Flexwerkers aller landen!

NEDERLAND VERVULT een heel speciale rol in het leven van Karl Marx (1818-1883). Hij was zelf een halve Hollander. Zijn moeder, Henriëtte Pressburg, was in Nijmegen geboren in een familie van uit Hongarije gevluchte joden. Zij bleef, eenmaal in het Duitse Trier getrouwd met Hirschel (nadat hij de christelijke doopselen ontving: Heinrich) Marx, haar hele leven een zwaar Nederlands accent houden. Haar zoon Karl maakte daar grapjes over in zijn correspondentie met zijn vriend Friedrich Engels. ‘Had die Karell maar kapitaal gemacht in plaats van das Kapital’, zo zou moeder Marx vaak hebben verzucht.

Een tante van moederszijde van Karl Marx trouwde met de Nederlandse bankier en tabakshandelaar Lion Philips, overgrootvader van de gloeilampengigant Anton Philips. Vaak toog de immer berooide Marx naar zijn oom in Zaltbommel, die zijn neef dan wat toestopte. In 1861 leende oom Lion het toentertijd zeer respectabele bedrag van drieduizend mark aan Karl Marx. Later kreeg hij meer dan veertienduizend mark uit een erfenis. In Zaltbommel schreef Marx menig hoofdstuk van zijn levenswerk, Het kapitaal. Hij bleef heel zijn leven, als Duitse balling in Londen, terugverlangen naar die dagen in Zaltbommel. O, was ik maar in Bommel, is dan ook de titel van het boek over Marx’ relatie met Nederland dat twee jaar geleden verscheen bij het IISG te Amsterdam. De familie Philips sprong ook anderszins bij. Zo werd Marx’ hardnekkige steenpuistenaandoening behandeld door een met Philips bevriende arts. Er zijn theorieën dat Het kapitaal nooit geschreven had kunnen worden zonder deze steun van een prominente vertegenwoordiger van het moderne kapitalisme. Inderdaad, een mooi staaltje van wat Bart Tromp ‘de ironie van de geschiedenis’ noemt. Later zou de familie Philips er alles aan doen om de band met Marx te verdonkeremanen. Van boeken waarin van de relatie met Marx gewag werd gemaakt, werd de gehele oplage opgekocht. Hetzelfde geldt voor boeken waaruit de joodse afkomst van de net als Marx christelijk omgedoopte familie Philips blijkt. Neerlands meest vooraanstaande industriële familie was zeer beducht voor de ontdekking van haar joodse wortels. Marx’ dochter Eleanor vertelde later dat haar vader het Nederlands machtig was in woord en geschrift. Alleen het spreken ging dit talenwonder wat minder goed af. MARX’ BAND met Nederland werd al vroeg opgemerkt. In september 1877, toen Marx een bezoek bracht aan de Internationale Werklieden Vereniging in Den Haag, stond journalist S.M.N. Calisch er al bij stil: 'Men zegt dat hij van hollandschen oorsprong is en familie te Amsterdam heeft wonen. Is dat waar, dan kan zijn familie hem gerust in gezelschappen presenteren of naar Artis met hem gaan thee drinken. In zijn grijs pakje ziet hij er zeer comme il faut uit, iemand die hem niet kent en niet onder den invloed verkeert van de nachtmerrie der gevreesde Internationale, zou hem voor een toerist houden die een voetreis doet.’ In die tijd hield Marx zijn Nederlandse gehoor voor dat de revolutie in Nederland hoogstwaarschijnlijk zonder geweld zou kunnen worden ingevoerd, net zoals in Engeland. Marx zag zijn band met Nederland bij leven nog verder geïntensiveerd. Zijn oudste zus Sophie trouwde met de Maastrichtenaar Robert Schmalhausen, zijn jongere zuster Louise met de Zaltbommelaar Carel Jutta. Volgens Marx-kenner Ralph Buultjens kwam het in het onstuimige liefdesleven van de Messias uit Trier ook nog tot een amoureuze escapade met zijn nicht Antoinette Philips. Marx en Holland zijn dus verlerlei wijzen met elkaar verwikkeld. Toch bleef het bij het 150-jarige jubileum van het Communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich Engels verleden jaar ook in Nederland angstwekkend stil. Het manifest markeert nota bene het startschot van de sociaal-democratie, maar de PvdA zweeg in alle talen. Op de valreep kon er nog net een slap herdenkingartikel af in het PvdA-blad Socialisme en Democratie. Daar bleef het bij. Geen speeches, geen bloemen. MARX IS HOPELOOS uit de mode. Tien jaar geleden, bij het 140-jarige jubileum van het Manifest, verscheen er nog een kritische juichbundel ingeleid door Max van den Berg. Nu heerst beschaamd zwijgen, en dat terwijl Marx’ ideeën actueler zijn dan ooit. Sla zijn meesterwerk Het kapitaal, waar hij veertig jaar als een monnik aan ploeterde, maar eens open. Niets geen muffe geur van vervlogen dromen. De nestgeur van het heden slaat je tegemoet. Bijvoorbeeld in Deel I, over de 'Historische tendens van de kapitalistische accumulatie’: 'Door de centralisatie of de onteigening van vele kapitalisten door slechts enkele van hen, komt de coöperatieve vorm van het arbeidsproces op een steeds hogere trap van ontwikkeling: de bewuste technische aanwending van de wetenschap, de planmatige exploitatie van de grond, de transformatie van de arbeidsmiddelen in de arbeidsmiddelen die slechts collectief kunnen worden gebruikt, de economisering van alle arbeidsmiddelen door het gebruik ervan in gecombineerde, maatschappelijke vorm, het verweven raken van alle volkeren in het net van een wereldmarkt, en daarmee het internationale karakter van het kapitalistische regime. Met het gestadig afnemende aantal kapitaalmagnaten, die alle voordelen van dit transformatieproces usurperen en monopoliseren, groeit de omvang van de ellende, van de druk, van het knechtschap, van de verwording, van de uitbuiting, maar ook van de verontwaardiging van de steeds aanzwellende en door het mechanisme van het kapitalistische productieproces zelf geschoolde, verenigde en georganiseerde abeidersklasse. Het kapitaalsmonopolie wordt een ketening van de produktiewijze, die door en met hem tot bloei is gekomen. De centralisatie van de productiemiddelen en de vermaatschappelijking van de arbeid bereiken een punt, waarop zij onverenigbaar worden met hun kapitalistisch omhulsel. Dit omhulsel wordt opgeblazen. Het laatste uur van het kapitalistische privaatbezit heeft geslagen. De onteigenaars worden onteigend.’ Het is een analyse die het huidige bange tijdsgewricht van computertechnologie, mondialisering, geld en bedrijfsconcentratie, euro en flexwerk past als een fluwelen handschoen. Marx, gestorven in 1882, was zijn tijd ver vooruit. De grote tragedie van zijn leer was dat die geëxporteerd werd naar landen die in geen velden of wegen beschikten over de economische infrastructuur die de Profeet uit Trier in zijn visioenen van een nieuwe tijd had ontwaard. Het was dan ook aan het dirty tricks-departement van het Pruisische leger in de Eerste Wereldoorlog te wijten dat de Russische balling Vladimir Iljitsj Oeljanov, beter bekend als Lenin, in 1917 per verzegelde trein naar Petersburg werd gebracht om daar met zijn hopeloos verminkte bewerking van Marx’ leer bij te dragen aan de chaos in Rusland. Met het aantreden van de nog veel ergere Stalin werd de marxistische heilsleer geperverteerd tot het alom bekendespookbeeld van een totalitaire staatsmachine van dood en verderf, daarbij, in de woorden van Marx-biograaf Ger Harmsen, nog een handje in extremis geholpen door een aanhoudende, geheime internationale samenzwering tegen de embryonale Sovjetunie. MARX ZELF HAD er weinig tot geen fiducie in de dat in Rusland zijn arbeidersparadijs zou kunnen opbloeien. De voorwaarden ontbraken er. In 1861, toen in Rusland de feodale lijfeigenschap werd afgeschaft, had hij nog enige hoop uitgesproken op een gunstige koers, maar daarna had hij voor het welslagen van de Grote Omwenteling in Rusland zijn vertrouwen toch vooral gesteld in de krachten van het Osmaanse rijk. Het demonische bewind der tsaren, waar de bevolking evenals later onder Stalin met miljoenen tegelijk placht te bezwijken, had hem uiterst pessimistisch gemaakt over de toekomst van dat onmetelijke land. Het bloeddorstige regime van Stalin had in zijn ogen ongetwijfeld op weinig genade mogen rekenen. Omgekeerd zou Marx bij leven in Stalins Sovjetunie linea recta naar Siberië zijn doorgestuurd, als hij niet al vermoord was in het kader van een of ander door het Kremlin ontwaard complot van joodse cosmopolieten. Karl Marx was namelijk voor alles een vrijheidslievend mens. 'Ik behoor niet tot die communisten die brood belangrijker vinden dan vrijheid’, sprak hij eens. Zeker had hij niet die fetisjistische preoccupatie met staatscontrole en -geweld waarmee Stalin, Mao, Pol Pot en nog een handjevol machtswellustelingen de naam van zijn leer besmeurden met enige miljoenen hectoliters bloed. De angstaanjagende begrippen waar de leek zijn leer mee associeert, zoals 'klassenstrijd’, stammen niet eens uit zijn mond - de liberale econoom Guizot introduceerde het. Zelf sloeg Marx de parlementaire democratie heel wat hoger aan dan de 'dictatuur van het proletariaat’, die hij hooguit als een korte overgangsfase in bedrijf gebracht wilde zien. Marx was heel wat vredelievender dan de potentaten waarmee hij in zijn studeerkamer de strijd aanbond: de Romanovs, de Hohenzollerns, de Bismarcks en ga zo maar door. Een blinde geweldsfanaat was hij niet. Dat kon ook moeilijk met leermeesters als de historicus Ibn Chaldoen, een veertiende-eeuwse Arabier, en de grote Franse verlichtingsdenker Diderot, van wie hij het idee van het 'materialisme’ leende. EEN ATHEïST WAS Marx al evenmin. Als telg uit een vermaard rabbijnengeslacht was dat ook schier onmogelijk. Heel zijn missie was gericht op een vervulling van de bijbelprofetieën, zij het dat hij daar een geheel eigen methode bij had ontwikkeld. 'Ook aan de mens heeft de godheid een algemeen doel gesteld: de vervolmaking van de mensheid en zijn eigen vervolmaking’, schreef hij. Strijd was zijn lust en zijn leven, serviliteit zijn grootste angstbeeld. Toch was hij geen steile militant, noch een blinde fanaticus. 'Nihil humani a me alienum puto’, niets menselijks is mij vreemd, was zijn favoriete gezegde. Zijn favoriete motto: De omnibus dubitandum, twijfel aan alles. Bij leven was Marx dan ook behoorlijk rekkelijk. 'Ik ben geen marxist’, schreef hij aan zijn schoonzoon Paul Lafargue, auteur van het onvergetelijke traktaat Recht op luiheid. In zijn geschriften kon Marx geweldig uitvaren tegen de exploiterende klasse der aristocratie, maar hij vond het wel zo aardig als zijn teerbeminde eega Jenny in annonces haar hochgebürtige afkomst vermeldde: Jenny Marx, née Von Westphalen. DAT GODSDIENST opium voor het volk is, heeft Marx nooit geschreven (het geestelijk copyright komt toe aan een dominee genaamd Kingsley). Zijn religieuze ruimdenkendheid blijkt onder meer uit het feit dat zijn dochter Eleanor met zijn goedkeuring in het huwelijksbootje stapte met de Britse vooraanstaande theosoof Edvar Aveling, toch een representant van een sektarisch denken dat Marx verafschuwde. (Aveling ontpopte zich overigens later als bigamist, zodat de gebroken Eleanor fataal bezweek). Marx fulmineerde tegen de uitwassen van het kapitalisme, maar waagde gaarne zelf ook een gokje op de effectenbeurs, overigens altijd met catastrofale gevolgen voor de toch al bescheiden familiekas. En als een of andere grootindustrieel geboeid raakte door het pionierswerk van Marx, was de oude man in Londen nooit te beroerd om zich op een etentje en een goede sigaar te laten fêteren. Kortom: een aangenaam mens, niet gehinderd door al te grote ressentimenten. De leden van de door hem aangeklaagde klassen nam hij trouwens als persoon niets kwalijk. Ze waren in hun positie gemanoeuvreerd door het systeem dat hij bestreed. Marx’ navolgers en epigonen konden die grootheid van hart niet opbrengen, met alle catastrofale gevolgen vandien. 'Voor hen die de menselijke natuur bestuderen, zal het niet vreemd zijn dat deze man, die zo'n vechter was, tegelijkertijd de aardigste en zachtaardigste mens was’, schreef zijn dochter Eleanor. 'Ze zullen begrijpen dat hij alleen zo vurig kon haten omdat hij zo diep kon liefhebben; dat zijn sarcastische humor kon bijten als een agressief zuur, maar dezelfde humor als balsem kon werken voor hen die kampten met verdrukking.’ RESTEERT: een briljante huiskamergeleerde, een tikkeltje aan de breedsprakige kant, met een humanistische missie die hij met ongeëvenaarde vasthoudendheid tot aan het eind van zijn leven bleef volhouden. De bijna poëtische schoonheid van de door Marx geprofeteerde economische ontwikkelingen in een naaste toekomst, zat hem vooral in de automatismen die hij erin ontwaarde. In de hoog-industriële samenleving die hij beschreef, zou de verlossing van de arbeiders als vanzelf, vrijwel zonder hun eigen toedoen komen. Het was een scenario dat aan het begin van deze eeuw toch vooral op een utopisch soort fata morgana, een collectieve zinsbegoocheling berustte. Nu, aan het eind van diezelfde eeuw, klinkt het scenario een stuk aannemelijker. Marx’ visie op het kapitalisme dat zichzelf door een steeds verdere centralisering steeds hinderlijker in de weg gaat zitten, totdat het zichzelf onmogelijk maakt, kon tot voor kort weggewoven worden naar een futuristisch schimmenrijk. Nu is het voorpaginanieuws. Als zovele profeten voor hem zat Marx er met zijn voorspellingen af en toe fors naast. Maar zijn analyse van de wisselwerking tussen arbeid en kapitaal staat nog altijd recht overeind. Iets beters is er in ieder geval nog steeds niet op gevonden.