Filosofische roddel

Denis Diderot, Brieven aan Sophie. Vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door Anneke Brassinga. Uitg. de Arbeiderspers (Privedomein), 746 blz., f120,-
TOEN DENIS DIDEROT in 1713 geboren werd, in Langres, was Voltaire negentien en Rousseau een jaar oud. Ten aanzien van de alomtegenwoordige Voltaire pendelden zijn gevoelens tussen bewondering en irritatie - hij besloot een passage over ‘de oude vos’ met deze dodelijke opmerking: ‘Hoe hij ook zijn best doet en anderen omlaaghaalt, er zijn in ons land altijd wel een stuk of tien mensen die met kop en schouders boven hem uitsteken zonder op hun tenen te hoeven staan. Hij is in alles wat hij doet de op een na beste.’

Diderot hield niet van helden, ook niet van helden van de geest. Met Rousseau was hij eng bevriend, maar deze voelde zich zo persoonlijk aangesproken door een opmerking in een toneelstuk van Diderot, Le fils naturel, dat hij er een vriendschap van zestien jaar om verbrak. ‘Een goed mens leeft in de gemeenschap, alleen een booswicht zoekt de eenzaamheid’, zo luidde de zin - voor Diderot een devies waarnaar hij zijn hele leven en denken richtte.
Het is een merkwaardig te bedenken dat zijn tijdgenoten, inclusief zijn naasten, maar een fractie wisten van wat wij van Diderot (kunnen) weten. Men kende hem vooral als organisator van de Encyclopedie (1751-1765) en als toneelschrijver. Hij stond veel minder in aanzien dan Voltaire of Rousseau. Dat scheen hem nauwelijks te deren, ook niet dat zijn grote werken - La religieuse (1760), Jacques le Fataliste (1773) en Le neveu de Rameau (1762-1779) - bij zijn leven niet in druk verschenen. De drukgeschiedenis van Diderots werk is een verhaal op zich: het meeste is pas later, veel later uitgegeven, soms pas halverwege onze eeuw. In elk geval kende men hem in zijn eigen tijd niet als criticus en romancier; de literatuur is hij via het buitenland binnengekomen, dank zij Schiller en Goethe, in Frankrijk pas in 1830 door de editie van Paulin.
ALS SCHRIJVER EN filosoof zou hij per generatie een gedaanteverandering ondergaan, telkens worden herlezen in het licht van anderen. Het is dan ook geen toeval dat de Brieven aan Sophie pas in 1830 werden ontdekt, toen de correspondentie vanwege de 'ontboezemingen’ van het gemoedsleven goed aansloot bij de smaak van de romantici. Maar wat toen tot een cultus van het gevoel was uitgegroeid, was zo'n zeventig jaar daarvoor volstrekt nieuw. Niet dat de salons waar Diderot zich graag ophield, niet ook gonsden van galanterieen, hartekreten en andere zieleroerselen, maar die gevoelsuitingen bleven hoofdzakelijk buitenkant: men nam als het ware deel aan een collectief gevoel; over de binnenkant had men het niet, de buitenkant was de binnenkant, zoals de liefdesbrief de liefde was.
Er is een brief van Diderot, van 14 juli 1762, die gerust een datum in de geschiedenis van het gevoel mag heten. Misschien is alleen Montaigne hem daarin voorgegaan, als Diderot schrijft: 'Mijn brieven zijn een vrij precies verslag van mijn leven. Ongemerkt doe ik wat ik altijd al wilde. Wat is het vreemd, zei ik dan, dat een astronoom dertig jaar van zijn leven hoog in een sterrenwacht zit en dag en nacht zijn oog aan een telescoop drukt louter om de baan van een ster te bepalen, terwijl niemand zich verdiept in zichzelf, niemand de moed heeft ons precies verslag uit te brengen van al zijn gedachten, van alle roerselen van zijn hart, van al zijn lijden, al zijn vreugden.’ Let op het woord 'ons’ - het gaat hier niet om een dagboek maar om een studie van de inwendige mens met de bedoeling daarvan aan anderen verslag uit te brengen. Daarbij gaat het niet om gevoelens die men met elkaar deelt, dus niet om de gemene deler, maar juist om het persoonlijke verschil. 'Ah, melieve, liefde en vriendschap zijn voor mij iets anders dan voor anderen.’ Zo besluit hij een passage waarin hij zijn verre geliefde wat plagerig te verstaan geeft dat zij goedbeschouwd weinig van zijn gevoelens weet.
Hoe licht van toon ook, hoe luchthartig vaak de onderwerpen en hoe onbekommerd ook het verslag van het gezelschapsspel waarin hij zijn verschillende rollen speelt, je hoeft alleen maar deze bewuste brief van juli 1762 te lezen, de eerste van 33 brieven die alleen al uit een periode van vijf maanden bewaard zijn gebleven - een drukke corrspondentieperiode omdat Sophie al die tijd met haar moeder in hun kasteel buiten verblijft - en het is duidelijk dat de brieven op meer dan een manier deel uitmaakten van een strategie. Hij gebruikte ze allereerst om stukje bij beetje een zelfportret samen te stellen, ongetwijfeld met het oog op de geadresseerde gestileerd zonder nochtans het spiegelbeeld van een ijdeltuit te worden.
Opvallend is bijvoorbeeld dat hij al die jaren, vanaf 1759 (vier jaar nadat hij haar had leren kennen, hij was toen al twaalf jaar getrouwd), nauwelijks over zijn eigen literaire werk schrijft. Hij toont zich herhaaldelijk in de rol van vredestichter in allerlei, vooral amoureuze, verwikkelingen, al krijg je de indruk dat hij daar af en toe zelf aardig de hand in heeft, zoal niet als betrokkene dan toch zeker als overbriever.
Tot de strategie behoort ook dat hij Sophie, die door haar moeder, ook al is ze in de veertig, van hem wordt weggehouden, fysiek bij zich wil halen door haar zo plastisch mogelijk te vertellen over de ruimte waarin hij leeft. Geen onderwerp waarin hij Sophie niet als een gelijkwaardige gesprekspartner behandelt, en dat in weerwil van zijn stellige ideeen over vrouwen in het algemeen ('vrouwen lijken alleen geschapen voor het genot’).
Sophies brieven mogen dan om wat voor reden ook verloren zijn gegaan, Diderot betrekt haar voortdurend in zijn brieven. Soms gaat hij zelfs regel voor regel op haar brieven in, zodat je een levendig beeld van alle betrokkenen krijgt, ook van haar.
HET BRIEFVERKEER is zelf al een ingewikkeld ritueel. Zo begint een brief als volgt: 'Hoe kan het dat ik zojuist uw zevende brief ontvang, terwijl u pas de vierde hebt van de negen die ik u geschreven heb, deze incluis? Maar ach, laat de post zijn gang gaan. Hij gaat toch nooit zo vlug als onze liefde wil. Verliefden willen de hele wereld naar hun hand zetten.’
Waren de verliefden ook daadwerkelijk geliefden? Het zou wel eens kunnen dat Diderot zo verzot was op heftige passies, dat hij zijn rol van heftige minnaar vele jaren op papier met verve bleef spelen, omdat ze elkaar bar weinig zagen. Hij was bovendien de eerste om sceptisch te zijn over de duurzaamheid van de grote liefde, juist als die in grote woorden werd gehuld. 'Maar al te vaak zien mensen hun hoofd voor hun hart aan.’
De brieven wekken bovendien de indruk dat Diderot in de praktijk veel meer voor de vriendschap voelde. Lees maar met hoeveel liefde hij over zijn jarenlange vriend Grimm schrijft, over zijn gastvrouw, de echtgenote van baron d'Holbach, in wiens buiten hij vele malen langdurig te gast is, en hoe treurig hij is over de breuk met Rousseau. Hij moet een ideale vriend zijn geweest, wiens ruimhartigheid en bereidheid tot (weder)diensten onuitputtelijk lijken. Ook deze brieven zijn van een ongelooflijke gulheid, zoals hij voor zijn briefgenote niet alleen de prachtigste verhalen en roddels, maar ook gedachten en gevoelens uitspreidt. 'Ik lees mensen zoals ik boeken lees’, schrijft hij in 1767, 'en onthoud alleen wat ik de moeite waard acht om te weten en na te volgen.’
IN DE BRIEF van juli 1762, die je als een scharnier in de hele correspondentie kunt beschouwen, vindt nog een andere verschuiving plaats wanneer hij opmerkt dat hij voortaan 'niet meer onder ons spreekt’. Inderdaad, Sophies jongere zus leest mee, en tot Diderots strategie mag je eveneens rekenen dat hij de aanwezigheid van een derde geregeld in het spel betrekt - in erotische zin, het heeft er alle schijn van, maar zeker op het intellectuele vlak. Ook de briefwisseling wordt theater, waarin de schrijver zichzelf ten tonele voert maar ook zijn denken en voelen in scene zet, een voortzetting of zelfs verdubbeling van het spirituele gezelschapsspel van de vrijdenkers waarover hij aan de twee zusters (en hun moeder luistert mee) vertelt.
'Een gesprek is iets wonderlijks’, schrijft hij, 'vooral in een wat groter gezelschap. Ziet u maar wat een kronkelpaden we hebben gevolgd, net zo grillig en verward als de koortsdromen van een ijlende zieke. Maar toch, zoals alles samenhangt in de geest van een dromer of een gek, ook in een gesprek is alles met elkaar verweven…’ Net zoals in een brief - ook dat beoogt de strategie in de briefwisseling: ideeen ontstaan door uitwisseling van gedachten, en uit een vederlicht verhaal kan een solide gedachte ontstaan, mits de spelers in het gesprek hun gedachten en gevoelens de vrije loop laten.
Dat is wat Diderot onder filosoferen verstaat: denken in het wild, vooral puttend uit ervaring; en het gesprek, ook het schriftelijke, is bedoeld om de waarheid uit de gesprekspartner te voorschijn te lokken, zonder dat die waarheid in een definitieve vorm hoeft te worden vastgelegd. En deze filosoof weet dat alles ook nog eens te verwoorden in een stijl zo licht alsof hij altijd vliegt, waarvoor de vertaalster Anneke Brassinga zo'n dansend Nederlands heeft gevonden dat je zou denken dat de brieven niet ruim twee eeuwen geleden maar nu geschreven zijn.
Hoe veel levendiger geest is deze filosoof van de salontafel nu in vergelijking met de destijds zoveel beroemdere Voltaire en Rousseau.