Flipperen in de kunst

HET ZAL EEN boek als een flipperkast worden, belooft Huub Beurskens in het voorwoord van zijn zojuist verschenen Circus Fernando en andere essays, een essaybundel met beschouwingen over literatuur en schilderkunst. En inderdaad, door het boek schiet een kogel die van buffer naar stootband spat en klikkend en tikkend op heel wat bekenden uit de wereld van de kunst stuit. Uit de vele namen die voor veerkracht, weerstand en weerwerk zorgen, noem ik er hier slechts een enkele: Toulouse-Lautrec, Seurat, Beckett en Brecht, Gombrowicz, Canetti en Benn, Kandinsky, Mondriaan, Marinetti en Dibbets. Het denken dat uit dit elektrisch veld opvonkt, verlustigt zich graag in associeren en zoekt naar manieren waarop kunstwerken elkaar spiegelen, elkaar herhalen of met elkaar contrasteren. Maar het vergeet daarbij niet te analyseren.

Beurskens’ bundel bevat voor het grootste deel essays waarin een kritische afstand wordt gecombineerd met emotionele identificatie. Wanneer het hem uitkomt, laat Beurskens zich met liefde vangen door het kunstwerk dat hij in of op het oog heeft en gaat hij er vragenderwijs met alle plezier in op. De lassen en breuken die daarbij in de tekst ontstaan, camoufleert hij niet, eerder accentueert hij ze nog. Zijn beschouwen gaat regelmatig nogal plotseling over in verhalen, in een vertellen waarin hij zijn persoonlijke betrokkenheid openlegt. Dat geeft aan sommige essays een heel bijzondere charme.
HET ZAL duidelijk zijn, in Circus Fernando wordt hartstochtelijk gebricoleerd en daarbij mogen wat mij betreft de twee betekenissen die dat woord heeft volop meespelen: knutselen en over de band spelen. Al schuwt Beurskens in zijn polemiek over Mondriaan ook de rechtstreekse aanval niet. Waar ik hem een bricoleur noem, duidt hij zichzelf liever aan als een ‘dilettant zonder vrije tijd’. Een begeesterd liefhebber is hij, dat zeker, maar wel een die als schilder en schrijver zijn sporen heeft verdiend sinds hij de kunstacademie verliet. En daarom tevens een professional, nog onlangs met de VSB Poezieprijs 1995 onderscheiden voor zijn schitterende dichtbundel Aangod en afmens (1994).
Van het gevaar dat zijn insteek bij het essayeren bedreigt, is Beurskens zich maar al te bewust. Maar hij neemt het blijkens de volgende zinnen voor lief en als lezer kan ik hem daar achteraf geen ongelijk in geven: 'Ik wil er alvast op wijzen dat ik me meer dan eens herhaal. Wie iets van flipperen begrijpt, weet dat het daar wel eens om zou kunnen gaan. Zoals iemand die iets van flipperen begrijpt ook weet dat er aan een flipperkast, als je er eenmaal voor staat en de trekker voor de kogel loslaat, wat plaatsing en hoedanigheid van banden en buffers betreft niets “eigens” meer aan te brengen en uit te vinden is. Haast niets is van mezelf; zelfs mijn voor- en achternaam heb ik van mijn grootvader.’
Het citaat is nog een andere vingerwijzing. Een die veelzeggend is voor Beurskens’ kijk op het kunstbedrijf en die hier in de richting priemt van al die Nederlandse cultuurcritici die van schrijvers en schilders voortdurend oorspronkelijkheid en het scheppen van een eigen uniek universum verlangen. Beurskens heeft ze daarover al eens eerder gekapitteld. De begrensde ruimte van het speelvlak, de vaste plaatsing van de obstakels, de onvoorspelbaarheid van de kogelbaan en de plotse wending naar de stamboom en daarmee naar de eigen traditie, moeten eraan herinneren hoezeer ook de kunstenaar gebonden is aan grenzen. Alle maken heeft te maken met namaken, namaak is de beste aanmaak voor eigen werk. Zonder herhaling, nabootsing, citaat, allusie of, als dat zo uitkomt, kleptomanie is elke vorm van originaliteit ondenkbaar.
Maar anderzijds, zo betoogt Beurskens, is een creatie die zich niet in drempelsituaties begeeft en de grenzen van het mogelijke opzoekt en aftast, geen kunstwerk. Die paradox waarmee artistieke uiting en kunstbeschouwing voortdurend te maken hebben, werkt hij hier uit met behulp van een eigen grammatica waarin, als ik mij niet vergis, de begrippen mee-maken, verstrooidheid, dioscurisme en geestig sleutelwoorden zijn.
Aan de eerste drie termen geeft Beurskens betekenis in een hoofdstuk waaraan de namen van de Dioscuren zijn gekoppeld, de mythische tweelingbroers Castor en Pollux die om de andere dag in de onderwereld en op de aarde vertoeven. Dit 'meesterlijk mythologeem’ noemt Beurskens voorbeeldig voor de positie waarin de moderne dichter zich hoort te begeven. Het is uiteraard ook de plaats waarvoor hij zelf kiest. Aan de hand van Beckett, die 'het individueel existentiele’ benadrukte, Brecht, die sociale bewogenheid voorop stelde, zich afkerend van Benn en met een knipoog naar Rodenko die de dichter 'de eeuwige emigrant’ en 'de eeuwige verongelijkte’ noemde, opteert hij voor een schrijverschap dat 'op een drempel tussen twee elkaar uitsluitende werkelijkheden’ zich in beide werelden weet te verplaatsen. En uiteraard aan die verschillende werkelijkheden stem weet te geven: 'Het gedicht is niet monologisch, zoals Gottfried Benn het graag wilde zien. Het is veeleer dialogisch of, beter nog, dioscurologisch, maar misschien is dat een te monsterlijk woord daarvoor.’ Het moderne dichten ontstaat uit een actief en tastend zoeken, want de handeling van het schrijven zelf leidt tot inzichten en legt nieuwe mogelijkheden bloot: het heeft het karakter van een kendaad.
Met de begrippen 'verstrooidheid’ en 'mee-maken’ construeert Beurskens hulpstukken bij dat (artistieke) kennen. De hulpstukken hebben een hoog passe-partout-gehalte, geladen als ze zijn met connotaties - bijbetekenissen die op allerlei plaatsen in de bundel waar het om concrete analysen van artistiek werk gaat, verbindend of juist schiftend werken. Verstrooidheid voedt de creativiteit, omdat de zintuigen zich dan los kunnen maken van rechtlijnigheid en vooringenomenheid, en alert kunnen zijn op variatie, afwijking en contingentie. In een analyse van Gombrowicz’ roman Kosmos verwijst het woord echter ook naar het groteske lichaam. Mee-maken lijkt als tegenpool van conceptualiseren bedoeld, en omschrijft een creatief proces waarin inleven, beleven, scheppend onderzoeken en verder werken aan de traditie samengaan.
'BLOEMEN VOOR Mondriaan’ heet een andere, uit verschillende essays opgebouwde afdeling in de bundel. Er moet een grafkrans voor Nederlands beroemdste neoplasticist mee bedoeld zijn, want veel te huldigen heeft Beurskens niet. Integendeel zelfs. Dit is ook het meest polemische gedeelte uit het boek. De essays behandelen vergelijkenderwijs de ontwikkelingen in literatuur en schilderkunst en Beurskens constateert met voldoening dat beide weer helemaal terug zijn bij het verhaal. Voor de beeldende kunst betekent dit niet zozeer dat het werk verhalen moet vertellen, maar met het werk verhalen mogelijk te maken.
Daar ligt ook zijn belangrijkste bezwaar tegen het werk van Mondriaan. Dat is te bedacht en daardoor onbewoonbaar: 'Ik kijk naar een schilderij van Mondriaan en reflecteer erover, maar niets in het schilderij kijkt naar mij, het schilderij is een niet-zelfreflectief projectievlak. Ik kan me niet voorstellen in zo'n schilderij van Mondriaan te vertoeven.’ Dat heeft niets te maken met een aversie tegen abstracte kunst, maar alles met het feit dat Mondriaan is vastgelopen in een bloedeloos concept, zo verdedigt Beurskens zich tegen de aanvallen van Fuchs, Dibbets en Wesseling. Kandinsky voert hij op als zijn getuige a decharge. Anders dan de steile Mondriaan is Kandinsky geestig. Zijn werken zijn speels, spannend, 'de blik van de toeschouwer (wordt er) op een weldadige wijze geboeid door verstrooiing. Al kijkend doet de beschouwer mee, mengt hij zich in de relaties tussen vormen, kleuren, bewegingen.’ Ze lijken op circusacts en daar heeft Beurskens wel wat mee, zoals ook uit de titel van de bundel blijkt, maar ook uit de essays die het boek in- en uitluiden en waarin Miss Lala van Degas en La Goulue van Toulouse-Lautrec prominent aanwezig zijn.
Beurskens’ stijl mag dan soms iets wijdlopigs hebben, veel belangrijker is dat hij met zijn onbegrensd, associerend schrijven de lezer weet te enthousiasmeren. Mij in elk geval. Zijn essays hebben iets van strooigoed: ze zitten vol met smaakmakers.