Filosofische schelmenroman over de speelruimte van het lot

Lot, list, toeval en berekening

Denis Diderot

Jacques de fatalist en zijn meester

Vertaald door Martin de Haan

Athenaeum-Polak & Van Gennep,

300 blz., € 32,50

Hoewel de titel «Jacques de fatalist en zijn meester» thuishoort in het rijtje Heer en knecht (Hegel), Don Quichot en Sancho Panza (Cervantes), Herr Puntila und sein Knecht Matti (Brecht) en Herr und Hund (Mann), springt hij eruit doordat de bijrijder voorop staat en de stalknecht wél met name genoemd wordt maar zijn baas niet. De rollen lijken omgekeerd – toch zou de Franse Revolutie pas jaren later beginnen. Jacques is overal tegen, maar een revolu tionair is hij beslist niet, net z omin als Tijl Uilenspiegel, zijn voorganger, die uit de volksboeken. Misschien is het wel allemaal een kwestie van afspraken, als tussen gelijken. Op een gegeven moment (later iets meer over dat moment) meent de meester in een dispuut met zijn knecht een slimme sofistische draai aan het gesprek te geven door te zeggen: «Maar zo geredeneerd hoef ik alleen maar te zorgen dat ik jouw plaats krijg en jij de mijne.» Waarop Jacques zegt dat ze beter kunnen blijven wie ze zijn: gezagsverhoudingen op hun kop gezet geven slechts een herhaling met wisselende bezetting te zien; er zou niets wezenlijks veranderen. Ze konden beter de rest van hun leven benutten om een spreekwoord te maken dat zou luiden: Jacques leidt zijn meester. «We zullen de eersten zijn van wie dat wordt gezegd, maar het zal worden herhaald over duizenden anderen bij wie wij in het niet vallen.»

Als het boek toen gedrukt en gelezen was, zou de zin in bepaalde kringen opzien hebben gebaard. Maar het boek is in 1773 niet gelezen: het is in 1776 in afleveringen gelezen door de twintig in Europa verspreide abonnees van Correspondance littéraire. Een verhaal eruit verscheen in 1785 in een Duitse vertaling van Friedrich Schiller; het verscheen ook als boek eerst in het Duits, in 1792, en pas in 1796, toen de auteur, vooral bekend om zijn werk voor de grote Encyclopédie, al twaalf jaar dood was, werd het in het Frans gepubliceerd. Gelezen werd het pas in de twintigste eeuw.

Overigens moet de Nederlandse lezer van nu maar raden van wanneer het boek is, want dat het niet om een verhaal van onze tijd gaat valt alleen af te lezen aan de markiezen en baronessen die erin voorkomen en de jaartallen achter de naam van de schrijver op de flap: Diderot (1713-1784). Het ontbreken van zelfs maar de geringste informatie of toelichting is alleen goed te praten door te zeggen dat dit nu zo’n boek is waarin de schrijver op alle mogelijke vragen zelf antwoord geeft, al bij voorbaat. Het pikante daaraan is in dit geval dat de gesprekken tussen Jacques en zijn meester en de eindeloze verhalen van vooral de eerste gebed zijn in een kader dat gevormd wordt door de dialoog (lees: monoloog) van schrijver en lezer. De laatste wordt herhaaldelijk door de schrijver, soms nogal bars of anders provocerend, toegesproken. De lezer krijgt daarbij dezelfde rol toebedeeld als de meester ten opzichte van zijn knecht: hij heeft maar te luisteren, hij is alleen in naam de baas.

«Jacques de fatalist», dat weet de flap wel te melden, «heeft alles van een dolgedraaid twintigste-eeuws romanexperiment, behalve de onleesbaarheid.» Diderot had wel weg geweten met zo’n kwezelachtig zinnetje: modern maar met mate. Het zou niet moeilijk zijn de eerste bladzijden zo weer te geven dat de verstandige lezer, al bij voorbaat vermoeid, eieren voor zijn geld zou kiezen. Ja, alles wat meneer Diderot daar opvoert is al eerder vertoond: de lezer wordt vermanend toegesproken, het ene verhaal haalt het andere uit, omslachtiger kan het niet, al die arabesken; er is geen touw aan vast te knopen, niets staat vast en in het ene doosje zit weer een ander duveltje. Om de haverklap weet de schrijver te melden dat hij al naar believen de personages heel andere dingen zou kunnen laten doen. Wat let hem om de meester te laten trouwen met een vrouw die hem zou bedriegen, en om Jacques naar de Antillen in te schepen om hen uiteindelijk op hetzelfde schip naar Frankrijk terug te brengen. «Wat voor vormen zou dit voorval in mijn handen niet aannemen, als ik ineens zin kreeg om u tot wanhoop te drijven!»

Diderot wilde vooral demonstreren dat juist het kunstigste aan de roman niet meer dan kunstjes waren, waarbij hij zijn eigen trucjes handig in de mouw houdt. Op de eerste bladzijden wordt, om het allemaal wat eenvoudiger te maken, meteen al de theologische inzet uit de doeken gedaan. Bij elke nieuwe situatie wijst Jacques naar boven omdat daar op een grote rol geschreven staat hoe het hun verder zal vergaan. God lijkt vervangen door Boven, de sterren, het Lot. Dat van de ene oorzaak en de reeks onafwendbare gevolgen heeft Jacques van zijn vroegere kapitein: elke kogel die uit een geweer komt heeft zijn bestemming. De kogel die voor Jacques bestemd was, zorgde ook dat hij de liefde vond – daarover gaat zijn verhaal, dat hij bij stukjes en beetjes aan zijn meester vertelt, en dat nooit afkomt. De vertelling wordt telkens onderbroken door het lot dat hun reis én de vertelling van hot naar her doet waaien. Zoals de reis van het tweetal geen echt doel heeft – of het moet het reizen zijn – zo komt het liefdesverhaal van Jacques ook nooit uitverteld.

Dat van het Lot had de kapitein weer van Spinoza enzovoort, en Diderot maakt er een running gag van. De ernst van het denken over predestinatie, toeval en vrije wil weerhoudt hem er niet van er een potje van te maken. Breekt men zich immers al niet tweeduizend jaar het hoofd over dit onderwerp? En is alles dat daar boven geschreven staat niet meteen in tweevoud, of in spiegelschrift, geschreven? Zou Jacques de fatalist misschien een kwadratuur van Don Quichot zijn? In het eerste deel werden de belevenissen van de groteske ridder meteen opgetekend; in het tweede deel waren ze al geschreven én vertaald voordat hij ze meemaakte: Don Quichot voerde alleen maar uit wat ge schreven stond, alsof het hem gedicteerd werd. «Terwijl onze twee theologen» – Jacques en zijn meester – «rede twistten zonder het eens te worden, zoals dat kan gebeuren in de theologie, viel de nacht.»

Zie hun silhouet tegen de lichte avondlucht: de lange magere en de ronde ernaast, te paard, dit keer is de dunne de knecht en de dikke de baas, nominaal. Waar gaan ze heen? Wie zijn die twee? Dat zijn nu precies de vragen waar een romanschrijver zich om dient te bekommeren – in die zin is de roman (de uitvinding van de negentiende eeuw) niet meer dan een invuloefening.

De roman die geen roman wil zijn begint aldus: «Hoe hadden ze elkaar ontmoet? Bij toeval, zoals iedereen. Hoe heetten ze? Wat gaat u dat aan? Waar kwamen ze vandaan? Van de dichtstbijzijnde plaats. Waar gingen ze heen? Weet een mens waar hij heen gaat? Wat zeiden ze? De meester zei niets, en Jacques zei dat zijn kapitein zei dat alle goede en slechte dingen die ons hier beneden overkomen, daar boven geschreven staan.»

Jacques en zijn meester zijn tot el kaar veroordeeld. «Al onze ruzies ontstonden tot nu toe», legt de knecht zijn meester uit, «doordat we nog niet uitdrukkelijk tegen elkaar hadden gezegd dat u zich mijn meester zou noemen en ik uw meester zou zijn. Maar dat is nu afgesproken, en we hoeven ons er in het vervolg enkel nog naar te gedragen.» Dat is waarschijnlijk een andere sociale afspraak dan het contrat social dat Rousseau voor ogen stond. Niet voor niets staat er ergens dat Jacques (gelukkig) niet Jean-Jacques was; het hele boek is in zekere zin een polemiek met de filosoof die zozeer in de goedheid van de mens zei te geloven, zo’n beetje als Jacques’ z’n meester. Wanneer Diderot de twee in het begin spottend als twee theologen huns weegs laat gaan, wordt in feite al op de derde pagina afscheid genomen van de religieuze uitleg van het fatalisme: het geloof in de Voorzienigheid en de onderwerping aan Gods wil die tot deemoed, bescheidenheid en vlijt noopt. Jacques, de verteller, je mag aannemen zoals de schrijver, Diderot, gaat ervan uit dat tegen het lot geen kruid gewassen is, maar amuseert zich kostelijk wanneer alles anders loopt dan mensen verwachten. Als eenmaal de noodzaak is erkend, biedt de speling van het lot, de kier tussen noodzaak en toeval, de nodige speelruimte voor op z’n minst genoeglijke vertellingen. Dat is een hoogst serieus spel. De eerste regel ervan is dat niets is wat het lijkt. De rouwstoet met op de kist het wapen van Jacques’ vroegere bevelhebber blijkt een smokkelkaravaan met con tra bande in de kist.

Waarschijnlijk is van groot belang wie in het boek het verhaal vertelt – de grote verhalen komen niet uit de mond van Jacques. Van een andere orde is ook het gemoraliseer achteraf, zoals Diderot het noemt: de nabespreking waarbij iedereen zijn interpretatie op de vertelling loslaat (zoals bij de droom de vertelling en de toelichting belangrijker zijn dan de manifeste inhoud). Het tweetal wordt door het slechte weer langer in een herberg vastgehouden dan de bedoeling was, tijd om eindelijk het liefdesverhaal te vertellen, maar Jacques is niet bij stem en de kletskous van een waardin neemt het maar wat graag van hem over. Zij vertelt het verhaal over de wraakoefening van Madame de la Pommeraye op de markies wiens liefde voor haar tanende is. De gekwetste neemt alle tijd om met behulp van twee aan lager wal geraakte vrouwen, moeder en mooie dochter, een valstrik voor hem uit te zetten. Zij lijkt volledig in haar opzet geslaagd wanneer de markies na de huwelijksnacht getrouwd blijkt met een veile vrouw. Schiller heeft het verhaal uit het boek geplukt en gepubliceerd als Merkwürdiges Beispiel einer weiblichen Rache, maar rekende buiten de waard, die Diderot heet. Zo ook had Madame Pommeraye buiten de waard van het onberekenbare gevoel gerekend – juist omdat zij volkomen gefixeerd was op haar, uit gevoel geboren, plan. De markies vindt het uiteindelijk helemaal niet erg en het arme meisje is maar wat blij met het huwelijk. Hoogst interessant zijn de reacties van het drietal, de waardin en haar toehoorders: Jacques en zijn meester. Het staat er niet expliciet dat het plan faliekant mislukt en waarom. Dankzij een ander verhaal begrijpt de lezer dat dit een voorbeeld is van hoe je het lot en het toeval niet door list en berekening, althans niet volgens een rechtlijnig plan, kunt tegengaan.

De ironie (van het lot) wil dat de markies, die ook in de herberg verblijft, het verhaal van zijn secretaris, een gewezen monnikje, vertelt, dat eigenlijk het verhaal van de slimme abt Hudson is. Hudson had een door het jansenisme volkomen ontregeld klooster weer op poten gezet, met behulp van strenge wetten waaraan hij zelf liever niet gehoorzaamde. Toen zijn tweede leven aan het licht dreigde te komen wist hij degenen die hem zouden ontmaskeren in de luren te leggen. Hij slaagde wel in zijn opzet, en waarom? Omdat hij niet een doel nastreefde zoals Madame, maar iets te verdedigen had, zijn vrijheid; hij reageerde op de situatie, improviseerde en was de be hoeders van de orde daardoor net een slag voor. Dat is nu precies de fatalistische filosofie van Jacques: onderken de noodzaak, accepteer de loop der dingen, want dat stond daar boven ge schreven, maar probeer door de mazen van het net te glippen: «Hij probeerde pijn en verdriet te voorkomen. Hij was voorzichtig, maar had de grootst mo gelijke minachting voor voorzichtigheid.» Net als de sluwe vos van een abt (waarmee meteen een andere voorganger dan Tijl genoemd is) weet Jacques vooral wat hij niet wil, om dat te vermijden is hij voortdurend op zijn qui-vive, terwijl de door haar gevoelens bezeten Pommeray haar doel mist door er lijnrecht op af te gaan.

Ik zei dat aan het boek nauwelijks is af te zien van wanneer het dateert, dat komt ook door de vertaling. En het is geen geringe verdienste van de vertaler, Martin de Haan, dat het lijkt alsof Diderot, toen hij in Holland was in juni van datzelfde jaar 1773, zijn filosofische schelmenroman maar meteen in het Nederlands heeft geschreven.