populaire Engelse en Franse positivisten en Verlichtingsfilosofen: Mill, Comte, Voltaire en Rousseau. Maar in de jaren negentig van de negentiende eeuw verschoof de Japanse interesse naar de zwaardere Duitse kost. Kant en Hegel werden minutieus bestudeerd en al gauw ook Schopenhauer en Nietzsche. Voor Frankrijk bleef vooral Bergson in de race.

De Japanse cultuur maakte in die tijd een duidelijke germanisatie door. Duits werd de belangrijkste vreemde taal. In het hoger onderwijs, en zelfs op sommige middelbare scholen, werd Duits de voertaal.

Ook al stortten de Japanse intelligentsia zich gretig op de Europese filosofie, van «bekering» was bij de meesten geen sprake. Het westerse rationalisme was de verkeerde weg, zo luidde de algemene opvatting. De houding van Nishida Kitaro, nog altijd beschouwd als de vader van de moderne Japanse filosofie, zegt genoeg. «Nishida gebruikte de westerse filosofie om de westerse filosofie zelf te bestrijden», legde de Japanse filosoof Shimomura Torataro in 1966 uit.

Al wezen de Japanse denkers de Europese filosofie af, ze hadden die tegelijk wel nodig om een eigen Japanse wijsbegeerte op te bouwen. Japan kende weliswaar een lange zenboeddhistische traditie, maar van echte filosofie was nooit sprake geweest. Door de kennismaking met de Europese denkers kon zich pas zoiets als een Japans-boeddhistische filosofie ontwikkelen.

De nieuwe Japanse filosofen verenigden zich in de Kyoto-School onder leiding van Nishida. Om de vinger aan de pols te houden, stuurde hij leerlingen en jongere collega’s in de jaren twintig naar Duitsland en Frankrijk, waar de nieuwe fenomenologische filosofie in rap tempo furore maakte. Tanabe Hajime, Kuki Shuzo en Miki Kiyoshi hadden het vooral gemunt op de grote Edmund Husserl, de vader van de fenomenologie in Freiburg.

Maar de Japanse dertigers raakten spoedig gebiologeerd door diens merkwaardige leerling Martin Heidegger. Als eersten «roken» ze zijn talent; toen in Europa nog vrijwel niemand van Heidegger had gehoord, stuurden de Japanners zijn teksten al vol enthousiasme naar huis. De allereerste Heidegger-commentaren werden al in 1924 in het Japans geschreven. De Japanners waren ook de eersten die Heideggers hoofdwerk Sein und Zeit uit 1927 vertaalden.

«De Japanners hadden het gevoel dat Heideggers filosofie heel dicht tegen hun eigen manier van denken aanzat», zegt Jones. Heidegger probeerde radicaal te breken met de westerse traditie en plaatste een onwesters begrip centraal in Sein und Zeit: Das Nichts. De Japanners waren idolaat; Heideggers thematiek leek zo weggelopen uit het zenboeddhisme. «Door het overdenken van de raadselachtige onvermijdelijkheid van de dood, zijn wij, filosofen in de boeddhistische traditie, tot het uiterste doordrongen van de kortstondigheid en kwetsbaarheid van het leven», zou de Japanse filosoof en Duitsland-ganger Tanabe in de jaren vijftig de geestelijke verwantschap met Heidegger uitleggen.

«Wat Japanners zo aansprak in Heidegger was zijn antirationalisme», legt Jones uit, «en de vele boeddhistische ideeën die ze in zijn werk lazen.» Voor een deel was dat een kwestie van Hineininterpretation. «De eerste Japanse vertalingen van Heideggers werk waren wel heel erg Japans. De overeenkomsten met Boeddha werden te sterk benadrukt. In Sein und Zeit lazen Japanners daardoor hun eigen ideeën.»

Dat neemt niet weg dat Heideggers filosofie op veel punten inderdaad verbazingwekkend goed aansloot bij de ideeën van Nishida en het zenboeddhisme. Daar is in het Westen nooit veel aandacht aan geschonken, totdat er de afgelopen jaren een aantal opmerkelijke artikelen verscheen. Daarin werd betoogd dat Heidegger enkele grondnoties uit Sein und Zeit, zoals de nadruk op de dood, helemaal niet zelf had bedacht, maar «gejat» uit de boeddhistische en Japanse filosofie.

De Britse hoogleraar Aziatische filosofie Graham Parkes heeft aannemelijk gemaakt dat de jonge Heidegger veel beter thuis was in Japanse filosofie dan altijd is aangenomen. De Japanse Duitsland-gangers deden ook veel meer dan college lopen bij hun idool. Kuki, Miki en Tanabe zouden nachtenlang met de Duitser hebben doorgeboomd (al ruim voor het verschijnen van Sein und Zeit). Op basis van die gesprekken zou Heidegger de grote lijnen van zijn latere filosofie hebben ontwikkeld.

Het rare is echter dat noch Heidegger zelf, noch zijn latere volgelingen en biografen melding maakten van de intensieve Japanse contacten. Pas in 1959 schrijft Heidegger er iets over in «Unterwegs zur Sprache». Ook in de recente, monumentale Heidegger-biografie van Rüdiger Safranski (Heidegger en zijn tijd) komt het woord «Japan» slechts één keer voor.

Japanse invloeden strookten niet met het westerse superioriteitsgevoel in de jaren twintig en dertig, bovendien zouden ze Heideggers originaliteit aantasten. Had Heidegger toegegeven dat Sein und Zeit sterke zenboeddhistische trekken had, dan was zijn populariteit in Europa ongetwijfeld veel kleiner geweest. Maar vreemd genoeg maakten de Japanse filosofen er zelf ook nooit gewag van. Parkes vermoedt dat het te maken heeft met het feit dat Heidegger «de hoogste godheid is in het Japanse filosofische pantheon». Zo iemand beschuldig je niet van plagiaat.

De Kyoto-school van Nishida en zijn volgelingen werd in de jaren dertig het centrum van de Japanse Heidegger-cultus. De filosofie van de school behelst een synthese tussen oosters traditioneel denken en westerse filosofie (met name Heidegger). Veel uitspraken die de Kyoto-schoolfilosofen deden, zouden hedendaagse postmodernisten doen watertanden. Alle moderne culturen zijn gelijk, in de zin dat ze allemaal een bijdrage leveren aan de wereldcultuur, betoogde Nishida. Maar we moeten ons daarbij hoeden voor uniformisering. Want: «Als culturen hun specifieke eigenheden verliezen, zijn het geen culturen meer.»

Maar over de wijze waarop deze nieuwe wereldcultuur tot stand moest komen, had de Kyoto-school wat minder politiek-correcte gedachten. Voor het ambitieuze en bruisende Japan was een sleutelrol weggelegd, meenden Nishida en de zijnen. Japan had een «wereldmissie». Verdrijving uit Azië van de Europese koloniale machten met hun westerse rationalistische bekrompenheid, zou een mooie eerste stap zijn.

Over hoe fout zowel Heidegger in Duitsland als de Kyoto-school in Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog precies was, is eindeloos gesteggeld. Feit is dat Heidegger de eerste twintig jaar na de oorlog voor de meesten taboe was (behalve in Japan), en dat de Kyoto- school in het Westen een halve eeuw in het verdomhoekje heeft gezeten (behalve onder theologen). Maar de laatste jaren verschijnen er in het Westen artikelen die proberen aan te tonen dat de Kyoto-filosofen lang zo fout niet waren als altijd werd aangenomen, en dat ze moeilijk iets anders konden beweren als ze in het Japan van keizer Hirohito het vege lijf wilden redden.

Inmiddels zijn de beroemde filosofen van de Kyoto-school allen overleden. Waardige opvolgers zijn er niet, de school van de «exception japonaise» en de synthese van boeddhisme en Heidegger zijn definitief geschiedenis geworden. «Maar de filosofie in het algemeen is verre van dood in Japan», weet Jones. «De Japanse filosofie heeft heel verschillende nieuwe wegen ingeslagen.» In die verscheidenheid is er echter een constante aan te wijzen: Martin Heidegger. «Hij blijft binnen alle Japanse filosofische stromingen zeer populair.»

Hoe modern Japan ook lijkt, diep van binnen lijkt de Japanner nog steeds heel veel op zijn voorvaderen van voor de westerse inmenging in 1864. Hij heeft zich de westerse technologische praxis eigen gemaakt; maar het westerse rationalisme, naturalisme en reductionisme gaan er bij de Japanner nog steeds niet in. «Dat de wereld in essentie een spirituele plaats is, blijft de algemene culturele overtuiging in Japan», aldus Jones.

Zo heeft zich ruim een kwart eeuw na de dood van de Duitse meester een merkwaardige paradox voltrokken. De man die in zijn filosofie de nadruk legde op de tijd- en plaatsgebondenheid van ieder denken en op de afwezigheid van absolute waarheden, wordt van Los Angeles tot aan Tokyo bestudeerd.

Hoe anders is de positie van analytische of Angelsaksische taalfilosofen als Nagel en Russell. Zij verkondigden de gedachte dat filosofie universele waarheden blootlegt. Maar de analytische filosofie heeft in het Verre Oosten nooit echt een poot aan de grond gekregen. Europese rationalisten als Kant en Descartes — die je met veel goede wil als voorlopers van de analytisch filosofen zou kunnen zien — worden in Japan nog wel mondjesmaat bestudeerd. «Maar ook dan zijn Japanners toch vooral geïnteresseerd in de meer mystieke elementen in hun filosofie. Wat Japanners in Kant aanspreekt is toch vooral het onkenbare Ding an sich.»