Flex dura

‘Flexwet kost tienduizenden mensen hun baan’, ‘Flexwet bedreiging voor het betaald voetbal’. De eerste indruk die je krijgt uit deze twee koppen uit de Volkskrant van de afgelopen week, is dat hier te lande wetten nog per decreet van de ene dag op de andere worden ingevoerd. Alsof werkgevers en vakbeweging het niet al ruim twee jaar geleden eens werden over de nieuwe regelingen voor flexwerkers en alsof alle ins en outs van de wet ‘Flexibiliteit en Zekerheid’, zoals de nieuwe Flexwet officieel heet, niet al negen maanden bekend zijn, wist menige werkgever kennelijk niet beter te doen dan vlak voor de kerstdagen nog gauw even al zijn oproep- en uitzendkrachten de deur uit te doen, uit angst van de ene op de andere dag aan die mensen vast te zitten. Zo ontsloeg chipsfabrikant Smith zonder pardon 68 uitzendkrachten.

Verbluffend is ook dat het lijkt alsof werkgevers, die toch al jaren uitzendkrachten over de vloer hebben, ze als het ware voor het eerst werkelijk in beeld krijgen. Het typeert de manier van omgaan met flexibel personeel: ze zijn niet van jou. Als je ze nodig hebt, pluk je ze van de straat en als je van ze af wil, zet je ze weer terug op straat. Tot de wetgever zegt dat je wel degelijk naar ze moet omkijken. Dan zie je ze voor het eerst staan. En dan is de eerste reactie: hoe kom ik van die mensen af? Het probleem van de voetbalclubs is precies het omgekeerde: die zijn juist bang dat hun dure werknemers gebruik maken van de mogelijkheden die de wet werknemers biedt om na drie jaar eenzijdig hun contract op te zeggen, hoe lang dat ook nog doorloopt. Je vraagt je af waarom de broertjes De Boer niet gewoon even gewacht hebben tot 1 januari 1999. De conclusie uit de twee totaal tegenovergestelde reacties van de chipsfabrikant en de voetbalclubs is simpel: de positie van werknemers met een sterke arbeidsmarktpositie wordt sterker, die van werknemers met een zwakke arbeidsmarktpositie blijft onveranderd zwak. Een vervelende conclusie, omdat de wet altijd gepresenteerd is als een middel om de dagloners van de uitzendbureaus, de oproepkrachten en de werknemers met nulurencontracten meer vastigheid te bieden. De wet regelt dat de oproepkracht die drie maanden regelmatig heeft gewerkt, aanspraak kan maken op een vast contract; dat uitzendkrachten na een half jaar recht krijgen op pensioenopbouw, scholing en doorbetaling van loon over niet-gewerkte uren en na drie jaar of na drie opeenvolgende contracten een vaste aanstelling bij het uitzendbureau. Zo ver willen de uitzendbureaus het echter niet laten komen. Althans niet voor de inpakkers van chips en de vele duizenden anderen die het simpele loop- en tilwerk doen. Anders ligt dat voor gespecialiseerde flexwerkers als verplegend personeel, automatiseerders maar ook vaklui in de bouw en metaal. Zij worden wel bij duizenden in dienst genomen door grote uitzendorganisaties als Randstad en Start. Die pogen sinds een aantal jaren de flexibiliseringstrend door te vertalen naar meer geschoolde werknemers. Dat beantwoordt aan de vraag van bedrijven die in de steeds sneller veranderende productieprocessen steeds andere eisen aan hun personeel stellen. Flexibele instroom maar ook uitstroom van geschoold personeel is dan aantrekkelijk. Uitzendbureaus werpen zich steeds meer op als de organisaties die aan die nieuwe vraag naar flexibiliteit kunnen voldoen. Tegelijk zien de werkgevers ook in dat deze vorm van flexibilisering van geschoold personeel alleen kans van slagen heeft als zij hen meer te bieden hebben dan de gemiddelde uitzendkracht. Met andere woorden: flexibel werken moet niet langer geassocieerd worden met uitbuiting en rotwerk, maar juist met vrijheid, je eigen keuzes kunnen maken. Kort en goed, flexibel werken moet maatschappelijk een acceptabeler gezicht krijgen. Precies die behoefte van werkgeverskant aan opwaardering van het flexwerk bood de vakbeweging de kans iets te doen aan de belabberde positie van uitzendkrachten. Op die basis kwam ruim twee jaar geleden het Flexakkoord tussen werkgevers en vakbeweging tot stand. Dat opende de weg voor de nu ingevoerde Flexwet. Maar het is een ongelijke deal. Terwijl de werkgevers de gewenste feitelijke verruiming van de flexmarkt binnenhaalden, kreeg de vakbeweging slechts de hoop dat de positie van de rank and file-uitzendkrachten sterker zou worden. Wat velen toen al vreesden, lijkt nu waarheid te worden. De Flexwet is er niet om het flexwerk aan de onderkant van de arbeidsmarkt aan banden te leggen, maar juist om het aan de bovenkant te bevorderen.