Marie Kessels, Het nietigste

Flessenpost

Marie Kessels

Het nietigste

Uitg. De Bezige Bij, 238 p., € 19,50

Het is een vreemde foto die nu al ruim tien jaar de achterflap van de romans van Marie Kessels siert. Al bij haar debuut leek het een foto van lang geleden, uit de kast gehaald omdat de persoon in kwestie zich niet meer wilde of kon laten fotograferen. Omdat ik haar nieuwste werk (ik geloof niet dat het een roman is, het is ook geen verhalenbundel, dus laten we het op het veilige «werk» houden) in drukproefvorm heb gelezen, weet ik niet of er inmiddels een actueler portret van haar is gemaakt. Maar dat zal wel niet. Kessels laat zich liever niet zien. Toen haar vorig jaar de Anna Bijns-prijs werd toegekend, mocht haar redacteur die namens haar in ontvangst nemen. Ook tot het geven van interviews laat ze zich niet verleiden. Het is een houding die aansluit bij haar oeuvre, dat in essentie iets autistisch heeft. Dat heeft niet te maken met de afwezigheid van een lineair verteld verhaal, al wordt die afwezigheid wel steeds groter, voorlopig culminerend in deze verzameling overpeinzingen, Het nietigste getiteld, maar met de naar binnen gerichte blik van de schrijfster. «Echt contact is niet de bedoeling», om met Connie Palmen te spreken.

«Wat doe ik hier. Ik woon hier, ik heb hier mijn bekenden, ik houd hier mijn dwaze dromen warm en ik ben hier bang. Aan het eind van mijn voeten gaapt de afgrond, klotst het drijfzand.» In haar debuutroman Boa (1991) klonk voor het eerst die stem, hartstochtelijk en ingetogen, vervreemdend en alledaags. Toen ging het om een vrouw die zich in haar eentje staande moest zien te houden, met twee geliefden op de achtergrond. In Een sierlijke duik (1993) stonden de intens fysieke gewaarwordingen van een naaktmodel centraal. «Vroeg of laat begint alles samen te spannen om me weg te krijgen, de ruimte, de grond en mijn gloeiende lichaam verbannen me, ieder op zijn eigen manier, er is geen plek meer die me niet verstoot.» De god met gouden ballen (1995) had een mannelijke protagonist die aan kanker leed en een verhouding beleefde met een kioskhoudster. In Ongemakkelijke portretten (1998) werd de tassengek geportretteerd, de boomdeskundige en de krokodillenkenner, en allerlei andere onvermoede types, luchtig en tegelijkertijd monomaan.

Wie Kessels leest, moet bereid zijn tot een afdaling in de krochten van… Ja, van wat? Van gemoedstoestanden, beweegredenen, gewaarwordingen. Maar ook van bezinning op hoe dit alles in woorden uitgedrukt kan worden. In Boa beschrijft ze het verraad dat taal teweeg kan brengen. «Op het laatst maakte het me razend, echt tot dolwordens toe razend, hoe hij hetzelfde woord in de mond nam als ik, een woord dat alles voor mij betekende, voor hem niets. Langzaam maar zeker kreeg ik in de gaten dat hij rustig woorden als passie, eenzaamheid, experiment, risico gebruikte zonder zich met passie, eenzaamheid, experiment, risico in te laten. Het waren niets dan woorden, waarin hij met onvoorstelbaar virtuoos vertoon van waarachtigheid baadde.» Haar werk kan worden beschouwd als een wraakoefening op dit verraad, of een onderzoek naar zuiver, bezield taalgebruik.

In Het nietigste zet de schrijfster dit onderzoek voort, explicieter nog dan voorheen. Waarschijnlijk komen de stukjes in dit boek, waar de verbindende verhaallijn slechts vaag doorheen schemert, het best tot hun recht als ze in kleine porties worden geconsumeerd. Een deel noemt ze «Aantekeningen van een verwilderde (ik)», een ander «Voor een nieuwe mens». De diepere betekenis hiervan ontgaat me, net zoals ik niet onmiddellijk zie waarom het ene deel eindigt waar het andere begint, of het zou de introductie van ene Ligthart moeten zijn. Hij is de enige die bij naam wordt genoemd, en de betrekkingen tot hem vormen een min of meer rode draad in Het nietigste. In het stukje met dezelfde titel beschrijft Kessels het onoplosbare dilemma van het liefdesverlangen: het vervullen of het onvervuld laten. «Eén neukpartij en we nemen geen genoegen meer met een kus.» Het is een vergelijkbaar dilemma als dat tussen spreken en zwijgen.

Aan het zwijgen als levenshouding wijdt Kessels de mooiste passages. Het eerste stuk heet ook «Ik zwijg», en het is een soort beginselverklaring. Het is verleidelijk om die hier integraal op te nemen omdat dit meer zou verklaren dan welke bespreking ook. Een parafrase is meteen een academische exercitie. Toch een poging: de ik-figuur verwoordt de sensatie door een totale verveling te worden bevangen zo gauw het op spreken aankomt. Pas als je zwijgt, komt de werkelijkheid tot leven, als een trillende massa met telkens even oplichtende puntjes waarin je eindeloos kunt ronddolen. Elders noemt ze dit «het naakte bestaan». Haar taak nu is «proberen kleine, de allerkleinste fragmenten van die zo grandioos ontblote en daarna weer verloren werkelijkheid met mijn woorden terug te halen». Het nietigste is het resultaat van die poging. Onvermijdelijk gevolg is een hoge mate aan particulariteit, het uitventen van een soort persoonlijke gekte waar ik persoonlijk niet zo dol op ben. Aardig is dan wel weer dat ook over dit probleem, «De verknochtheid aan zichzelf», Kessels een beschouwing schrijft. Net zoals ze feilloos haar eigen kunst beschrijft onder de titel «Flessenpost». Want dat doet ze in feite: Kessels verstuurt boodschappen in een fles. Het is aan de goede vinder om het papiertje er voorzichtig uit te halen, open te vouwen en de boodschap aandachtig te lezen.