Profiel: Theodor W. Adorno

Flessenpost uit Duitsland

De filosoof Theodor W. Adorno, criticus van de consumptiemaatschappij en oprichter van de Frankfurter Schule, staat opnieuw in de belangstelling. Zijn onlangs uitgegeven lezing uit 1967 over het rechts-radicalisme blijkt bijzonder actueel.

Adorno woont hier niet meer, heet een nieuwe verhalenbundel van de Duitse schrijver Jochen Schimmang. In het weemoedige titelverhaal dwaalt de ik-figuur door het Frankfurt am Main van nu, met zijn indrukwekkend glanzende glazen banktorens, welvaart en torenhoge huizenprijzen, op zoek naar de stad van zijn jeugd. Hij zoekt naar sporen van Frankfurt eind jaren zestig, toen net als in andere Duitse universiteitssteden een militante studentenbeweging in opstand kwam tegen de zittende elites in de Bondsrepubliek en, meer in het algemeen, de oudere generatie. Zij richtten zich luidkeels tegen de compromissen die in het kader van de wederopbouw waren gesloten met Duitslands problematische verleden en, dat vooral, tegen de kapitalistische consumptiemaatschappij die er het resultaat van was.

Sommige oude huizen die de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog overleefden staan er nog steeds in Frankfurt, niet langer als oude krotten gekraakt door studenten, maar voor veel geld verkocht aan de mensen die bij de banken werken. Een vriendelijke mevrouw opent even het hek rondom een complex dure appartementen en plots staat de wandelaar voor het soort aandenken waarnaar hij op zoek is. Het is een gevelsteen met de tekst: ‘Theodor W. Adorno (Frankfurt am Main 11 september 1903 – 6 augustus 1969) woonde vanaf 1949 tot aan zijn dood met zijn vrouw Gretel in dit huis. De socioloog, filosoof, medeoprichter van de “Frankfurter Schule”, directeur van het “Institut für Sozialforschung”, componist en muziekwetenschapper kreeg in 1933 een onderwijsverbod en moest van 1934 tot 1949 in Engelse en Amerikaanse emigratie leven.’

En daaronder staat de bekendste zin gebeiteld uit Adorno’s Minima Moralia, vermoedelijk zijn meest gelezen boek, al was het maar omdat het ook een van zijn meer toegankelijke is: ‘Es gibt kein richtiges Leben im Falschen’ – een juist leven bestaat niet in een vals geheel.

Dat citaat heeft op het eerste gezicht alles van een oproep tot defaitisme, maar dat is niet hoe Adorno het bedoelde. Het is evenmin hoe het citaat werd opgevat door de actie-hongerige studenten van Adorno die hem in de jaren zestig als hun geestelijk leidsman vereerden. Als theoreticus ging hij voor in het verzet tegen de kapitalistische consumptiemaatschappij, waarin het streven naar winst alle andere menselijke strevingen overschaduwde. Zijn hoorcolleges waren zo populair dat de toehoorders ook de trappen van de collegezaal en de ruimte rond het spreekgestoelte vulden.

Adorno was de vader van de ‘kritische theorie’ (door Nederlandse bewonderaars in die tijd meestal als ‘kritiese’ theorie geschreven). De kritische theorie was de specialiteit van het Institut für Sozialforschung, meestal Frankfurter Schule genoemd. Het instituut was in 1923 opgericht als een marxistische ‘thinktank’, in de verwachting dat de Russische revolutie elk moment kon overslaan naar Duitsland en de andere industriestaten. Toen die verwachting niet uitkwam, werd het instituut een wereldwijd bekend platform voor linkse economen, sociologen en psychologie. Na Hitlers machtsovername in 1933 was het instituut door de nazi’s gesloten. In de Verenigde Staten was het heropgericht, om na de oorlog, in 1949, naar Frankfurt terug te keren. Het bestaat nog steeds. De coryfee van nu is de filosoof Jürgen Habermas.

Adorno werd in 1903 in Frankfurt geboren als Theodor Ludwig Wiesengrund. Zijn vader was een katholieke wijnhandelaar van joodse origine. In zijn auteursnaam, Theodor W. Adorno, hanteerde hij de meisjesnaam van zijn moeder, Maria Calvelli-Adorno, die van Corsicaanse komaf was; hij kortte de familienaam van zijn vader in tot ‘W’. Voor vrienden was hij ‘Teddie’. Behalve filosofie studeerde hij ook muziek – in de jaren twintig nam hij in Wenen les bij Alban Berg, op zijn beurt een leerling van Arnold Schönberg. Adorno was zelf ook componist en heeft veel over muziek en andere kunsten geschreven.

Het was vooral als filosoof dat hij de geschiedenis zou ingaan. Vóór 1933 waren aan het Institut für Sozialforschung vele later beroemd geworden namen verbonden: de socioloog-filosoof Max Horkheimer, de filosoof Georg Lukács, de filosoof en essayist Walter Benjamin (met wie Adorno bevriend was), de socioloog Leo Löwenthal en de econoom Friedrich Pollock. Adorno gaf vanaf 1931 college, als lector (Privat-Dozent). Behalve Marx’ kapitalisme-kritiek was ook de psychoanalyse van Freud voor de mannen van het instituut een belangrijke inspiratiebron.

Adorno zag zich, net als de meeste andere medewerkers van het instituut, in 1933 de onderwijsbevoegdheid afgenomen, omdat hij naar nazi-opvattingen een half-jood was. Na een verblijf van enkele jaren in Oxford voegde hij zich bij Horkheimer die, eveneens in ballingschap, het instituut in de Verenigde Staten liet herleven, eerst in New York en later in Zuid-Californië. Ook de kring van Adorno’s bekenden in die zonnige streken leest als een lijstje beroemde Duitsers: Thomas Mann, Bertolt Brecht, Hanns Eisler…

In Amerika werkte Adorno, samen met Horkheimer, aan Dialektik der Aufklärung (Dialectiek van de Verlichting), dat in zijn definitieve vorm in 1947 verscheen bij de Duitse emigranten-uitgeverij Querido in Amsterdam. Dat boek wordt beschouwd als het fundament van de kritische theorie. De auteurs betogen dat de ideeën van de achttiende-eeuwse Verlichting in hun tegendeel zijn ontaard. Het primaat van het verstand zou de mens bevrijden van de knechting van religie en ander magisch denken en hem waardigheid en kritisch zelfbewustzijn schenken. Maar omdat aan de uitkomsten van wetenschap en techniek niet mag worden getwijfeld, zijn zij zelf tot nieuwe mythen geworden, en dragen bij aan de nietsontziende uitbuiting en moorddadigheid van het kapitalistische systeem. ‘Auschwitz’, de wetenschappelijk opgezette uitroeiing van alle joden, is daarvan een sprekend voorbeeld.

Dialektik der Aufklärung maakte ook een andere hoofdlijn in Adorno’s denken duidelijk: zijn verwerping en regelrechte afkeer van de ‘cultuurindustrie’. Daarmee wordt alle min of meer populaire cultuur bedoeld, die Adorno ziet als ‘barbarij’ en als een instrument waarmee de kapitalistische orde de mensen dom wil houden. De lat van ware cultuur ligt hoog voor Adorno: Igor Stravinsky’s Le sacre du printemps bijvoorbeeld wordt door de filosoof als magische kitsch veroordeeld. Slechts kunst die de maatschappelijke verhoudingen kritisch bevraagt, zoals de atonale muziek van Arnold Schönberg of het toneelwerk van Samuel Beckett (met wie Adorno ook al bevriend was), kunnen de toets van zijn kritiek doorstaan.

Onder de filosofen was Adorno de grootste naam die uit de emigratie was teruggekeerd naar de metropool aan de Main, en daar ook bleef. Dat hij als balling part noch deel had gehad aan het nazibewind droeg bij aan zijn rol als representant van een ander, beter Duitsland en idool voor een jongere generatie die op zoek was naar ideologische bevlieging. Sommige andere kopstukken van de Frankfurter Schule waren in de VS gebleven. Herbert Marcuse, auteur van de One Dimensional Man, vierde na de oorlog met zijn kritiek op kapitalisme en conditionering door de media triomfen als ideoloog van de radicale Amerikaanse studenten. Erich Fromm, die overigens formeel niet meer als lid van de Frankfurter Schule gold, had in de VS veel succes met boeken als The Art of Loving, waaruit je de indruk kon krijgen dat ook de vrije ontplooiing van het libido kon gelden als een vorm van strijd tegen de kapitalistische consumptiemaatschappij. Horkheimer gaf na de heroprichting van het instituut al spoedig de voorkeur aan het idyllische Zwitserland als woonplaats.

Het rechts-radicalisme, meent Adorno, is geen richting met een werkelijk maatschappelijk programma, maar slechts ‘geniale propaganda’

Adorno daarentegen was in levenden lijve aanwezig in een stad die voor zichzelf van oudsher een bijzondere rol zag weggelegd voor de Duitse democratie. In Frankfurt was immers in 1848 het eerste democratische parlement van Duitsland bijeengekomen, als uitvloeisel van de revoluties in de talrijke staten en staatjes waaruit Duitsland destijds bestond. Die vergadering stond staatkundige vereniging van de Duitse landen en een constitutionele monarchie voor. Het experiment was van korte duur geweest. De oude machten heroverden die macht snel, met Pruisen als belangrijkste speler. Toen in 1870 de staatkundige eenheid alsnog tot stand werd gebracht, gebeurde dat in de vorm van een autoritair keizerrijk.

Veel inwoners van Frankfurt hadden in 1949, toen onder auspiciën van de westerse geallieerden na 1848 en ‘Weimar’ voor de derde maal een poging werd gedaan om op Duitse bodem een democratische staat te stichten, verwacht dat hun metropool de hoofdstad zou worden van de nieuwe Bondsrepubliek. Maar de gangmakers van de nieuwe staat hadden, na de megalomane ervaringen in Hitlers Derde Rijk, ruimschoots de buik vol van grote gebaren en kozen voor het slaperige provincieplaatsje Bonn als regeringszetel. Frankfurt, van oudsher een handelsstad, kon zich in alle rust ontwikkelen tot het zaken- en financieel centrum van nu. Het is vermoedelijk een van de weinige plaatsen ter wereld waar een monument voor geld is opgericht: een veertien meter hoog, blauw euroteken met twaalf gele sterren staat op het centrale Willy-Brandt-Platz.

Adorno en de hoogtijdagen van de Frankfurter Schule lijken nu bijna tot een andere wereld te behoren, waarin ‘kritiek’ hoger stond aangeschreven dan ‘succes’. Maar sinds vorig jaar is de in 1969 overleden Adorno terug in de belangstelling. Binnen luttele maanden gingen meer dan honderdduizend exemplaren over de toonbank van Aspekte des neuen Rechtsradikalismus, een niet eerder in druk verschenen lezing die Adorno op 6 april 1967 in Wenen hield voor het Verband Sozialistischer Studenten Österreichs. ‘Flessenpost’, constateerde menige opgetogen lezer: de hooggeleerde meester van de kritische theorie doet in deze benarde tijden ons zijn inzicht toekomen.

De behoefte aan zo’n geluid is duidelijk. Tot niet geringe verbijstering van burgerlijke democraten van links en rechts heeft rechts-radicalisme in Duitsland de kop weer opgestoken en is sterker dan het sinds 1945 ooit geweest is. De AfD (Alternative für Deutschland) heeft zich ontwikkeld van een rechts-liberale tot een rechts-populistische en deels rechts-extreme partij, die tot in de Bondsdag zetels heeft behaald. In het kielzog van die AfD roert zich een bonte verzameling rechts-extremistische groepen en groepjes, om nog maar te zwijgen over degenen die aanslagen plegen op buitenlanders, joden en politici die het voor die bevolkingsgroepen opnemen.

Die ontwikkeling is een zware slag voor wie gehoopt had dat na de nazitijd nooit meer rechts-extremisme of fascisme van Duitse bodem zouden uitgaan. Historische parallellen liggen voor het oprapen, zoals onlangs in de bondsstaat Thüringen, waar een minister-president dreigde aan te treden met steun van de AfD, om wie de gevestigde partijen tot nu toe een ‘cordon sanitaire’ in acht nemen. Onmiddellijk werden vergelijkingen getrokken met de manier waarop in 1933 de democratische Weimarrepubliek aan haar einde kwam. Burgerlijk-rechtse partijen gunden Hitler toen het rijkskanselierschap in de verwachting dat het pact met diensnsdap, een minderheidspartij, tijdelijk zou zijn en ze na een tijdje wel weer van die rare kwast met het snorretje af zouden zijn.

Aan het begin van Aspekte des neuen Rechtsradikalismus waarschuwt Adorno niet in ‘historische analogieën’ te denken. Zijn lezing gaat over de npd (Nationaldemokratische Partei Deutschlands), een in 1964 opgerichte extreem-rechtse partij die er in de jaren zestig in slaagde zetels te winnen in een aantal regionale parlementen in de bondslanden, soms met bijna tien procent van de stemmen. Het was eigenlijk de eerste keer in het naoorlogse Duitsland dat er weer een extreem-rechtse partij van enige betekenis opkwam. Het door de npd gehanteerde jargon en de doelstellingen wekten onaangename reminiscenties aan het nationaal-socialisme, bijvoorbeeld door het gebruik van de term ‘volks’ en de afwijzing van de naoorlogse Duitse grenzen.

Er waren in Duitsland destijds nog beduidend meer ex-nazi’s in leven dan nu, die niet ongevoelig waren voor het van npd-zijde naar voren gebrachte denkbeeld dat het nazibewind ‘ook zijn goede kanten had gehad’. In tegenstelling tot de AfD van nu is de npd, die nog bestaat als kleine splintergroepering, er overigens nooit in geslaagd zetels te winnen in de landelijke Bondsdag.

Adorno toont zich in zijn lezing in het geheel niet verbaasd over het opduiken van een rechts-radicale beweging. De maatschappelijke voorwaarden voor het fascisme bestaan immers nog, meent hij. Zoals de ‘concentratietendens’ bij het kapitaal, en het maatschappelijk-economisch afglijden van groeperingen die zichzelf nog zien als ‘burgerlijk’ (middenklasse, zou je nu misschien zeggen). Die richten hun haat niet tegen het kapitaal, maar tegen groeperingen die kritisch staan tegenover het systeem waarin ze zelf ‘status’ bezaten – tegen ‘links’ dus.

Sommige elementen van Adorno’s analyse zijn door de tijd ingehaald. Zo meent hij dat de opkomst van de npd mede wordt veroorzaakt door angst voor het Oostblok, en dat de Duitsers nooit radicaal hebben gebroken met de ‘identificatie’ met het fascisme terwijl dat in Italië zo prachtig gelukt is. Hij ziet ‘anti-Amerikanisme’ als een belangrijke voedingsbodem voor rechts-radicale gevoelens en meent dat deeeg een list is van het kapitaal om de broodnodige collectivisering van de Duitse landbouw tegen te houden. De hooggeleerde blijkt bepaald een broertje dood te hebben aan het Franse ‘existentialisme’, dat het intellectuele klimaat ‘heeft vergiftigd’ en zo de weg zou hebben geopend naar rechts-radicale aanvallen op echte ‘dragers van de geest’, en naar anti-intellectualisme. Sartre moet ervan hebben opgekeken.

Verrassend veel in Adorno’s lezing laat zich echter lezen als commentaar op hedendaagse toestanden. Zo signaleert hij dat de rechts-radicalen weliswaar de mond vol hebben van ‘de natie’, maar inmiddels donders goed weten dat het nationalistische repertoire anachronistisch en versleten is. Adorno wijst ook op het door rechts-radicalen met graagte opgeroepen beeld van een soort eindtijd van ‘sociale catastrofe’. Typerend voor rechts-radicalisme is verder de pretentie dat men spreekt uit naam van een grote aanhang, zo niet iedereen, terwijl het in werkelijkheid gaat om een minderheid, of zelfs een verzameling ‘Einzelgänger’, eenlingen.

Het rechts-radicalisme, meent Adorno, is geen richting met een werkelijk maatschappelijk programma, maar slechts ‘geniale propaganda’. Zo is er de gewoonte om suggestief te refereren aan ‘dingen die je niet mag zeggen’ – voor de ‘goede verstaander’ is dan bijvoorbeeld duidelijk dat de spreker vindt dat de jodenvervolging onder Hitler sterk wordt overdreven. In het verlengde daarvan ligt de gedachte dat Duitsland moet ophouden steeds maar excuses aan te bieden voor het verleden en zich daarvoor te schamen, een wens die de AfD met de npd gemeen heeft.

Met feiten staat het rechts-radicalisme op gespannen voet. De beweging streeft naar wat Adorno ‘konkretisme’ noemt: een alternatief geheel van verzonnen, oncontroleerbare feiten. Het heeft weinig zin om het rechts-radicalisme met feitelijke argumenten te bestrijden, en ook moraliseren is vruchteloos, meent hij. Je kunt de rechts-radicaal hoogstens bereiken door hem op zijn concrete belangen te wijzen.

De subtiele denker Adorno zag met lede ogen aan hoe zijn activistische studenten in de jaren zestig radicaliseerden en overgingen tot daden

Voor de ongevoeligheid van de rechts-radicaal voor feiten die niet met zijn standpunt overeenstemmen, heeft Adorno een psychologische, op Freud geënte verklaring. De rechts-radicaal is namelijk een ‘autoritaire persoonlijkheid’ – vertegenwoordiger van een psychologisch type dat star vasthoudt aan geloof in autoriteit, onderworpenheid, een destructieve instelling en cynisme. Dit type wordt witheet wanneer er geprobeerd wordt zijn onbewuste neigingen, die meestal op de jeugd terug te voeren zijn, naar het niveau van het bewustzijn te tillen. Adorno grijpt hier terug op het in 1950 verschenen The Authoritarian Personality, een collectief werk van de Frankfurter Schule waarvoor in 1945, nog in de VS, empirisch onderzoek was verricht.

Adorno geldt als een moeilijke auteur. Dialektik der Aufklärung is geen lectuur voor een warme zomernamiddag en hetzelfde geldt voor het boek dat hij zelf als zijn hoofdwerk beschouwde: Negative Dialektik uit 1966. In Dialektik der Aufklärung had hij met zijn leermeester Horkheimer al geconstateerd dat de positivistische wetenschap ten onrechte haar uitkomsten als onomstotelijke feiten presenteerde. In Negative Dialektik ontkent Adorno dat begrippen identiek zijn met de zaken die zij aanduiden. De ruimte tussen begrip en zaak is het werkterrein van de kritische theorie, die de bestaande orde ter discussie stelt. Oftewel, in de woorden van de meester zelf: ‘Het gaat hier om het ontwerp van een filosofie, die niet uitgaat van het identieke karakter van Zijn en Denken en deze ook niet vastlegt, maar precies het tegendeel doet, dat wil zeggen het begrip en de zaak, het subject en het object, van elkaar scheidt en hun onderlinge onverzoendheid tot uitdrukking wil brengen.’

De vrees lijkt gewettigd dat de opstandige studenten die in de jaren zestig aan Adorno’s lippen hingen misschien niet in de eerste plaats gecharmeerd waren van diens wijsgerige finesses, of de manier waarop Adorno de strijd aanging met de filosofische nalatenschap van Friedrich Hegel. De kritische theorie was voor hen toch vooral een hoogstaand vaandel waaronder je maatschappelijke en politieke misstanden te lijf kon gaan.

Het schijnt dat Adorno, vanaf 1957 directeur van het instituut, in de collegezaal een meeslepender spreker was dan zijn in vele delen uitgegeven verzamelde en nagelaten werken soms doen vermoeden. De lezing Aspekte des neuen Rechtsradikalismus bijvoorbeeld is een alleszins toegankelijke tekst. De zo goed verkochte brochure van vorig jaar was trouwens een voorpublicatie uit een zojuist verschenen nieuwe bundel met 24 nooit eerder in druk verschenen teksten van Adorno. Het zijn meestal lezingen waarvan tot nu toe alleen een bandopname of aantekeningen bestonden. De bundel getuigt van Adorno’s brede intellectuele belangstelling: van Proust tot de actualiteit van de sociologie, van de schadelijkheid van bijgeloof tot de compositietechniek van Richard Strauss.

De marxistische Hongaarse filosoof Georg Lukács, die na de oorlog was teruggaan naar zijn geboorteland Hongarije en daar tot aan de inval van de sovjettroepen in 1956 een belangrijke rol speelde in de communistische partij, had de Frankfurter Schule van Adorno al eens smalend ‘Grand Hotel Abgrund’ genoemd: diepe denkers maken studie van het verrotte kapitalisme, maar onthouden zich verder van praktische stappen op weg naar een andere samenleving. Comfortabel gezeten achter een goed glas staren zij met afschuw de afgrond in.

Activistische studenten kwamen in de loop van de jaren zestig vaak tot een soortgelijk oordeel. Kritiese theorie, allemaal mooi en aardig, maar waarom sloot hun professor zich nooit aan bij betogingen tegen de oorlog in Vietnam en andere antikapitalistische acties? De subtiele denker Adorno zag de manier waarop veel van zijn studenten radicaliseerden en tot daden overgingen met lede ogen aan. Hun vulgair-marxistische kreten, hun naïef weglopen met Mao of zelfs met Stalin, het primaat van actie boven het fundamenteel doordenken der dingen – het was hem een gruwel. ‘Ongeduld met de theorie’ noemde hij de houding van de radicale studentenbeweging in een brief aan een vriend.

De confrontatie kwam begin 1969, toen studenten het instituut bezetten en onderwijshervormingen eisten. Directeur Adorno belde de politie en liet het gebouw ontruimen. Er volgden woelige maanden waarin de filosoof, zijn studenten bezwerend dat hij in principe hun verlangens deelde, zich gedwongen zag tijdens college vooral zijn studenten aan het woord te laten. Hij weigerde echter in te gaan op hun wens dat hij een ‘zelfkritiek’ ten beste zou geven, een deemoedige zelfbeschuldiging van het soort dat in Mao’s China in die dagen schering en inslag was.

De weinig verheffende finale was in april 1969. Drie vrouwelijke studenten hadden op het bord van de collegezaal geschreven: ‘Wer nur der liebe Adorno lässt walten, der wird den Kapitalismus ein Leben lang behalten’ (Wie slechts die aardige Adorno zijn gang laat gaan, behoudt een leven lang het kapitalisme). Toen de geleerde achter het spreekgestoelte had plaatsgenomen, omringden de drie hem, ontblootten hun borsten en wierpen rozenblaadjes over zijn hoofd. Geschokt door deze ludiek bedoelde actie probeerde Adorno de aanval af te weren met zijn aktetas en beende vervolgens de gehoorzaal uit, om daarin nimmer meer terug te keren. Een half jaar later overleed hij tijdens een wandeling in de bergen van Zwitserland, waarbij hij te veel van zijn hart had gevergd.

Vergeten is hij niet. ‘Het is wellicht niet te pathetisch te stellen dat Adorno aan “mei ’68” gestorven is – aan het populisme, het sloganeske ongeduld met de geschiedenis, het gebrek aan historisch begrip voor het joodse en intellectuele trauma dat hem helemaal bepaalde: de opstand der horden, de wraak van de middelmaat, zoals hij het brute geweld van de nazistische cultuurslachting omschreef, en ten slotte de ondenkbaarheid van de terugkeer naar de hel, de holocaust; aan de totalitaire sporen die in de gloed van de fanatieke studentenleiders blonken’, schreef Stefan Hertmans in 1997 in De Gids – in de vermoedelijk meest hartstochtelijke ode aan Adorno uit het Nederlands taalgebied. Adorno lezen, meent Hertmans, is ‘een klus van alle tijden’.

Aan de andere kant schuilt er iets gedateerds en ouderwets in Adorno’s pretentie om met één theorie het geheel aan economische, politieke, sociale en zelfs artistieke verschijnselen te beoordelen. De tijd van de ‘Kritik’, het begrip waarmee filosofen sinds Kant, Hegel en Marx de werkelijkheid systematisch te lijf gingen, lijkt een beetje voorbij, merkte de Amerikaanse semioticus Hans Gumbrecht onlangs op. Het kapitalisme staat ook sterker in de schoenen dan Adorno ooit had kunnen verwachten: de kritische geesten van nu willen een ander kapitalisme; het kost grote moeite nog iemand te vinden die fundamenteel een ander systeem, als een andere manier van ‘Zijn’, voorstaat.

Wellicht is nostalgie dus wel een voorname oorzaak van het onverwachte verkoopsucces van Aspekte des neuen Rechtsradikalismus: heimwee naar een tijd waarin de theorie van het gelijk nog op zijn plaats leek te vallen, als één magistrale conceptie voor van alles. Op zoek naar verklaringen voor de hedendaagse opkomst van rechts-radicalisme lijken we echter op onszelf aangewezen. Adorno woont hier niet meer.


Theodor W. Adorno, Aspekte des neuen Rechtsradikalismus: Ein Vortrag, Suhrkamp Verlag, Berlijn 2019. Ook in vertaling: Aspecten van het nieuwe rechts-radicalisme: Een voordracht (vertaling Mark Wildschut), Octavo publicaties, Amsterdam 2019; Theodor W. Adorno, Vorträge 1949-1968, Suhrkamp Verlag, Berlijn 2019; Jochen Schimmang, Adorno wohnt hier nicht mehr: Erzählungen, Edition Nautilus, Hamburg 2019