Fischers hellevaart

Hemelvaartsdag werd een hellevaart voor Joschka Fischer toen hij in Bielefeld zijn Grünen-partijgenoten over de Kosovo-crisis toe moest spreken. ‘Kriegshetzer!’

BIELEFELD - Bielefeld, de parel van het Teutoburgerwoud, is gewijde grond voor Joschka Fischer. In 1995 begon hier zijn victorie, toen hij in een veel gememoreerde redevoering op de oude markt het einde van het tijdperk-Kohl uitriep. Fischer, toen net aangetreden als leider van de Grünen-fractie in de Bondsdag, gaf met zijn Bielefeld-speech van 1995 zijn visitekaartje af: hier klonk, ironisch en scherp, voor het eerst het nieuwe realo-geluid van de Grünen, de partij die klaarstond om samen met de sociaal-democraten de macht in de Bondsrepubliek over te nemen. Bijna twee decennia van christen-democratische overheersing hadden Duitsland economisch en sociaal verlamd, verkondigde Fischer. Onder de aanstaande roodgroene coalitie zouden de ramen worden opengezet. De veel flexibelere economieën van Nederland en Denemarken dienden als het grote voorbeeld. ‘De Denen spelen niet alleen veel beter voetbal dan wij, ze zijn ook beter in arbeidstijdverkorting’, hield hij de Duitsers voor. De nieuwe Grünen namen niet langer genoegen met de comfortabele functie van horzel namens de Duitse tegencultuur. Joschka Fischer, samen met Daniel Cohn-Bendit een van de linkse enfants terribles van de jaren zestig en zeventig, had ook zichzelf danig gehermodelleerd. Niet alleen letterlijk, door via intensieve trainingsprogramma’s ongeveer de helft van zijn gewicht te verliezen, ook politiek had hij een transformatie achter de rug. Rode Joschka, de angry young man van de jaren zestig, had zijn politieke aaibaarheidsfactor ten behoeve van minder door linkse Sturm und Drang voortgestuwde Duitsers danig aangepast. 'De partij moet het me maar vergeven, maar ik ben pas nog op een jubileumfeest van Porsche geweest’, grapte hij. Na enkele jaren te hebben gedraaid als milieuminister in de deelstaat Hessen was hij klaar voor het echte werk. VIER JAAR LATER is Joschka Fischer terug in Bielefeld, niet langer als rebel, maar als Aussenminister en bovendien vice-kanselier van de roodgroene coalitie, het avontuurlijkste politieke experiment in de geschiedenis van de Bondsrepubliek. Zijn naam is inmiddels een begrip geworden. Hij is de man die de Grünen heeft omgevormd tot een politieke machtsfactor. Ondanks het feit dat de Bondsdagverkiezingen van 1998 de Grünen maar één procentje boven de kiesdrempel van 5 procent brachten, zitten de Grünen nu aan de knoppen in de verkeerstoren van de altijd turbulente Duitse politiek. Opgericht in 1980 leek de partij na de eerste euforie weg te zakken in het moeras. De koepelorganisatie voor Duitse dissidenten leek te veel tegengestelde geluiden in zich te herbergen. Het spectrum verliep van proto-nazistische milieufanaten tot nog met een been in het Raf-tijdperk staande stadsguerrilla’s die terstond de omverwerping van het gehele militair-industriële complex verlangden. Partijcongressen veranderden steevast in surrealistische spektakels, een soort mini-Woodstocks, met veel knetterstonede Duitse jeugd en eindeloze debatten over de rechten van dier en plant. Lang leek het erop dat de Grünen waren voorbestemd om in dezelfde schemerzone te verdwijnen als waar ze uit waren voortgekomen. De (zelf?)moord van het ultieme Grünen-paar Petra Kelly en Gert Bastian in 1992 leek een voorschot op dat premature einde. Men mag veilig aannemen dat er zonder Joschka Fischer al helemaal geen Grünen meer in de Bondsdag hadden gezeten. Zijn politieke vernuft en tactisch inzicht trokken de partij uit het slop. Fischer liet zien dat de Grünen bereid waren om politiek vuile handen te maken. Onder zijn regie bekwaamden de Grünen zich in het spel van geven en nemen, eerst op regionaal niveau, daarna landelijk. Critici verweten hem natuurlijk een faustiaanse deal te hebben gemaakt met het Duitse establishment, maar Joschka verzekerde hen dat zijn hart nog altijd op de juiste plek zat. In zijn jongste boek Für einen neuen Gesellschaftsvertrag: Eine politische Antwort auf die globale Revolution, geschreven ter gelegenheid van het 150-jarige jubileum van het Communistisch Manifest van Marx en Engels, waagde Fischer het verleden jaar zelfs onverbloemd te spreken over de 'hoogste actuele boodschap’ van het manifest. 'Met de globalisering van de wereldeconomie en de daarmee gepaard gaande sociale desintegratie koerst de wereld af op een remodernisering van het tweede deel van het Communistisch Manifest, namelijk op een door angst, vertwijfeling en nood gedragen tijdperk van radicalisering van de massa’s in de westerse wereld’, profeteerde Fischer. Door hen te verzekeren dat er achter de façade van bestuurlijke aanpassing nog altijd een revolutionair in hem stak, probeerde de vice-kanselier van Gerhard Schröder kennelijk de radicaal-linkse compartimenten van zijn traditionele aanhang te behoeden voor verdere vervreemding van zijn partij. BATEN DEED het in ieder geval niet. Daarvoor zorgde de oorlog op de Balkan, in gang gezet nadat de roodgroene coalitie nog maar amper achter de regeringstafel had plaatsgenomen. De oude Navo-vijand Fischer is nu de eerste Duitse minister van Buitenlandse Zaken sinds Von Ribbentrop die zijn land aanvoert in een oorlog. Een gerechtvaardigde oorlog, vindt hij zelf, bedoeld om een dictator op de knieën te brengen die anders geheel Europa in het verderf zou kunnen storten. Daarin verschilt hij van mening met zijn inmiddels gewezen collega-minister van Financiën Oscar Lafontaine, ex-voorzitter van de SPD, die getuige diens redevoering van 1 mei 1999 in Saarbrücken niet alleen hals over kop het kabinet-Schröder verliet vanwege zijn ongenoegen over de Europese monetaire politiek van Duisenberg c.s. (hetgeen lange tijd als de officiële verklaring gold), maar ook en vooral omdat hij er geen trek in had deel uit te maken van een kabinet dat Duitsland voor het eerst sinds 1945 weer in een oorlog trok. Lafontaine, die lange tijd zweeg over zijn onverhoedse Ausstieg, verklaarde in Saarbrücken dat de Navo in zijn ogen een onvergeeflijke fout had gemaakt door de VN-Veiligheidsraad niet te raadplegen alvorens over te gaan tot de bombardementen op de Balkan. Lafontaine deelt weliswaar de mening van de rest van zijn ex-collega-ministers dat Milosevic een misdadige politiek voert, maar wijst erop dat ook het Servische volk in de jaren negentig groot onrecht is aangedaan. Lafontaine is van mening dat de roodgroene coalitie zich totaal heeft vergaloppeerd door niet tijdig op de noodrem te trappen. Daarmee liet de roodgroene coalitie zijns inziens een kans liggen om het vraagstuk van al dan niet ondersteuning van de Navo-acties politiek te behandelen. Nadat de ramkoers van de Navo eenmaal was ingezet, begon er in de ogen van Lafontaine een duister tijdsgewricht, waarin de gehele wereldvrede in gevaar wordt gebracht. Het bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado was een krachtige bevestiging van die woorden. De allesoverheersende vraag in de Duitse politiek is nu: wat doen de Grünen? De traditioneel anti-militaristische partij is door Kosovo weer ouderwets verdeeld. En voor dat doel is Joschka Fischer deze Hemelvaartsdag 1999 terug in Bielefeld. In de Seidenstickerhalle moet hij zijn zwaar verdeelde partij terug in het gareel krijgen. Als een zwaard van Damocles hangen de Grünen diverse moties boven het hoofd waarin de onmiddellijke, desnoods eenzijdige stopzetting van de oorlog tegen de Joegoslavische federatie wordt geëist. Al voor de Sondernparteitag van de Grünen begint, wordt duidelijk dat het een gedenkwaardig congres zal worden. Bielefeld verkeert zo'n beetje in staat van beleg. Vijftienhonderd agenten zijn ingezet om de Groene afgevaardigden te beschermen tegen een deel van hun eigen aanhang. Zo'n vijfhonderd demonstranten staan Fischer en de leden van de partijraad op te wachten voor de congreshal. Het zijn archetypische vertegenwoordigers van de tegenbeweging: stadsnomaden, punkers met hanekammen, neo-hippies, maar ook bejaarden en een handjevol Serviërs. Ze zwaaien met posters waar Joschka’s portret met een Hitler-snorretje is verrijkt. 'Joschka Ribbentrop’, staat er onder. Als de Grünen-afgevaardigden bij de Seidenstickerhalle arriveren dalen de verfbommen op hen neer. De demonstranten proberen de ingang te versperren. De politie, passend in het groen, slaat de demonstraties snel uit elkaar. Eenmaal binnengekomen neemt Joschka als eerste plaats achter de conferentietafel. Een golf van boegeroep valt hem ten deel. 'Kriegstreiber’, wordt er gescandeerd, en 'Heuchler’. Een lading stinkbommen maakt de geur in de grote congreshal bijna ondraaglijk. Dan, tot overmaat van ramp, wordt Fischer belaagd door een leeftijdgenoot die hem van dichtbij een verfbom in het gezicht gooit. Joschka ondergaat het bijna lijdzaam. Zijn gezicht is voor de helft bloedrood gekleurd. Later blijkt hij een scheur in het trommelvlies te hebben opgelopen, waar hij in het ziekenhuis voor wordt behandeld. De verfbomgooier wordt door Fischers lijfwachten overmeesterd, maar weer losgelaten als de helft van de zaal luidkeels om zijn vrijlating roept. Verfbommen zijn traditionele strijdwapens van de Grünen. Nieuw is alleen dat ze tegen de eigen partijleden worden ingezet. 'POLITICI IN oorlogstijd klinken allemaal hetzelfde’, zo schreef de grande dame van de Duitse literatuur Christa Wolf onlangs. En inderdaad, zo halverwege zijn lange speech in de Seidenstickerhalle sluipen er in het stemgeluid van Joschka echo’s uit een onaangenaam verleden, toen Duitsland nog heel wat krijgshaftiger was dan nu. De overslaande stem, de geëxalteerde blik, het gehamer op de kansel, de euforische versnelling van de woordenstroom, waar hebben we het eerder gehoord? Tegelijkertijd dwingt hij bewondering af, de fragiele Fischer, de rode verf nog in zijn haar, almaar door orerend tegen een muur van gefluit en boegeroep. Hij vecht niet alleen voor toestemming om door te gaan met de oorlog tegen Milosevic, hij vecht ook voor zijn eigen politieke leven, voor het behoud van de roodgroene coalitie, voor het behoud van de Grünen als politieke machtsfactor in het herenigde Duitsland. 'Ik een Kriegstreiber?’ schreeuwt hij met overslaande stem. 'Jaja, en Milosevic krijgt van jullie zeker de Nobelprijs voor de vrede!’ Hij geeft alles wat hij heeft, de kleine man uit Frankfurt. Denk aan al de mooie dingen die de roodgroene coalitie al heeft bereikt, houdt hij zijn publiek voor. 'Gooi geen knuppel tussen mijn benen.’ Milosevic is niet voor rede vatbaar, schreeuwt hij. 'Ik heb twee uur met die man gesproken, hij wil gewoon niet luisteren!’ Zo vecht hij dapper door, bijna een uur achter elkaar, bijna smekend aan de partijraad om geen motie aan te nemen waarin de stopzetting van de oorlog wordt geëist. Fischer wil niet verder gaan dan een adempauze in de bombardementen, à la Marijke Vos van zusterpartij GroenLinks. Anders, zo dreigt hij, treedt hij af. Mede-strijder Daniel Cohn-Bendit ondersteunt hem. 'Wie het einde van de oorlog wil, moet voor Fischer stemmen’, roept hij de nog immer in staat van totale chaos verkerende zaal toe. 'Wie nu definitieve stopzetting van de bombardementen wil, speelt alleen maar Milosevic in de kaart.’ Ook Rode Dany valt zowel een ovatie als een muur van boegeroep ('Mörder! Mörder!’) ten deel. Maar het compromisvoorstel van Fischer blijkt het aan het eind van de dag toch te hebben gered. Een overwinning van zestig procent. Als de uitslag na een zenuwslopend uurtje van stemmen tellen binnenkomt, vliegen de Grünen-bestuurders achter de conferentietafel elkaar extatisch in de armen. Alleen Joschka geeft geen krimp. Zwijgend kijkt hij voor zich uit, om daarna monter op te veren en zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Beseft hij dat dit weleens het einde van zijn partij kan betekenen? Of denkt hij nu even helemaal niets meer en wil hij alleen maar wegkomen uit de hel die de partijdag voor hem geworden is? Een paar uur later, op de Siegfriedplatz van Bielefeld, komen de verliezers in conclaaf bijeen. Annelie Buntenbach, een van de groene Bondsdagleden die zich het sterkst tegen de Navo hadden gekeerd, likt haar wonden, samen met een paar honderd mede-pacifisten. 'Ik wil niet langer lid zijn van van deze Kriegspartei’, roepen diverse gedesillusioneerde leden achter elkaar. 'Joschka’s machtsinstinct heeft overwonnen’, analyseert een ander. Opgeroepen wordt om verder te gaan met de oude groene partij, de Basis-Grünen. Een lange rij van Grünen-afgevaardigden in gemeenteraden maakt het aftreden bekend, of deelt mede in ieder geval geen deel van het salaris voor hun politieke werk - verplicht volgens de Grünen-statuten - terug te storten in de partijkas. Een meisje doet een emotioneel beroep om toch vooral bij de partij te blijven. 'Een vogel kan alleen maar vliegen met twee vleugels’, zegt ze poëtisch. Hoongelach is haar deel. Dan betreedt een groepje alternatief uitgedoste jonge autonomen het zaaltje, een roedel honden aan de lijn. 'Ik wil jullie even bedanken’, zegt een van hen. 'Vandaag ben ik uit naam van jullie partij door de politie in elkaar geramd. Veel dank daarvoor. Nu weet ik tenminste weer waar we staan.’ Vermoeid benen ze weg, triest en moegestreden. Een pijnlijke stilte maakt zich van de dissidente (ex-)Grünen meester. Op 6 juni aanstaande, bij de volgende partijdag in Dortmund, nemen ze zich voor nog één keer te proberen Joschka uit zijn Navo-droom te helpen. Het zal een hele klus worden.