MP leest…

Flagrant staaltje

… altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Hier doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: Sleur is een roofdier van D. Hooijer

Met collega’s had ik het over de boeken die je iedere middelbare scholier gunt, om hem of haar voorgoed een lezer te maken. Achteraf gezien waren wij misschien niet elkaars beste gesprekspartner, want erg van hetzelfde hout gesneden. Wat niet wegneemt dat zij mij op het idee brachten nu ook eindelijk eens wat van D. Hooijer te gaan lezen, en wel haar verhalenbundel Sleur is een roofdier. Ze kreeg er in 2008 de Libris Literatuurprijs voor. Ze is overigens in 2013 overleden, op 74-jarige leeftijd.

Ik vind het een revelatie, deze schrijfster, die met haar tieten én haar baarmoeder schrijft, ongelooflijke kloten heeft en permanent haar pen tussen haar benen doopt. Zo’n schrijfster die zo onaangepast is dat ze zich dacht te moeten schuilhouden achter een geslachtloos pseudoniem. Het zijn de besten, kijk naar A.H. Nijhoff, P.J. Harvey, A.M. Homes, M. Februari, M. Vasalis. Waarom ben ik zelf nooit op dat idee gekomen? Omdat ik een wijf ben, in het diepste van mijn ziel en aan het oppervlak van mijn verschijning. Leef ermee, zeg ik tegen mezelf. Pak die uitdaging op.

Als ik toch nog eens een biografie schrijf, wil ik die van D. Hooijer schrijven. Haar voorkomen en haar proza – ze schijnt overigens ook poëzie te hebben geschreven, onder een weer ander pseudoniem – vloeken met elkaar, maar dat is mijn oppervlakkige wijvenconstatering. De zinnen die ze schrijft, het zijn zachte granaten, ze zijn volkomen helder en toch staan ze strak van rarigheid.

‘Een mens kijkt bij zijn dood terug op een zelfgemaakt leven.’

‘Mijn zaad had niet meer de geur van cantharellen maar van bosgrond, iets van takjes en droge bladeren.’

‘Het woord tut beangstigt me omdat ik voel dat we er niet ver vanaf zitten.’ (Op deze zin volgt een existentiële dialoog over het verschil tussen tut en trut, en over dat een trut heel snel ontstaat.)

Mijn favoriete beginzinnen van een verhaal:

‘Ik heb altijd wel rozen staan van deze of gene, mooie bloemen zijn dat. Maar de seks die daarop volgen moet, vind ik oppervlakkig.’

Waar gaan de verhalen intussen over? Over ongemakken en misverstanden. Waar kleine levens groot in kunnen zijn, en omgekeerd. Dat met die tieten is natuurlijk onzin, maar ik kan alleen andere schrijfsters bedenken die ik in een lijn met haar zie: Mensje van Keulen, Helga Ruebsamen. Ik ben bang dat je voor bepaalde finesses van het bestaan toch die vrouwelijke blik moet hebben, en die dan ook weer lós moet durven laten. Kantelen die hap.

Dat D. Hooijer niet al totaal gelauwerd en sufgecanoniseerd is geworden, ja sorry, maar het lijkt mij een flagrant staaltje van schrijfstersverwaarlozing.