TEJU COLE, OPEN CITY

Flaneur in de stad

Teju Cole, Open City, € 23,75

Vogels hebben lucht, vissen hebben water, en de flaneur, aldus de Franse dichter Charles Baudelaire in 1863, heeft de massa: ‘Het is zijn passie en zijn beroep om één met de massa te worden… om de wereld te zien, in het middelpunt van de wereld te staan, en toch voor de wereld verborgen te blijven.’ Voor Baudelaire was flaneren - doelloos door de stad dwalen, observeren zonder betrokken te raken - de modus operandi van de dichter. Die moest, als 'schilder van het moderne leven’, de essentie van de moderniteit vangen, en weergeven.

In Julius, hoofdpersoon van Teju Cole’s debuutroman Open City, ontmoeten we een hedendaagse flaneur. Niet in Parijs maar in New York - een stad die je, in de reisgidsentaal waarin Boedapest 'het Parijs van Oost-Europa’ is en Beiroet 'het Parijs van het Midden-Oosten’, wel 'het Parijs van de 21ste eeuw’ zou kunnen noemen, en, bovendien, een van de weinige Amerikaanse steden waar je je prima te voet kunt voortbewegen. 'And so when I began to go on evening walks last fall, I found Morningside Heights an easy place from which to set out into the city.’ Zo begint Open City; wat volgt is een verslag van Julius’ wandeljaar. In een meanderend tempo en met wendingen die net zo lukraak lijken als zijn beslissingen om links, rechts, of rechtdoor te gaan, vertelt Julius over de gebouwen, geluiden en mensen die hij onderweg tegenkomt. De oude professor in zijn appartement aan Central Park; de schoenenpoetser in Penn Station; de Libische vluchteling in een detentiecentrum in Queens - de verscheidenheid van hun verhalen reflecteert de 'openheid’ van New York, draaideurstad waar mensen van allerlei pluimage binnenkomen, even blijven, en weer weggaan. Hij luistert aandachtig maar blijft zelf, net als Baudelaire’s schilder van het moderne leven, verborgen: zijn eigen verhaal krijgen we slechts fragmentarisch, via omtrekkende bewegingen en doodlopende sporen, te horen.

Julius is een verteller met de toon van een bekende die je graag op straat tegenkomt, maar wiens beleefde afstandelijkheid een verdere ontwikkeling van de vriendschap tegenhoudt. Hij zit in het laatste jaar van zijn psychiatrieopleiding aan Columbia University en is, ondanks zijn eenzaamheid, huiverig voor mensen die hem willen claimen - zoals de taxichauffeur en de postbeambte die hem 'brother’ noemen. Hij is half Duits, half Nigeriaans, en relatief nieuw in de stad, en omarmt de rol van buitenstaander. Zijn taak is duidelijk: 'I was the listener, the compassionate African who paid attention to the details of someone else’s life and struggle.’ Luisteren, niet meedoen: dat is wat Julius doet - de spanning die dat oplevert vormt een van de draden die de ogenschijnlijk stuurloze roman richting geven.

Een andere draad is de stad. Cole is naast romancier ook fotograaf en kunsthistoricus; hij kan goed kijken en nauwkeurig beschrijven en heeft ook Julius met die vaardigheden uitgerust. Het New York van Open City verschijnt als een serie foto’s, snapshots die een kort moment voor eeuwig bevriezen en waarin elke toevalligheid - de bananenschil op het bankje, het mos op de buitentafel - ertoe doet. (Susan Sontag, wier geest in dit boek rondwaart hoewel ze niet genoemd wordt, vergeleek fotografie ooit met flanerie: 'De fotograaf is een gewapende versie van de eenzame wandelaar die het grootstedelijke inferno onderzoekt, stalkt en doorkruist.’) Julius’ observaties zijn niet altijd even origineel; onvermijdelijk misschien voor een stad die je al honderden keren hebt bewandeld, al was het alleen in films, televisieseries, en boeken. Dat Manhattan een eiland is dat 'zijn rug naar het water heeft gekeerd’ werd bijvoorbeeld ook al opgemerkt door Philip Lopate in zíjn wandelboek Waterfront; de diversiteit van New York ('elke buurt (…) leek van een eigen substantie gemaakt’) is al zo vaak bezongen dat die zinsnede inmiddels het meest wegheeft van een reclameslogan. Maar dit soort gemeenplaatsen vallen vooral op omdat ze uitzonderlijk zijn; over het algemeen wordt hier een New York opgetrokken dat ondanks de miljoenen representaties die ervan bestaan nieuw, mysterieus en spannend aanvoelt. Ook de vele historische eigenaardigheden die Julius, zonder dat het gekunsteld overkomt, aanhaalt, dragen hieraan bij.

Halverwege het boek gaat Julius naar Brussel, ooit een open city maar nu een grimmige plek waar het voortdurend regent en waar autochtonen en allochtonen op gespannen voet met elkaar leven. (Baudelaire had een hekel aan Brussel, vooral vanwege het gebrek aan etalages: 'Wandelen, waar naties met voorstellingsvermogen zo van houden, is onmogelijk in Brussel. Er is niets te zien, en de straten zijn onbruikbaar.’) In een internetcafé ontmoet Julius Farouq, een Marokkaanse immigrant die naar Brussel is gekomen om te promoveren maar die, beschuldigd van plagiaat, gedesillusioneerd de universiteit heeft verlaten.

Het is in de gesprekken tussen Julius en Farouq, twee welbespraakte en belezen buitenstaanders, dat de dichotomie tussen observatie en participatie het best naar voren komt. De idealistische Farouq verdedigt terrorisme na lezing van theoretici als Walter Benjamin en Gilles Deleuze. Julius bewondert Farouqs gedrevenheid maar vreest het geweld waar dit uiteindelijk toe leidt: 'A cancerous violence had eaten into every political idea, had taken over the ideas themselves, and for so many, all that mattered was the willingness to do something’, denkt hij. Alleen wie geen enkel doel meer nastreeft blijft immuun voor deze lokroep van geweld. Maar, vraagt Julius zich af, is dat uiteindelijk niet nog veel erger?
Op deze retorische vraag vormt Julius’ levensverhaal het antwoord. Dit verhaal verschijnt langzaam, als een foto in een donkere kamer die, eenmaal scherp, onomstotelijk bewijs levert. Walter Benjamin schreef ooit dat het pad van de flaneur uiteindelijk altijd in de richting van een misdrijf leidt: voor Julius is het niet anders. Open City is een ideeënroman voor de 21ste eeuw, waarin de vraag wat het betekent om te schrijven en te observeren vanuit verschillende richtingen wordt benaderd. De besluiteloosheid van een generatie wier ideeën zijn gevormd door postmoderne denkers wordt op knappe wijze neergezet en, uiteindelijk, veroordeeld: iedereen is verantwoordelijk, ook de buitenstaander, en ook de flaneur.