De reizen van Fjodor de kraai

Fjodor bij het mooiste water

Ik zat al maanden in de kooi die mijn thuis was geworden. Ikzelf ben zwart en moet daarom erg gevloekt hebben met mijn omgeving. De weilanden, de jas van de man die me vervoerde, de tralies van de kooi… Alles was net zo groen als deze plek waar ik thans aan het sterven ben, beste jongen. Inderdaad, we zaten in de maand mei. Het was mei en ik wist niet of mijn vleugels nog de kracht hadden om weg te vliegen als ze me per ongeluk vrijlieten.
Onderweg naar het paleis in Istanbul vroeg iedereen aan de man die me had gevangen en nu richting zuidoosten bracht wat zijn kraai hem dan ging opbrengen. De lange slungel met de naam Jan Pieter gaf telkens hetzelfde antwoord: ‘De lelijke Turkse prinses Binnaz gelooft dat als ze het bloed van dit lelijke beest gaat opdrinken zij dan net zo mooi wordt als de meisjes in Caracas. Je mag zelf bedenken hoeveel ze over heeft voor schoonheid.’
Voor iedere vragensteller had ik een andere waarde. De een repte over een kist met goud, een ander zijn fantasie reikte niet verder dan een zakje met goud. Naarmate de paarden zuidelijker gingen werden de velden geler, de huizen kleiner, de mensen guller en mijn maag voller. Voor het eerst in mijn jonge leven werd ik in de watten gelegd. In Duitsland en Oostenrijk kreeg ik niets. Maar daarna begon het feest. In Belgrado kreeg ik walnoten, in Boedapest gooiden ze verse amandelen in de kooi, in Pristina proefde ik aan de heerlijke gedroogde druiven, in Sofia deed ik me te goed aan hazelnoten. En toen we uiteindelijk in het paleis van prinses Binnaz waren was ik net zo vet als de prinses zelf.
Binnaz was zo lelijk als de nacht. De Schepper had de mensen daar met de Bosporus het mooiste water gegeven en had dat blijkbaar gecompenseerd met de lelijkste prinses die er kon zijn. In Amsterdam had ik lang geoefend in het laten van scheten omdat ik de vrouw die mij het leven ging kosten tenminste op een onaangename geur wilde trakteren. De scheet kwam, niet omdat ik had geoefend, maar omdat ik schrok van de lelijkheid van Binnaz. Ze hoorde mijn scheet en lachte zo hard dat de portretten van haar voorouders aan de muren bewogen. Haar dikke buik wiebelde, haar onevenredige tanden stonden bloot, haar haakneus werd nog langer dan hij al was. Ik liet nog een scheet. Deze was wel een bekroning voor het vele uren oefenen.
O beste jongen, ik wist dat ik weldra zou sterven, maar was wel nog steeds rustig genoeg om in de ogen van Binnaz te zien dat de machtigen van dit land jou, je vader, je opa en de vader van de opa geen lange rust zouden gunnen in het land waar jullie geboren zijn. De ogen van Binnaz zeiden me dat door hebzucht en gekte van de machtigen niet alleen de mensen van hier maar hele volkeren moesten trekken.
De beul die me uit de kooi haalde en een dolk tegen mijn buik drukte hield me boven een kom waar mijn bloed in druppelde. Binnaz verloor zichzelf van vreugde. Het werd zwart voor mijn ogen, door mijn hele lichaam ging een rilling, ik voelde me koud worden, mijn oogkleppen gingen dicht.
De beul had blijkbaar genoeg bloed in de kom. Hij gooide me uit het raam van het paleis. Het was avond, ik hoorde een man zingen die iedereen opriep tot het gebed. De bloemen in de tuin van het paleis roken naar het paradijs. Ik lag onder een boom waarvan ik niet kon zien welke vrucht die gaf. Toen viel er een vijg voor mijn neus. Ik hoorde eerst honden blaffen tegen het water. Daarna viel ik flauw in de tuin van de sultan.