Pockets: Het tweede leven

Flierefluitende identiteiten

Iedere maand beginnen honderden boeken een tweede leven als pocket, vijfentwintig-guldenboek of goedkope herdruk. Met ingang van dit nummer maakt Ger Groot maandelijks een selectie van de meest opvallende titels en schrijft hij een essay naar aanleiding van één of enkele daarvan.

Onze identiteit moet oplossen in een bont patroon van steeds veranderende kenmerken. Aldus de postmoderne filosofie. Maar is de nomadische utopie wel zo ideaal? De frustraties van een sexy leven tussen verschillende talen en culturen.

Op 24-jarige leeftijd, nu ruim twintig jaar geleden, verliet ik Nederland om te gaan studeren in Parijs. Niet zonder twijfels. Zoals zoveel Amsterdammers was ik ervan overtuigd nergens anders dan in mijn geboortestad werkelijk blijvend gelukkig te kunnen zijn. Dat bleek alleszins mee te vallen. Na afloop van dat jaar ben ik dan ook niet meer teruggegaan naar Amsterdam. Na Parijs volgde Spanje en ten slotte streek ik neer in Brussel, waar ik nu alweer geruime tijd woon.

Op straat spreek ik Frans, met vrienden Nederlands, in huis Spaans, en aan de telefoon soms Duits of Engels. Ik lijk, kortom, de exemplarische vertegenwoordiger van de nomade te zijn, waartoe de postmoderne mens volgens sommige filosofen is voorbestemd uit te groeien. Zo'n nomade is nergens werkelijk geworteld en tegelijk overal vernetwerkt. Hij wisselt even gemakkelijk van eigenschappen, taal en identiteit als een kameleon van huidskleur — al belichaam ik volgens vrienden dan wel de bourgeois-variant van het nomadendom.

Nomade kun je kennelijk op verschillende manieren zijn, zoals je ook op heel verschillende manieren «vreemdeling» kunt zijn. De spreekwoordelijke toerist heeft niets gemeen met de al even spreekwoordelijke buitenlandse arbeider, de berooide asielzoeker vrijwel niets met de buitenlandse student, hoe karig die laatste zijn Erasmus-studiebeurs ook mag vinden.

Al die gevallen zijn zo verschillend dat je uitermate voorzichtig moet zijn met het plakken van eenzelfde naam op onvergelijkbare grootheden. Laten wij ons dus niet te snel en te heroïsch spiegelen in het levenslot van mensen die de werkelijke last van het nomadenlot dragen. Misschien moeten we ons door die reële nomadische ervaring eerder laten corrigeren in onze vrolijke postmoderniteit, die in de ontbinding van de identiteit graag een bevrijding ziet.

Is de glans van de vrijheid die van deze beloften afstraalt niet in veel opzichten een romantische erfenis, die ons minder de toekomst aankondigt dan dat ze ons terugwerpt in een — overigens vrij recent — verleden? Het zwerversbestaan als model van de definitieve ongebondenheid, waarin het individu eindelijk zichzelf ontmoet en zichzelf kan zijn, is tenslotte een literaire en cultuurhistorische gemeenplaats die, van Byron tot Van Schendel en van Wandervögel tot Swiebertje, de twee laatste eeuwen heeft gekenmerkt.

Daarmee is tegelijk gezegd wat dat model van de zwerver of de nomade zo aantrekkelijk maakt. Hij is de volstrekt ongebonden persoon en kan daarom helemaal zichzelf zijn. Hij bewandelt ongehinderd de «wegen van de vrijheid», om de titel van Sartres romancyclus te citeren, en in deze ongebondenheid is hij, zoals dat in de existentiefilosofie heette, «authentiek».

Dat lijkt een heel oorspronkelijk idee van het menselijk bestaan, maar wonderlijk genoeg is het dat helemaal niet. Het is, integendeel, een volstrekt moderne gedachte, die gemakkelijk het streven naar volstrekte zelfstandigheid en autarkie verraadt. Niets — zo luidt die moderne ideologie — dat mij van buitenaf bepaalt, kan werkelijk authentiek zijn tenzij ik er alsnog expliciet voor kies. Maar zelfs dan moet ik dat kiezen liefst zo lang mogelijk uitstellen.

Daarom wil de romantische zwerver altijd blijven zwerven en blijft hij bij zijn liefje, als hij er een vindt (ook bij Van Schendel werd Een zwerver verliefd), nooit langer dan één nacht. En daarom ook is hij bij uitstek de antipode van de burger geworden, die nu juist model stond voor in-authenticiteit. Wat hij was, ontleende hij immers niet aan zichzelf, maar aan de mal waarin hij was gevangen. Hij liet zich bepalen door het andere (familie, natie, afkomst, klasse, etc.) en verloochende daarmee zijn vrijheid en dus zijn eigenheid.

Dat is modern, omdat het uitgaat van de suprematie van het individu en van zijn volstrekte uniciteit. Geen individu is gelijk aan het andere, en daarom moet ook zijn identiteit zich losmaken van alles wat maar «algemeen» kan zijn. Nederlander, man, vader, consument of automobilist ben ik alleen maar in zoverre ik daarvan afstand neem en er niet mee samenval, zo luidde Sartres boodschap. We kunnen ook zeggen: we zijn alleen maar iets in zoverre we dat op een volstrekt unieke en singuliere, dat wil zeggen op onze eigen wijze zijn.

De Libanees-Franse schrijver Amin Maalouf, die vooral dankzij zijn roman De Rots van Tanios bekend is geworden, gooit het in zijn recente essay Les identités meurtrières (Moorddadige identiteiten) over een andere boeg. Mensen kunnen op een bijna oneindige manier worden gekenmerkt, schrijft hij. Ze zijn jazzliefhebber, nurks van karakter, ochtendmens of Oost-Groninger, en de totaalopsomming van hun kenmerken is hun identiteit. Zo'n lijst is nooit uitputtend op te stellen, maar hij is voor ieder mens steeds weer anders. Hij valt in zekere zin samen met onze levensloop, en ook daarvan zijn er geen twee dezelfde.

Maalouf heeft goede redenen om in het vraagstuk van de identiteit geïnteresseerd te zijn. Hij werd geboren in Libanon, als christen in een islamitisch land, maar woont al een kwart eeuw in Frankrijk, waar hij — inmiddels agnost — vaak voor moslim wordt versleten. Hij werd grootgebracht in het Libanees, maar schrijft in het Frans. Wie en wat ben ik nu eigenlijk? vraagt hij zich af in het voorwoord van Les identités meurtrières.

Of liever, die vraag — «Voelt u zich Fransman of toch meer Libanees?» — wordt hem door anderen gesteld. En daarmee ziet hij zich voor een onbeantwoordbaar dilemma gesteld, want iemands identiteit, aldus Maalouf, is uiteindelijk altijd één. Sommige aspecten ervan kunnen onderling strijdig zijn of met elkaar in botsing komen, maar daarmee is het «ik» nog niet gespleten. Het leeft met die verschillen in zichzelf, die bijna ongemerkt tot een zekere harmonie komen omdat ze doorleefd worden. Dezelfde levensloop die de identiteit is, voegt de onderdelen daarvan ook aaneen tot één verhaal en geeft ze onderling hun plaats.

Zolang iemand bij zichzelf blijft, is de identiteit geen probleem. Dat wordt het pas wanneer anderen daarnaar vragen of — maar dat komt vaak op hetzelfde neer — wanneer hij ontdekt dat zijn identiteit op beslissende punten anders is dan die van hen. Waarom «beslissend»? Omdat niet al onze kenmerken voor onze identiteit relevant zijn. De meeste ervan bezitten we ongemerkt en daarom definiëren we onszelf meestal naar een vrij beperkt aantal daarvan, dat naar de omstandigheden ook enigszins kan variëren. Als we de enquêteformulieren mogen geloven, zijn geslacht, nationaliteit, taal, huidskleur, beroep en leeftijd de meest constante daarvan. Dat zijn kennelijk de elementen die ertoe doen, terwijl mijn schoenmaat alleen in de schoenwinkel interessant is en ik mij daar dus ook ternauwernood mee identificeer.

Maar is het niet vreemd te zeggen dat ik mij met een kenmerk identificeer? Als al mijn eigenschappen vanzelfsprekend «van mij» zijn, hoef ik die inspanning en afweging helemaal niet te maken en ben ik gewoon wie ik ben. Zo simpel ligt het kennelijk niet. Ik moet me ook tot een identiteit bekennen, en wel in het licht van mijn situatie.

Het probleem zijn ook hier de anderen. De kenmerken waaruit mijn identiteit is opgebouwd, zijn immers niet alleen «van mij». Ze behoren ook aan anderen toe, met wie ik een soort anonieme gemeenschap vorm, in mijn geval van mannen, Nederlanders, blanken, filosofen en 47-jarigen. Mijn allerindividueelste identiteit wijst me vanzelf terug naar een soort gemeenschappelijkheid met degenen met wie ik dat kenmerk deel — of ik dat nu wil of niet.

En daar blijft het niet bij. Want juist op de kenmerken die er het meest toe doen, wordt ook die gedeelde identiteit zwaarwegend. De vraag ernaar wordt immers pas gesteld wanneer het erom spant. Dat ik als man tot de mannen behoor, is misschien altijd al wat ongemakkelijk geweest, maar is sinds de diverse golven van feminisme wel heel duidelijk problematisch geworden, en soms vraag ik mij af of ik daar wel zo gecharmeerd van moet zijn. Kennelijk heeft zich in mijn identiteit een en ander kunnen nestelen waarmee ik mij in ieder geval niet wil vereenzelvigen.

Daarbij doet het er weinig toe of het waar is wat feministen aan mannen toeschrijven en evenmin of ik mij daarvan distantieer. Hoe anti-discriminatoir we ook mogen denken, ik behoor nu eenmaal tot de herengemeenschap. Dat feit kleeft aan mij hoe ik het ook wend of keer, ik zal daarvoor ter verantwoording worden geroepen. Wanneer een identiteit werkelijk in het geding is, kan niemand die daarin verwikkeld is zich eraan onttrekken.

En daarmee valt het nomadische model dramatisch in duigen. Want ik mag dan vrolijk fierefluitend steeds weer willen wegtrekken uit de identiteit die me te statisch en te benauwend wordt, de samenleving zal me er steeds weer naar terughalen — als een liefje-onderweg dat mij maar niet wil laten gaan. Identiteit scheidt mij dus niet alleen van anderen, in zoverre ze mij als iets absoluut unieks en singuliers bepaalt. Ze verbindt mij ook met en aan hen.

Zo'n collectieve identiteit kan uiterst problematisch zijn. Wanneer ze van anderen op mij wordt losgelaten, kan ze licht uitmonden in discriminatie. En wanneer ik haar zelf in mij ontketen, kan ze leiden tot groepsfanatisme, nationalisme of — zoals Maalouf laat zien — religieuze verdwazing. Die twee horen bij elkaar, als de binnen- en buitenkant van hetzelfde verschijnsel waarin één kenmerk allesbepalend wordt voor de identiteit, hetzij (in het eerste geval) als beschuldiging, hetzij (in het tweede geval) als geuzentrots.

Gewoonlijk loopt het zo'n vaart niet, maar ook dan heeft de identiteit haar streken. Ze heeft immers een paradoxaal gezicht. Aan de ene kant is zij de bron van mijn zelfheid (hier hoor ik bij), maar aan de andere kant de poel waarin ik mij verlies (hoor ik hier echt bij?). Of omgekeerd: ze is een object van bevreemding (pas ik hier wel bij?), maar ook van verlangen (hoorde ik er maar bij!).

Vrijwel iedereen die ooit in een ander land heeft gewoond, kent de behoefte te midden van de nieuwe gemeenschap niet als vreemdeling onderscheiden te worden. «De droom van de meeste migranten is te worden aangezien voor een kind van het land», schrijft Maalouf terecht. En daarom voelde ook ik mij indertijd in Parijs nooit zo gelukkig als wanneer ik mij ’s ochtends mét die honderdduizenden anderen in de metro perste — al was ik dan (en dat onderscheidde mij weer meedogenloos van hen) op weg naar de Franse les.

Maar de tragedie van de vreemdeling is dat dat verlangen zelden of nooit helemaal beantwoord zal worden. Zolang ik in de metro van Parijs mijn mond niet opendeed, kon ik de schijn van «autochtonie» nog wel ophouden, maar een jaar later lukte dat in de metro van Madrid al niet meer, zelfs al zweeg ik als het graf. Mijn verlangen naar identificatie werd reddeloos verstoord door mijn identiteit en levensloop, die hadden bepaald dat ik als Nederlander en niet als Spanjaard geboren was: blond en een kop groter dan de gemiddelde Iberiër.

Het verlangen naar deelgenootschap is nu eenmaal gedoemd te mislukken. Dat ligt niet allereerst aan de anderen, al is het verleidelijk de schuld op hen af te schuiven. Het probleem schuilt in het wezen van de identiteit zelf, die evenzeer een bron van kracht en plezier als een hindernis en granieten lotsbestemming is. Als zij samenvalt met mijn levensloop, kan ik haar immers niet meer ongedaan maken. Ze verhindert dat het verlangen naar een nieuwe identiteit ooit geheel vervuld zal worden.

Wat blijft er voor mij, ogenschijnlijk ideale bourgeois-nomade te Brussel, na dit alles aan postmoderne flex-identiteit nog over? Naar ik moet ervaren, niet veel. In het hart van het ogenschijnlijk sexy internationalisme knaagt de frustratie. Het multilinguïsme en multiculturalisme die mijn dagelijkse leefomgeving vormen, zijn ook een bron van wanhoop die met de jaren alleen maar toeneemt. Daarin speelt de taal een beslissende rol. Want zij is, zo merkt Maalouf terecht op, enger met onze identiteit verbonden dan welke andere eigenschap ook, misschien met uitzondering van het geslacht.

In mijn taal besta ik, maar raak ik tegelijk van mijzelf vervreemd. Dat geldt reeds voor mijn moedertaal, die zich nooit helemaal naar mijn intenties en gedachten plooit. Maar het geldt in veel overweldigender mate voor de andere talen waarin ik mij beweeg. Die kloof wordt — vreemd genoeg — alleen maar scherper naarmate de identificatie verder lukt. Sinds twintig jaar spreek ik Spaans. In mijn persoonlijk leven is het de overheersende taal en ik druk me daarin meestal moeiteloos en zonder nadenken uit. Maar als het erop aankomt, blijven de scherpte en precisie die ik in het Nederlands bezit uit, vluchten de woorden voor mijn gedachten weg en hapert mijn uitdrukkingsvermogen.

Dat ligt niet aan de anderen, die mij voortdurend vertellen hoe goed ik hun taal wel niet spreek. Het ligt niet aan de afgelegde weg en behaalde resultaten, maar juist in de laatste paar meters die mij nog scheiden van een perfecte beheersing van de taal en dus van een volledige identificatie en een volledig deelgenootschap. Die laatste paar meters voor de finish, zo weet ik, zal ik nooit overbruggen, en juist dan slaat de frustratie het hardst toe. Wanneer het er werkelijk om spant, ben ik hopeloos een Nederlander.

Zo zit mijn identiteit mijn identificatie in de weg. Op dat besef moet elke ideologie van een vrolijk en postmodern nomadenschap stuiten. Mijn levensloop is tegelijk mijn noodlot, en ik bepaal dat maar in zeer beperkte mate.

En daarom is ook, en op dezelfde manier, mijn identiteit tegelijk mijn mogelijkheid én de fataliteit waaraan ik niet ontkom. Ik zal nooit echt een Spanjaard zijn.

Amin Maalouf, Les identités meurtrières Livre de Poche, nr 15005
Elisabeth Eybers, Uit en tuis, ‘n bloemlesing.

Sinds veertig jaar woont de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers in Nederland, waar ze sindsdien veertien bundels publiceerde. Daaruit zijn in deze bloemlezing ruim honderd gedichten bijeengebracht, gegroepeerd rond de verschillende stadia van Eybers’ ontheemdheid in Nederland en haar groeiende vertrouwdheid met het land en de taal. Bevreemding en verrassing daarover blijven echter tot aan het einde toe aanwezig. In 1973 dichtte zij al: «Voetjie vir voetjie word mens immigrant…/ Toevallig uit, toevallig tuis, gestrand/ op hierdie teennatuurlike terras/ sonder om ooit onloënbaar aan te land.»

Singelpocket 0028-7, 143 blz.

Peter Handke, Lucie im Wald mit den Dingsda.

Peter Handke schreef een sprookjesachtig verhaal dat met de Oostenrijkse kinderboekenprijs werd onderscheiden maar ook voor volwassenen betoverend is. De zevenjarige Lucie heeft een hoge politiebeambte als moeder en als vader een tuinman die dagelijks met de meest weerzinwekkende insecten en schimmels thuiskomt. Langzaamaan leert Lucie er de schoonheid van in te zien en weet daarmee — zoals het in sprookjes hoort — aan het einde haar vader zelfs te redden. In dezelfde prachtuitvoering verschenen ook drie oudere teksten van Handke: Der kurze Brief zum langen Abschied (st 3286), Wunschloses Unglück (st 3287) en — nog niet eerder gebundeld — Die drei Versuche (st 3288).

Suhrkamp Taschenbuch st 3256, 68 blz.

Ronald Giphart, Phileine zegt sorry.

Eveneens een kinderboek, maar niet ook voor volwassenen, is Gipharts Phileine zegt sorry. Dartele deerne Phileine zet als een moderne Joop ter Heul New York op stelten en becommentarieert haar avonturen met wisecracks die al een lang leven achter de rug hebben. Bij het larmoyante slot («Ik zeg sorry. Sorry») zouden op overspel betrapte Amerikaanse tv-dominees de vingers kunnen aflikken. Toen het boek verscheen was de zin: «Eerlijk gezegd heb ik nogal een behoorlijke hekel aan New York» alleen nog grammaticaal incorrect; sinds een paar weken is hij dat ook politiek. Veel seks en Shakespeare, want cultureel is Giphart wél zeer correct. Hele schoolgemeenschappen vinden Phileine zegt sorry een te gek boek.

Rainbow pocket, 263 blz.

T.C. Boyle, A Friend of the Earth.
National bestseller en Author of The Tortilla Curtain roept de omslag van T.C. Boyles roman A Friend of the Earth, maar Boyle heeft dat soort aanprijzingen al lang niet meer nodig. Zoals hij vooral in de meesterlijke roman World’s End liet zien, is hij een van de krachtigste Amerikaanse auteurs van dit moment. In A Friend of the Earth zoekt hij het in de ecologische sciencefiction. Het is 2025, vrijwel alle zoogdieren zijn uitgestorven en het ontregelde klimaat van Californië wordt geteisterd door aanhoudende storm en regen. In een ineengestorte samenleving kijkt de zeventig jarige Ty Tierwater terug op zijn leven als mislukt milieuactivist («Ecology. What a joke!») en zijn al even mislukte huwelijk met de overdonderende Andrea, die plotseling voor zijn deur staat. Onder het cynisme is Ty’s (en Boyles) wanhopige woede voelbaar. «To be a friend of the earth you have to be an enemy of the people.»

Penguinpocket 200013-2, 349 blz.

Gustave Flaubert, Les mémoires d'un fou. Novembre. Pyrénées-Corse. Voyage en Italie.

Zestien jaar was Flaubert toen hij zijn Les mémoires d'un fou schreef en het zou nog zeven jaar duren voordat hij zijn eerste grote roman L'Éducation sentimentale zou publiceren. Houdt het eerste probeersel nog het midden tussen autobiografie en fictie, in zijn vier jaar later geschreven roman Novembre heeft Flaubert meer afstand genomen van zijn hoofdfiguur en tekent L'Éducation sentimentale zich al af. In de in diezelfde tijd geschreven verslagen van zijn reizen naar de Pyreneeën, Corsica en Italië wordt ook zijn blijvende belangstelling voor het exotische zichtbaar. De bundeling van deze vier jeugdgeschriften in één pocketband verschijnt naar aanleiding van een nieuwe editie van Flauberts werk in de Pleïade-reeks, waarin het jeugdwerk tot nu toe slechts fragmentarisch was opgenomen. Ook de pocket is voorbeeldig bezorgd en geannoteerd. De tekst werd voor het eerst sinds tachtig jaar kritisch met de manuscripten vergeleken.

Folio classique 3531, 487 blz.

The Cloud of Unknowing, and other Works.

In de veertiende eeuw raakte de christelijke mystiek — tot dan toe vooral een zaak van monniken — verbreid onder de opkomende burgerij. Daarmee ontstond ook in heel Europa een mystieke literatuur in de volkstalen, waarvan The Cloud of Unknowing een van de meest bekende is. Het boek werd waarschijnlijk geschreven door een kartuizer monnik, als een gids op de weg «waarop een ziel één wordt met God», zoals de ondertitel luidt. Hoewel de auteur anoniem bleef, kunnen er met grote zekerheid zeven werken aan hem worden toegeschreven, waarvan deze pocket er vier bevat. Het onderwerp lijkt nogal exotisch, maar wordt actueel wanneer de auteur beschrijft hoe onbetrouwbaar de taal is bij het weergeven van de dingen waar het werkelijk om gaat. Wittgenstein en Derrida kijken al om het hoekje wanneer hij vaststelt dat alle woorden lompe producten zijn van een blabryng fleschely tonge.

Penguinpocket 044762-8, 159 blz.

Hanif Kureishi, Intimiteit.

Met de verfilming door Patrice Chéreau heeft de korte roman Intimiteit van Hanif Kureishi — zoals hij zelf in De Groene uitlegde — maar een losse band. De roman beschrijft de gedachten van een man in de nacht voordat hij zijn vrouw en kinderen verlaten zal. De film vertelt wat daarna gebeurt en is aanzienlijk wreder. Terwijl Chéreau zijn figuren laat verdwalen in een seksuele jungle, beschrijft Kureishi een ontheemding waarin nog enig mededogen heerst. Slechts 109 bladzijden heeft Kureishi nodig om duidelijk te maken dat ook hier lust en drift ondoor grondelijk en uiteindelijk oppermachtig zijn. «Waarschijnlijk voel je je door niets zo verlaten, wanhopig en buitengesloten als door seksueel verraad.» Een meesterwerk.

Flamingopocket 0500-X, 109 blz.

Robert Burton, The Anatomy of Melancholy.

In 1621 publiceerde de universiteitsbibliothecaris Robert Burton een negenhonderd bladzijden tellend boek, waarin hij alle verschijnselen en varianten van de menselijke melancholie beschreef, in heden en verleden, werkelijkheid en mythologie, wetenschap en bakerpraat. Viermaal werd het tijdens Burtons leven herdrukt en iedere keer voegde hij materiaal toe, zodat de nu in één band herdrukte editie uit 1932 zo'n vijftienhonderd bladzijden beslaat. Zelf verklaarde Burton zijn boek te hebben geschreven als tegengif tegen zijn eigen neerslachtigheid. Toch lijkt hij geen overdreven zwartkijker te zijn geweest. Hij schreef minstens één komedie en een zekere faam kreeg zijn gedicht met het ironische refrein: «None so sweet as melancholy».

New York Review Books 0-940322-66-8, 1382 blz.

George Orwell, Orwell and the Dispossessed.

«In Londen bestaat er geen nachtasiel waarin zowel vrijheid als een fatsoenlijk bed te vinden is», schreef George Orwell in 1932 in de New Statesman & Nation. «En toch hebben tienduizenden werklozen geen andere plek om te leven. Ze hebben te kiezen tussen een slonzige varkensstal en een hygiënische gevangenis.» Orwells artikel is opgenomen in de bundel Orwell and the Dispossessed, waarvan het leeuwendeel wordt ingenomen door de volledige tekst van Down and out in Paris and London. Door al het materiaal dat rond dit boek is bijeengebracht (brieven, artikelen, voorwoorden, ongepubliceerd werk) komt Orwells onorthodoxe politieke positie scherp naar voren. Ter gelegenheid van zijn vijftigste sterfdag bracht Penguin in totaal vier van deze thematische bundels uit. De andere zijn gewijd aan Orwell’s England (rond The Road to Wigan Pier), Orwell in Spain (rond Hommage to Catalonia) en Orwell and Politics (rond Animal Farm).

Penguinpocket 118519-8, 424 blz.