Ayn Rand, mei 1936 © Oscar White / VCG / Getty Images

Op een mei-ochtend in 1933 zitten Hannah Arendt en haar moeder samen te ontbijten in een café bij de Berlijnse Alexanderplatz als ze door de Gestapo in een auto worden gesleurd. Tijdens het verhoor dat volgt blijkt dat de Gestapo geen belastend materiaal over ze heeft; dezelfde dag nog komen ze vrij. Ze hebben geluk gehad, maar Arendts besluit staat nu vast. Voor mensen als zij – joods en lid van de linkse intelligentsia – is er in Duitsland geen toekomst meer. In de zomer vlucht ze, via een huis waarvan de ingang in Duitsland en de achterdeur in Tsjecho-Slowakije ligt. Ze reist door naar Parijs.

Ze werkt op dat moment aan een boek over de joods-Duitse Rahel Varnhagen. Aan de hand van het leven van deze vrouw aan het eind van de achttiende, begin negentiende eeuw kan ze de complexe identiteitsdynamiek onderzoeken van het ontwikkelde Duitse jodendom en het vraagstuk van de assimilatie. De intellectuele Rahel kan dan wel denken dat ze zich met haar ratio heeft bevrijd van de geschiedenis, de samenleving confronteert haar toch steeds weer met haar ‘oude’ identiteit in de vorm van vooroordelen. Geen mens, dat zal Arendt ook zelf ondervinden, ontkomt aan de ‘geworpenheid’.

Ayn Rand is al eerder gevlucht uit het communistische Rusland, waar het leven voor mensen met een bourgeoisachtergrond steeds onbarmhartiger wordt; in 1926 vertrekt ze naar Chicago. Haar ambitie is torenhoog, maar in 1933 is er nog geen erkenning. Ze werkt als scenarioschrijfster in Hollywood en de ‘grote depressie’ staat op het punt haar in te halen. Ondertussen worstelt ze met de vraag hoe je gecompliceerde filosofische ideeën in fictie kunt gieten zonder de belangstelling van het grote publiek te verliezen. Haar droom is een grote roman of bioscoopfilm te maken, waarin ze haar filosofie aan zo veel mogelijk mensen presenteert. Filosofie voor iedereen, dat is het doel.

Ze heeft haar eerste roman, Airtight, afgerond, maar er is geen uitgever die toehapt. Terwijl zij in Rusland aan den lijve heeft ondervonden hoe het individu in de dictatuur van de massa wordt onderworpen en dat inmiddels niet meer alleen in Moskou gebeurt, maar ook in Berlijn, en volgens haar zelfs in Parijs en Washington. Haar roman vertelt het verhaal van de strijd van het individu tegen het collectief, in haar ogen hét grote probleem van deze tijd. In de dramatische woorden van de hoofdpersoon van Airtight: ‘Het was ik tegen 150 miljoen.’

In de zomer van 1933 neemt de gymnasiumlerares en vakbondsactiviste Simone Weil net als Arendt afscheid van Duitsland. ‘Rode Simone’, zoals ze al in haar studententijd wordt genoemd, is naar Berlijn gegaan om de overwinning van de arbeidersklasse mee te maken, maar ze treft een land dat geruïneerd is en waar een proletarische revolutie ver weg is. In Frankrijk blijft ze zich inzetten voor de arbeiders. Haar betrokkenheid met hen gaat zo ver dat ze van niet meer wil leven dan de staatssteun die een werkloze fabrieksarbeider ontvangt; de rest van haar salaris geeft ze weg aan arme of gevluchte kameraden.

Diezelfde zomer publiceert ze een essay dat als een bom inslaat. Ze stelt erin dat het fascistisch geworden Duitsland niet anders is dan Stalins Sovjet-Unie en stelt dat denken en actie hand in hand moeten gaan. De daaropvolgende maanden begint ze aan wat ze aan haar vrienden beschrijft als haar ‘geestelijke testament’. Ze is dan 25 jaar.

Simone de Beauvoir is in die tijd filosofielerares aan een meisjesinternaat in Rouen; haar geliefde Jean-Paul Sartre heeft een aanstelling in Le Havre. Ze verdrijft het laffe leven in de provincie door in de herfst van 1934 een relatie te beginnen met Olga Kosakiewicz, achttien jaar oud, ex-internaatsleerlinge, met wortels in de Russische adel. Al snel ontstaat er met Sartre een romantische driehoek, die tegelijk ook filosofische vragen oproept. Wat is de verhouding tussen vrijheid en noodzaak, tussen ogenblik en toekomst, subject en object?

De Beauvoir moet haar stem als filosofe nog vinden, maar in de omgang met Olga ontwikkelt ze wel al ideeën die in haar latere werk terugkomen. Haar manier van filosoferen rust op de omgang met het dagelijks leven, op haar eigen ervaringen. En daar leent Olga zich bij uitstek voor. Terwijl Sartre en zij meesterschap in de toekomst nastreven, zien ze in Olga een levensfilosofische directheid die genoeg heeft aan het heden. Het principe-Olga, zoals ze het noemen, is een zich aan het moment uitleverende vitaliteit. Een vitaliteit waaraan zij zich nog jaren zullen laven.

Hoe verhoudt het ‘ik’ zich tot anderen? De vier filosofes proberen te definiëren wat vrijheid is in een tijd van totalitarisme

In zijn boek Het vuur van de vrijheid voert de Duitse filosoof Wolfram Eilenberger het leven en denken van Arendt, Rand, Weil en De Beauvoir op in de tien jaar van 1933 tot 1943. Dat is om allerlei redenen een razend interessante periode. De vier filosofes zijn in het begin ervan ergens in de twintig en zoeken in meer of mindere mate naar de inhoud en vorm van hun filosofie. Het is ook het tijdperk van een ongekende catastrofe in de wereldgeschiedenis, die niet alleen ingrijpt in hun levens maar ook hun denken beslissend stuurt. Alle vier buigen ze zich over de plaats van het individu in een wereld die in de greep is van massabewegingen als het communisme en nationaal-socialisme. Ze denken over hoe het ‘ik’ zich kan verhouden tot anderen. En ze proberen te definiëren wat vrijheid is in een tijd van totalitarisme. Hoe verschillend hun antwoorden ook zijn, ze putten uit een zelfde bron en ontwikkelen alle vier baanbrekende ideeën.

Maar in 1933 worden ze alle vier geplaagd door grote zelftwijfel. ‘Ben ik ongewoon, of veel-eer normaal en gezond’, noteert Ayn Rand rond die tijd in haar dagboek. ‘Probeer ik anderen mijn eigen bijzonderheid als filosofisch systeem op te dringen?’ Het zijn vragen die De Beauvoir, Rand en Weil volgens Eilenberger ook hadden kunnen formuleren. Ze voelen zichzelf allemaal fundamenteel anders dan anderen, misschien zelfs álle anderen. Ze ervaren alle vier dat er iets grondig mis is met de wereld, maar moeten nog zoeken naar manieren om het onbehagen om te zetten in taal.

Hannah Arendt in 1930. Dat geen mens ontkomt aan de ‘geworpenheid’, ervaart Arendt ook zelf © Mondadori / Getty Images

Het vuur van de vrijheid is een caleidoscopisch boek. Eilenberger gaat chronologisch door de tijd, maar springt daarbij heen en weer tussen de filosofes en tussen hun biografie en hun boeken en legt waar mogelijk verbanden. Het maakt het boek meeslepend maar ook behoorlijk vol, maar wat overtuigend blijft hangen is dat Arendt, De Beauvoir, Rand en Weil niet alleen als filosofen aan de rand van de samenleving stonden in de gewelddadige tijd waarin ze leefden, maar dat ze ook als vrouw aanvankelijk een marginale positie innamen in de filosofie. Dat laatste maakte dat ze zich misschien meer nog dan mannelijke filosofen overgaven aan het experiment en een onuitwisbaar stempel drukten op de filosofie.

Dat experiment was veelvormig. Het betrof hun levens zoals die gedicteerd werden door de draaikolk van de geschiedenis, doordat ze gedwongen werden tot ballingschap of zich in het strijdgewoel stortten, zoals Weil in de Spaanse Burgeroorlog, hoewel ze daar zichzelf verwondde en het avontuur niet langer dan zes weken duurde. De manier waarop ze hun levens zelf vormgaven en hoe ze hun persoonlijke vrijheid bevochten was ook experimenteel. Zoals Rand in een huwelijk waarin zij als kostwinner en vrouw met een wil de mannelijke positie innam. Of zoals De Beauvoir, die levend in een sjofele hotelkamer van een driehoeksverhouding in een ‘overlappende veelhoek’ terechtkwam, een vrijheidsexperiment met een zelfgekozen ‘familie’. En Weil ging als arbeidster in een staalfabriek werken, om de onderdrukking van de proletarische klasse aan den lijve te ondervinden. Ze was er met haar slechte gezondheid en onhandigheid niet op gebouwd, maar daardoor kon ze des te beter ondergaan hoe aan de lopende band je gevoel van waardigheid gebroken werd.

Het experiment strekt zich ook uit naar hun werk. De Beauvoir en Rand kiezen voor de fictie als vorm waarin hun filosofie kan gedijen. Arendt neemt zich voor niet als professor en niet als profeet te schrijven, en werpt zich op haar ‘eenvrouwsonderzoeksprogramma’. Weil neemt in toenemende mate haar toevlucht tot haar filosofische dagboek, haar Cahiers, als vorm die haar past als een vertrouwde jas.

In 1943, het einde van het decennium dat Eilenberger belicht, hebben ze alle vier een stevig fundament gelegd onder hun denken en soms zelfs hun doorbraak beleefd. Ayn Rand publiceert na twee toneelstukken en een roman, waarin ze al haar filosofie van het volmaakte egocentrisme vervatte, in 1943 haar grote roman The Fountainhead. Die wordt aanvankelijk niet besproken, maar dankzij mond-tot-mondreclame weet het boek door te dringen tot de bestsellerlijsten. Zelfs Hollywood meldt zich, om de allegorische strijd van het individu tegen het collectief te verfilmen.

In The Fountainhead ontvouwt Ayn Rand een geheel nieuw wereldbeeld waarin het individu zich absoluut plaatst tegenover de totalitaire maatschappij. Hoofdpersoon Howard Roark, een architect die onverbiddelijk aan zijn eigen ideeën vasthoudt, is geschapen naar haar evenbeeld. Hij is een geniale egomaan die een sociaal woningbouwproject heeft ontworpen en geen enkele concessie wil doen aan de opdrachtgevers, zozeer zelfs dat hij vlak voor de oplevering het bouwwerk eigenhandig met dynamiet opblaast. Elke aanpassing aan het door hem ontworpen ideaal betekent de weg van het knechtschap inslaan: in ethisch opzicht als altruïsme, dat Rand verafschuwt; economisch als socialisme; religieus als fundamentalisme en politiek als totalitarisme.

Roark verdedigt zich in een latere rechtszaak voor de jury met het argument dat auteursrechten onvoorwaardelijk beschermd moeten worden, omdat anders de bijl wordt gelegd aan een beschaving van vrijheid en vooruitgang. Zelf zegt hij het zo: ‘Ik ben niet bereid naar anderen te leven. Ik erken geen verplichtingen jegens mensen, behalve één: hun vrijheid te respecteren en me niet met een samenleving van slavenhouders in te laten.’

Ook Simone de Beauvoir breekt in 1943 door. Haar roman L’Invitée verschijnt bij Gallimard en wordt goed ontvangen door de kritiek; ze maakt er zelfs kans mee op de Prix Goncourt. Ook haar hoofdpersoon is gebaseerd op haarzelf. In de roman onderzoekt ze het probleem waar haar denken steeds naar terugkeert: de tegenstelling tussen het zelf en de anderen. Juist in een oorlog zijn de krenkingen van elk zich ontwikkelend bewustzijn manifest: kennis van de eigen sterfelijkheid en tegelijk ook kennis van het bestaan van het bewustzijn van anderen. Voor de ware zelfvinding, concludeert De Beauvoir, is de ander noodzakelijk. De mens is tot vrijheid veroordeeld, denkt zij net als Sartre, maar vrijheid moet worden opgevat als vrijheid in een bepaalde situatie. Niemand kan alleen maar voor zichzelf vrij zijn; dat kan alleen in de erkenning van het bewustzijn van de ander. Niemand is een eiland.

Hannah Arendt woont inmiddels in New York, op een steenworp afstand van het appartement van Rand. Haar vlucht uit Frankrijk, te voet over de Pyreneeën naar Lissabon en uiteindelijk met de boot de oceaan over, zet haar aan tot denken over het onrecht. Meer nog dan bij Rand en De Beauvoir wordt haar filosofie gedreven door de actualiteit. Wat moeilijk te bevatten is aan het onrecht is dat het niet persoonlijk is bedoeld, dat haar misdaad bestaat uit het feit dat ze leeft. In 1943 heeft Arendt gebroken met het geïnstitutionaliseerde zionisme, waar ze jaren aan heeft gewijd, en is de band met de intellectuele Duitse exilgemeenschap verbroken. Ze is nu in Amerika very much her own woman. In 1951 zal ze haar grote werk The Origins of Totalitarianism publiceren.

Simone Weil is in de herfst van 1942 aangekomen in Engeland, waar ze zich wil aansluiten bij de strijdkrachten voor het Vrije Frankrijk. Ze heeft het plan om alleen, vermomd als verpleegster, een missie uit te voeren op Franse bodem en daar zo nodig de martelaarsdood te sterven. Men vindt haar ‘geschift’. De tot op het bot vermagerde, sterk bijziende en zieke Weil kan naar de opdracht fluiten. Meer dan de andere filosofes heeft Weil al voor die tijd een grote transformatie doorgemaakt: ze is aangeraakt door het geloof. Naastenliefde heeft de plaats ingenomen van solidariteit. In haar denken komt het lijden centraal te staan: bestaan ís leed.

In 1943 sterft Weil aan tbc en verhongering. De teksten uit haar Cahiers zullen later door Albert Camus worden bezorgd. Haar laatste maanden in een kliniek wijst ze elke behandeling af en eet ze slechts piepkleine porties, meelijdend met het hongerige volk van haar vaderland. Als de dienstdoende arts haar vraagt wat ze doet in het leven antwoordt ze: ‘Ik ben filosofe en interesseer me voor de mensheid.’