Filosofie voor in de luie stoel

Jostein Gaarder, De wereld van Sofie: Roman over de geschiedenis van de filosofie. Uitgeverij Houtekiet/Fontein, 560 blz., f49,50
Ook volwassenen laten zich tot de ‘real stuff’ verleiden door het filosofische kinderboek van Jostein Gaarder. Tegenwoordig wil immers iedereen de Grote Goochelaar wel recht in de ogen kijken.

DE WEGEN VAN een bestseller zijn ondoorgrondelijk. Drie jaar geleden schreef de Noorse filosofiedocent Jostein Gaarder een jeugdroman over de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte. In Sofies verden (‘verden’ is wereld) maakt een veertienjarig meisje aan de hand van een mysterieuze leraar kennis met het gedachtengoed van onder anderen Socrates, Plato, Thomas van Aquino, Descartes, Spinoza, Locke, Kant, Marx en Sartre. Aan deze gewaagde onderneming gaf de auteur als motto een dichtregel van Goethe mee: 'Wer nicht von dreitausend Jahren sich weiss Rechenschaft zu geben, bleibt im Dunkeln unerfahren, mag von Tag zu Tage leben.’
Het boek vloog de winkels uit, niet alleen naar jeugdige maar ook naar volwassen lezers. Het werd met groot succes in Zweden en Denemarken uitgebracht, maar de zegetocht begon pas echt toen het vorige zomer in Duitsland verscheen. Sinds half april van dit jaar voert Gaarder onafgebroken de fictie-bestsellerlijst in Der Spiegel aan en zo'n driehonderdvijftigduizend Duitsers hebben Sofie’s filosofische zoektocht inmiddels aangeschaft. Vertalingen zijn in de maak voor vele Europese landen, voor Rusland, China en Japan, en de oplage van de Amerikaanse editie is vastgesteld op vijfenzeventigduizend exemplaren. Regelmatig wijzen recensies naar het vergelijkbare succes van Umberto Eco’s De naam van de roos. Bij mij komen herinneringen boven aan Die unendliche Geschichte van Michael Ende (1979), een kinderboek dat de volwassen gemoederen op vergelijkbare wijze beroerde en dat ook antwoorden probeerde aan te dragen op hedendaagse levensvragen. Waar Ende het zocht in de fantasie, zoekt Gaarder het in het denken.
Na de berichtgeving in de Duitse media, die eerder beelden opriep van handelaars op de aandelenbeurs dan van lezers die zich verdiepen in het gedachtengoed van de westerse beschaving, ontving ik de Nederlandstalige uitgave met een mengeling van argwaan en verwachting. De wereld van Sofie is een deftig uitziende pil van vijfhonderdzestig bladzijden, en de eerste zin zou een kinderboek van dertien in een dozijn kunnen inluiden: 'Sofie Amundsen was op weg van school naar huis.’ Daar aangekomen vindt ze een anoniem briefje in de bus - 'Wie ben jij?’ - en ’s avonds ligt er de vraag: 'Waar komt de wereld vandaan?’
DAARMEE BEGINT het meest ongewone boek dat ik in lange tijd heb gelezen. De twee briefjes worden gevolgd door vele andere en vormen een lange Aufforderung zur Gedanke. De zich stukje bij beetje onthullende leraar Alberto Knox acht het vermogen je te verwonderen het enige dat nodig is om een goede filosoof te worden en biedt Sofie zijn filosofiecursus aan 'om je te blijven verbazen en niet afgestompt en onverschillig te raken’. Hij gebruikt het beeld van het universum dat als een konijn uit de hoge hoed wordt getoverd. Naarmate ze volwassen worden, kruipen de meeste mensen comfortabel en steeds dieper weg in de vacht. De filosoof echter probeert naar het uiteinde van de haren te klimmen om de Grote Goochelaar recht in de ogen te kijken. Vooral als de ene denker op de rug van de andere klimt, zullen ze steeds verder uit de vacht te voorschijn kunnen komen. Ook voor kinderen is die rol weggelegd omdat ze nog in staat zijn onbevangen waar te nemen. 'Het is belangrijk om vragen te stellen, maar antwoord geven heeft vaak niet zo'n haast.’
Alberto Knox leidt zijn leerlinge vanaf de presocraten tot aan de existentialisten en beoogt eerder een cultuurhistorisch overzicht dan de geschiedenis van de wijsbegeerte in engere zin. Zo voert hij naast Freud, Darwin en Marx ook Shakespeare, Andersen, Roodkapje, Winnie de Poeh, Alice en Niels Holgersson op en vertelt hij over mythologie, het christendom en de uitvinding van de boekdrukkunst. De geschiedenis van de gedachte noemt hij 'een drama in vele bedrijven’ en Gaarder doet er alles aan om de ideeen van de hoofdrolspelers zo duidelijk en boeiend mogelijk weer te geven. Democritus’ atoomtheorie verklaart hij met behulp van legostenen - de vraag aan Sofie luidt: 'Waarom is lego het meest geniale speelgoed ter wereld?’ - en Aristoteles heet 'een ordelijk Pietje Precies die grote schoonmaak wilde houden in de menselijke begrippen’. De romantici typeert hij als 'de eerste protestbeweging van jongeren in Europa’ en de theorieen van Marx worden ingeleid met een ontmoeting tussen het meisje met de zwavelstokjes en Scrooge. Wanneer Scrooge weigert het meisje financieel te steunen, steekt zij alles in de fik. Daarop roept de oude vrek: 'Help, de rode haan kraait!’
Naarmate Sofie vordert op de weg door de geschiedenis van het wijsgerig denken, gebeurt in haar dagelijks leven steeds meer onbegrijpelijks. In de eerste plaats is er de raadselachtige filosofieleraar die er door Sofie’s moeder van wordt verdacht dat hij haar dochter verleidt met seks of drugs. De hond Hermes die de filosofische post van zijn baas Alberto bestelt, blijkt te kunnen praten en er arriveren voortdurend briefjes van een majoor bij de VN-troepen in Libanon, gericht aan zijn dochter Hilde, precies even oud als Alberto’s leerlinge. Ook slingeren er kledingstukken van deze Hilde in Sofie’s kamer rond.
Halverwege het boek realiseren Sofie en Alberto zich dat ze niet 'echt’ zijn, maar een verzinsel van de majoor, die voor zijn dochter Hilde een boek over de geschiedenis van het menselijk denken schrijft. Tot dit inzicht komen de verhaalfiguren op het moment dat George Berkeley aan de orde is, de Ierse bisschop die de stoffelijke werkelijkheid van de mens in twijfel trok. Vanaf dit punt speelt Gaarder een ingenieus spel met de begrippen realiteit en fictie. Sofie en haar leraar haten de almachtigheid van hun schepper en weten na de laatste filosofieles aan hem te ontsnappen. Ze eindigen in onsterfelijkheid, omringd door Sherlock Holmes, Assepoester, Peter Pan en Pippi Langkous.
De lezer leest over Hilde, die leest over Sofie, die in de winkel een boek vindt met de titel De wereld van Sofie. De Droste-blikjes schemeren een ieder voor de ogen. Wanneer Sofie een verzinsel blijkt te zijn van de majoor, die op zijn beurt is ontsproten aan Jostein Gaarders brein, zou de lezer zelf dan ook niet iemands verzinsel kunnen zijn?
Zo houdt Gaarder zijn publiek bij de les. Eenvoudig is die les zeker niet en wie het boek van a tot z wil lezen, dient over een flinke dosis uithoudingsvermogen te beschikken. De grote verdienste van de auteur is dat zijn lezers op de achtergrond onafgebroken de aanwezigheid voelen van een geboren docent, die is overtuigd van het belang van zijn onderwerp maar tevens begrijpt dat niet ieders prioriteit ligt bij de uitleg van Hegels dialectiek.
DIT BEELD BLIJKT aardig te kloppen wanneer ik Gaarder (1952) spreek: een vriendelijke, jongensachtige man, nog steeds beduusd van het totaal onverwachte succes van zijn boek. Gaarder: 'Ik had De wereld van Sofie nooit kunnen schrijven als ik niet al zo lang les had gegeven. Ik vind het heerlijk om anderen te laten delen in mijn vak. Dat zoveel mensen Sofie lezen blijft raadselachtig. Het is beslist geen boek dat je op een achternamiddag even tot je neemt, want het is omvangrijk en moeilijk, ook al is het gepopulariseerd. Het is bedoeld voor mensen die echt meer over hun afkomst en geschiedenis willen begrijpen. In Noorwegen wordt het boek inmiddels veel door studenten gebruikt: je kunt er tenminste een beetje comfortabel mee onderuit zakken!
Ik was bang dat ik een boek had geschreven dat tussen alle stoelen in zou vallen: geen fictie en geen non-fictie, niet voor kinderen en niet voor volwassenen. Tot mijn verbijstering viel het juist op alle stoelen. Als mensen vragen hoe dat kan, vertel ik een verhaaltje over Newton. Die had een hoefijzer boven de deur hangen. Toen een vriend hem eens vroeg of hij daar echt in geloofde, antwoordde Newton: “Nee, maar ik heb gehoord dat het toch werkt.” Wanneer ik bij jongeren informeer of ze mijn boek helemaal gelezen hebben, geven ze grootmoedig toe dat het wel een beetje ingewikkeld werd toen ze bij Hegel kwamen…
Bijna overal zijn de recensies positief. Voor het oordeel van de filosofen zelf was ik wel benauwd. Hun wereldje is zeer gesloten, ze beschermen zichzelf en elkaar. Ik was bang dat ze jaloers zouden zijn of geirriteerd over zo'n kwajongen die eens even over hun “winkel” zou schrijven. Maar ze waren buitengewoon genereus in hun kritiek, met als belangrijkste punt dat ik dank verdien omdat ik de filosofie op straat breng. Er is wel wat detailkritiek geweest en een Deense filosoof die in Oxford werkt, had aanmerkingen op mijn presentatie van Aristoteles en Kant. Zoiets is heel goed mogelijk, want ik ben geen expert, maar mijn werkelijk geleerde Noorse vrienden verzekerden me dat het een kwestie van interpretatie is. Als ik geweten had dat dit boek in 22 talen vertaald zou gaan worden, had ik geen letter op papier kunnen krijgen!’
Gaarder begon zijn schrijversloopbaan toen hij net twintig was, met een roman waar geen uitgever brood in zag. Wel succesvol waren zijn schoolboeken over religie en ethiek, waarvan dat over godsdienst en geloof nog steeds het meest gebruikte boek is binnen het Noorse onderwijs. In 1986 vormde een bundel verhalen zijn literaire debuut. Daarna volgden twee surrealistisch getinte kinderboeken. Het eerste echte succes kwam met Kabalmysteriet ('Het geheim van de kaarten’, hier niet vertaald), dat drie jeugdliteraire prijzen in de wacht sleepte. Een jongen reist met zijn vader door Europa, op zoek naar zijn verdwenen moeder. Verhaal in het verhaal is dat van een zeeman die schipbreuk leidt en 52 jaar lang als Robinson op een onbewoond eiland zit, met als enig gezelschap een pak speelkaarten. Die kaarten komen tot leven, bouwen een huis en rommelen maar wat aan, zonder ooit de vraag te stellen wie ze zijn en waar ze vandaan komen. Alleen de joker doet dat. Hij is de belichaming van de menselijke nieuwsgierigheid. De vader is een vergelijkbare figuur, op een onacademisch niveau geinteresseerd in filosofische vraagstukken, waarover hij praat met zijn zoon.
Volgens de auteur is dat boek een filosofisch verhaal en geen verhaal over filosofie, maar het vormde wel de opmaat voor De wereld van Sofie. Gaarder stelde zich voor hoe de dertienjarige hoofdpersoon uit zijn speelkaartenverhaal naar de bibliotheek zou gaan voor een boek over wijsbegeerte. 'De bibliothecaris zou waarschijnlijk zeggen dat hij daar nog te jong voor was en hem met een werkje over dinosaurussen naar huis sturen. Bovendien wist ik uit mijn onderwijspraktijk dat zo'n boek niet bestond. Zo rijpte het plan voor Sofie. Mijn eerste opzet was puur informatief. Ik weet nog precies dat ik begon met de zin: “Mensen hebben zichzelf altijd vragen over hun bestaan gesteld.” Het bleek slaapverwekkend om de docent te spelen die achter zijn katheder de geschiedenis van de filosofie uiteenzet. Ik heb alles weggegooid. Pas toen ik het idee voor een verhaal kreeg, begon het te werken. Het was wezenlijk dat ik een ander dan mijzelf als leraar kon gebruiken en dat alle belangrijke filosofische kwesties moesten worden gezien door de ogen van een jong meisje.
Je hebt gelijk dat Sofie een onwaarschijnlijk leergierig en braaf meisje is, maar ze functioneert om te beginnen als in de klassieke filosofische tweespraken van bijvoorbeeld Plato. Daarin is de leraar aan het woord en de leerling zegt slechts: “Ja - dank u - een voorbeeld alstublieft” of “nu begrijp ik het”. Verder is Sofie ook werkelijk “onecht”, want ze is een verzinsel van Hilde’s vader, de majoor. Ik ben gefascineerd door het feit dat alle fictie afkomstig is uit iemands verbeelding. In De wereld van Sofie is Hilde’s vader een echte figuur; de lezer krijgt hem nauwelijks te zien, maar weet toch veel over hem via Sofie’s verhaal, dat hij voor zijn dochter opschrijft.’
De auteur verklaart de enorme weerklank van zijn boek primair uit het voor hem vaststaande feit dat mensen van nature geinteresseerd zijn in existentiele vraagstukken, maar er een beetje schichtig op reageren: zo moeilijk, niks voor mij. Nu krijgen ze de gelegenheid er op een toegankelijk niveau over te lezen. Verder is in de stroom van New Age-geschriften het verzadigingspunt wel bereikt. Hier wordt Gaarder, precies als in zijn boek, emotioneel en fel: 'Ik zie die beweging als een soort filosofische pornografie, als instant-filosofie. Veel van dat alternatieve gedoe heeft even weinig met filosofie te maken als pornografie met liefde. Voordat je je tot de alternatieve denkwijzen wendt, zou je in elk geval iets moeten weten over de echte denkers.
Ik ben ervan overtuigd dat er op dit moment een renaissance van de wijsbegeerte op gang komt. Sofie brengt mensen tot de real stuff: het lezen van Plato, Heidegger, Wittgenstein. Het wordt steeds wezenlijker om iets gemeenschappelijks in de geschiedenis te herkennen, om te beseffen dat je een onderdeel vormt van een grotere traditie. Hoe onduidelijker het wordt waar we heen gaan, des te belangrijker is het om te weten waar we vandaan komen. Als ik me alleen maar zou kunnen identificeren met mijn eigen leven, zou ik een mens zonder hoop zijn, want op een dag ga ik dood en is het voorbij.
Tegenwoordig zijn we gefixeerd op wat we hebben, op wat we doen en op onze positie in de maatschappij, maar we zijn niet erg goed in het gewoon maar zijn. Filosofie kan daarbij helpen. Naar aanleiding van incest zijn we een eind op weg om jonge mensen duidelijk te maken dat niemand iets met hun lichaam mag doen wat ze niet zelf willen. Ik denk dat hetzelfde geldt op het gebied van de geest: dit is jouw geest, je hebt hier een eigen denkplaats. Zelfs al verlies je je werk, je auto en je geliefde, dan nog hoef je niet aan de drank of de drugs te raken. Dan nog hoef je er geen eind aan te maken. Wie zich bezighoudt met denken, bezit iets dat niemand hem kan afnemen. Zo had Diogenes op het aanbod van Alexander de Grote zijn grootste wens voor hem te vervullen geen andere vraag dan: “Ga alleen een beetje opzij, zodat ik weer in de zon zit.” ’
'TOCH IS FILOSOFIE niet alleen een zaak van de hersens maar ook van het gevoel. Sofie windt zich niet voor niets op over al die geleerde mannen die het allemaal zo knap hebben uitgedacht, en ze vraagt zich af waarom het niet over liefde en geboorte gaat, de werkelijke mysteries van het leven.
Toen ik ging studeren was de doorsneefilosofiestudent iemand die nooit een vriendinnetje had, die Heidegger las, academisch jargon gebruikte en buitengewoon geleerd deed. Hij ontwikkelde een indrukwekkend soort gewei om zijn mannelijkheid te demonstreren. Op het moment neemt het aantal vrouwen in de filosofie toe, en dat heeft het gebied meer in contact gebracht met het werkelijke leven. Vaak zijn vrouwen beter in staat iets of iemand te begrijpen. Dat is onderdeel van de filosofische houding, kunnen zeggen dat je niet veel weet, zoals Socrates. Voor mannen is het meestal belangrijker om begrepen te worden.’
Gaarder krijgt stapels post van lezers. Zeven grootmoeders, die elke week een hoofdstuk lezen en daar dan met elkaar over discussieren, schreven dat ze ontzettend graag zo'n boek hadden willen lezen toen ze jong waren. Exemplarisch voor wat de meeste jongeren schrijven, is de brief van dit meisje: 'Dank u voor het boek. Vroeger voelde ik me vaak zo eigenaardig, misplaatst, vervreemd. Ik vond mijn lichaam en mijn gezicht raar, vond mijn ouders vreemd en dacht altijd maar weer, wat is dit voor een mens? Nu begrijp ik dat ik niet gek ben, dat deze vragen van alle tijden zijn en dat ze zelfs een naam hebben: filosofie.’