Flat white

Waren wij destijds niet bang voor stenen of wielen, waarom zouden we dan nu de iPad vrezen?

Nergens werd in de naoorlogse jaren zoveel gelezen als achter het IJzeren Gordijn. Geen bal op de tv en verder was er ook niet veel te beleven. Ik weet niet of het ooit is onderzocht, maar ik wil het wel geloven. Of het iets zegt over de relatie tussen televisie en literatuur is een ander ding. De jaren zeventig en vroege jaren tachtig, toen de televisie gemeengoed werd en de Tros de belichaming was van het idee dat alleen amusement telt, waren mooie tijden voor de Nederlandse literatuur. De serieuze kranten hadden forse boekenbijlagen, schrijvers mochten soms langer dan drie minuten op tv en het lezen van een literair boek had status. Dat is het verhaal. Ik ken goddank geen literatuur-sociologisch onderzoek dat dit bevestigt, dus het zal wel zo zijn.

Het scherm is van meet af aan beschouwd als iets waar je voorzichtig mee om moet gaan. Philips bracht in 1949 een brochure uit waarin het gevaar wordt beschreven: ‘Als ge eenmaal de knoppen van uw TV toestel hebt omgedraaid, en ge op uw wereldvenster een voetbalreportage, een toneeluitvoering, een cabaret of een spannende film ziet, dan praat ge niet verder met uw vriend. Dan laat ge uw krant rustig op tafel liggen, en als ge tot het zwakke geslacht behoort blijft uw breiwerk stil en verwaarloosd in het mandje liggen.’ Staatssecretaris Cals waarschuwde bij de eerste Nederlandse uitzending in 1951: ‘Wij zullen ervoor moeten zorgen dat de techniek middel blijft en niet een doel wordt op zichzelf, anders zou het de dood van de cultuur betekenen.’

De strijd tegen de televisie is overtuigend verloren, maar inmiddels is er een ander scherm dat de rol van cultuurbedreiger en hersenverweker opeist. Joke Hermsen, in een essay in de NRC: ‘Computers, iPads en smartphones onderscheiden zich van de oude dingen, in dat zij geen besloten ding op zich zijn, maar een medium dat verwijst naar iets buiten het ding: het worldwide web met zijn oneindige informatiestromen, onbegrensde werelden en dus ook onbegrensde mogelijkheden. Het is dit onbegrensde karakter dat ons parten begint te spelen.’

O, die oneindige informatiestromen! Die onbegrensde werelden! En, erger nog: die gekmakende onbegrensde mogelijkheden.

Hermsen bepleit een ‘politiek debat (…) over de juiste maat van digitalisering, zowel op school, als op het werk en thuis’.

Ik doe een voorspelling: dat debat komt er niet.

O, die oneindige informatiestromen! Die onbegrensde werelden!

Ik heb ernstige twijfels bij de beweringen die Hermsen doet. Zijn computers, iPads en telefoons werkelijk zo anders dan boeken, kranten, televisie omdat ‘zij geen besloten ding op zich zijn’ maar verwijzen naar ‘iets buiten het ding’? Ik denk dat tachtig procent van mijn bibliotheek bestaat uit boeken die verwijzen naar andere boeken (die ik dan kocht), of naar historische gebeurtenissen of personen (waarover ik iets ging lezen). Televisie idem, om over kranten en tijdschriften maar te zwijgen. Ik weet niet of er überhaupt door de mens gewrochte ‘dingen’ zijn die besloten op zichzelf zijn.

Alles wat we maken staat in relatie tot de geschiedenis en de buitenwereld. Het verschil tussen gedrukte tekst, televisie en de iPad is vooral dat de aard van de relatie met de wereld buiten het ding nu sneller, en waarschijnlijk effectiever, kan worden vastgesteld en onderzocht. Vorige week nog las ik in de London Review of Books (ik ben niet van de straat) een aardig stuk over de dikke pil die Carl Zimmer schreef over onze fascinatie met DNA en genetica. Nog geen kwartier later had ik dat boek thuis. O, oneindige informatiestromen! O, onbegrensde werelden! Hoe heerlijk.

Ik begrijp Hermsens onrust wel als ik mensen zie die, wandelend of fietsend, naar een scherm turen. Ik snap wat ze bedoelt als ik ergens koffie drink en letterlijk iedereen bezig is met zijn scherm. Maar ik moet dan ook aan Rudy Kousbroek denken die, na lange tijd in Parijs te hebben gewoond, verzuchtte dat in tegenstelling tot Nederland iedereen in het Franse openbaar vervoer zat te lezen. Is dat beter? Omdat het om boeken gaat?

Misschien zijn die mensen in Lebkov wel een e-book aan het lezen terwijl ze hun flat white drinken. Misschien lezen ze de digitale NRC, of grasduinen ze door artikelen in de Frankfurter Allgemeine.

Maar het gaat natuurlijk niet alleen om lezen of niet lezen. Het scherm heeft meer ongewenste bijeffecten. Hermsen: ‘Het is ook een mythe dat we door de digitalisering daadwerkelijk met anderen verbonden zijn. Hoewel de communicatiefrequentie via Facebook, e-mail, Twitter en sms vertienvoudigd is, blijkt uit onderzoek van onder anderen de Britse neuroloog Susan Greenfield dat we minder in staat zijn subtiele, typisch menselijke vormen van empathie en compassie voor anderen te voelen.’

Er is zoveel vaag en grote greep in deze bewering dat ik niet weet waar ik moet beginnen om er iets over te zeggen. Ja, misschien is de communicatiefrequentie vertienvoudigd. Misschien is ze verhonderdvoudigd. Maar wie zegt dat door middel van Facebook, e-mail, Twitter en sms (wie sms’t trouwens nog?) niet heel veel subtiele, typisch menselijke vormen van empathie en compassie worden gedeeld en overgebracht? En waar hebben we het hier over? Gaat dit over één-op-één contact? Over digitale tsunami’s van haat, compassie (ja, ook dat komt voor)?

Ik denk dat Hermsen een oude angst aanboort die op niets is gebaseerd. Ze uit de vrees dat de nieuwe apparaten ‘het onderscheid tussen mens en machine doen vervagen’. Ik geloof daar niet in. Ze horen bij ons, zoals de stok bij de homo erectus. De mens is wat hij uitvindt om klussen te klaren: stokken, stenen, wielen, tv, iPad. Met een stok kun je iemand slaan, met een steen doden en wielen maken auto-ongelukken mogelijk. Het zijn vormen van technologie die evenveel vrees als vreugde hebben opgeroepen. Als het essay van Hermsen iets is, dan een uiting van technologievrees.