Flirt met de onderwereld

Bang on a Can: Cheating, Lying, Stealing (Sony Classical SK 62254).
Cheating, Lying, Stealing heet de nieuwe cd van de Newyorkse Bang on a Can-musici en componisten. Beluistering van de cd leert echter dat deze titel niet meer dan een oppervlakkige flirt is met een fictieve onderwereld. Van muzikale maffioso-praktijken is in deze stukken nauwelijks sprake. Dat komt niet doordat dit ooit zo spraakmakende, brutale festival van downtown New York naar het prestigieuze Lincoln Center verhuisde; ook niet doordat het zijn cd uitgaven bij Sony parkeerde; het komt doordat de gespeelde stukken nauwelijks kunnen choqueren.

Net als de weekendpunker die door de week een gewone kantoorbaan heeft, overschrijden de gespeelde werken op Cheating, Lying, Stealing eigenlijk niet de grens van het betamelijke. Ook al spelen de Bang on a Can All Stars altijd versterkt en klinkt de muziek van de buitenkant soms ruig, in essentie zijn het heel verantwoorde composities. Het titelnummer Cheating, Lying, Stealing van David Lang is een voorbeeld van zo'n aardig stuk. Gegoten in een traditionele a-b-a-vorm jongleert hij met ritmische motieven - een werkwijze die via Louis Andriessen teruggrijpt op Stravinsky. Het motief, dat met horten en stoten wordt herhaald, is geinstrumenteerd voor viool en slagwerk. De warme strijkersklank wordt als het ware verpest door een kil, dof metalen gekletter. In het middendeel neemt de viool even de overhand, waardoor structuur en instrumentatie elkaar snijden.
Kortom, een compositie die logisch in elkaar steekt. Niets mis mee. Maar voor wie het BoaC-idioom een beetje kent, eigenlijk heel voorspelbaar. Het sterkst geldt dat voor Arapua van Hermeto Pascoal, dat wordt gespeeld door klarinettist Evan Ziporyn. Het is een volkomen conventioneel stukje, gevat in smoezelige multiphonics. Of neem The Manufacture of Tangled Ivory van Annie Gosfield voor piano(samples). Het stuk is op pianistische conventies en cliches gebaseerd, waarbij Gosfield de piano zo zwaar heeft geprepareerd dat de klank verdraaid wordt tot een erbarmelijk kattegejank. In het tweede deel valt de rest van het ensemble in en wordt de piano, die nu vooral een percussieve rol speelt, opgenomen in een opzwepend ritme. Goed getimed in effect en contrast vormt ook dit werk een voorbeeld van muziek die op het eerste gezicht misschien wel wild klinkt, maar in wezen op geen enkele manier aanstoot geeft.
Een opmerkelijke, haast pijnlijke confrontatie levert het Piano Piece no. IV van Frederic Rzweski op - die samen met Louis Andriessen en John Cage tot de helden van de BoaC-componisten hoort. Rzewski gebruikt versterking noch slagwerk, maar zet een granieten blok neer dat, ondanks al zijn referenties aan de traditionele pianoliteratuur, uiterst grillig en ongrijpbaar is.
Gelukkig bevat de cd toch een werk dat verrast: Red Shift van Lois V. Vierk. Dit stuk voor cello, elektrische gitaar, keyboard en percussie begint met een paar lome akkoorden die zwoel naar elkaar toe glijden, bekroond met een slag van het bekken. In harmonische spanning en instrumentatie is het typisch de opmaat voor het echte werk. Het duurt even voordat je begrijpt dat dit echte werk waarschijnlijk niet gaat komen. De akkoorden worden herhaald en herhaald, als een magneet trekken ze naar elkaar toe, sloom en volkomen laid back. Dan klinkt een driftig drumstickje… nu gaat het komen! Het enige wat gebeurt is dat de spanning wordt verhoogd, maar een ontlading blijft uit. Zo wordt het ene openings-cliche na het andere toegevoegd. De aanzetten stapelen zich op, waardoor een rijke, complete muziek ontstaat, die alleen in harmonisch opzicht weigert op gang te komen. Uiteindelijk mondt dit geheel uit in een scheurende gitaarsolo, die ook weer zichzelf in de staart bijt.
Vierks Red Shift is werkelijk een spannend, ontregelend stuk. Dit soort treffers maakt het de moeite waard deze Newyorkse club te blijven volgen. Zeker aangezien een van de beste BoaC-componisten - Julia Wolfe - op deze cd ontbreekt.