Schandaal in de Russische kunstwereld

Flirten met Stalin

De uitreiking van de Kandinsky Premie, de belangrijkste Russische kunstprijs, heeft tot grote onrust geleid. De winnaar, Beljaev-Gintovt, is een zelfverklaard fan van Stalin. Zonder ironie. En hij is de enige niet.

MOSKOU, woensdagavond 10 december 2008, de tot galerie verbouwde wijnfabriek Vinzavod. Grote namen uit de Russische en internationale kunst-scene zijn bijeen voor wat wel Ruslands Turner Prize wordt genoemd: de uitreiking van de Kandinsky Premie. Curator en criticus Boris Groys kondigt de winnaar aan: de veertigduizend euro gaan naar de Moskouse kunstenaar Aleksej Beljaev-Gintovt. Er klinkt gejuich. En boegeroep. Mensen stappen op. Voormalig winnaar Anatolij Osmolovskij roept vanuit de zaal: ‘Schande!’ Genomineerde Dmitrij Gutov snelt naar Sjalva Breus – jurylid en redacteur van het gerenommeerde kunsttijdschrift en co-sponsor Artchronika – en zegt dat hij niets meer met diens tijdschrift te maken wil hebben. Bij de uitgang protesteren activisten met de leuzen: ‘Kandinsky schaamt zich!’ en ‘Fascist!’ In de maanden die volgen laten alle belangrijke Russische kunstenaars, curatoren en critici hun licht schijnen over het gebeuren. Ze voeren emotioneel getoonzette discussies in de pers, maar ook op blogs, waar weer op gereageerd wordt door andere bloggers. Kunstkenner Matthew Brown spreekt van ‘het grootste schandaal in de Russische kunstwereld in tijden’.

ZO’N DRAMA, Dostojevski waardig, ontvouwt zich in Russische kunstkringen niet elke dag. Wat gebeurt er in Rusland dat een uitreiking aanleiding is voor zoveel emotie en opwinding? Het winnende werk verklaart het oproer maar ten dele. Beljaev-Gintovt (1965) heeft een voorkeur voor monumentalistische doeken, bedekt met bladgoud en bewerkt met handafdrukken en totalitaristische motieven. Op zijn foto’s prijken vrouwen in traditionele Russische kleding – wapen in de hand of over de schouder – boven leuzen als ‘Eén ziel, één volk!’ en ‘Leve het Russische wapen!’ In de reeks waar de prijs voor werd toegekend hangen schilderijen van oudheidkundige monumenten naast socialistisch-realistisch aandoende doeken met Kremlin-torens, vernietigingsraketten en gespierde mannen die over het Rode Plein marcheren.
De keuze voor deze onderwerpen is niet verrassend voor een kunstenaar voor wie het stalinistische verleden nu eenmaal deel uitmaakt van zijn culturele bagage. Critici lijken ook niet in de eerste plaats geshockeerd door dat werk zelf. Moeilijker verteerbaar vindt men het politieke visitekaartje dat eraan hangt. Beljaev-Gintovt voert geen ironische dialoog met het verleden. In interviews verklaart hij vierkant achter Poetin te staan en bereid te zijn ‘staatsinstanties te ondersteunen’ – een belofte die hij herhaalt als de president van Zuid-Ossetië hem vraagt om een ontwerp voor de wederopbouw van Tschinvali. Beljaev-Gintovt biedt een wijk ‘in Stalin-stijl’ aan: ‘Iets nobelers dan Stalins architectuurproject bestaat niet.’ Wat er intussen met Georgië moet gebeuren, daar is de kunstenaar duidelijk over: ‘Tanks richting Tbilisi, Saakasjvili aan de spies.’
Stalin, tanks, geweld: daar, in de overbekende beelden waarvan Beljaev-Gintovt zich bedient, ligt de kern van de recente onrust. Wat de ruziënde critici en curatoren dwars zit is niet het gedachtegoed van deze individuele kunstenaar. Zij reageren op Ruslands toenemende politiek gemotiveerde omgang met het recente verleden, die met de toekenning van deze prijs ook in de kunst zijn intrede doet.
De Russische kijk op de eigen geschiedenis maakte de afgelopen tijd in meer dan één opzicht een transitie door. De oplettende kijker zag al in 2003 op een verkiezingsposter hoe Verenigd Rusland Stalin in een reeks historische helden plaatste. Poetin blinkt uit in publieke verklaringen van het type ‘Onze geschiedenis kent wel problematische bladzijden, maar minder dan andere landen’. Overheidsbepaalde richtlijnen voor nieuwe geschiedenisboeken bepleiten een ‘genuanceerder’ historisch bewustzijn en in nieuwe lesboeken lezen kinderen dat Stalin een ‘effectieve manager’ was, en zijn terreurbeleid een ‘rationele’ politieke oplossing. Instanties die zich bezighouden met de donkere kanten van het verleden ondervinden tegenwerking: onder het mom van crimineel onderzoek confisqueerde een gemaskerde politie-eenheid in december het volledige elektronische archief van onderzoekscentrum Memorial, pionier op het gebied van research naar de Stalin-terreur.
De revisiepolitiek werpt vruchten af: volgens recente opiniepeilingen oordeelt het merendeel van de Russen op dit moment positief over Stalin. Niet voor niets werd hij in december derde bij verkiezingen van de populairste Rus aller tijden – een project dat volgens onafhankelijke onderzoekers overigens minutieus werd gemanipuleerd door overheidsinstanties.
Los van deze ‘staatsgestuurde’ herwaardering van het verleden is de sovjettijd voor veel Russen object van – niet per se politiek gemotiveerde – nostalgie. Op de afkeer van de eigen geschiedenis die de perestrojka typeerde volgt nu bijna vanzelfsprekend een verlangen naar herwaardering van datzelfde verleden. En aangezien de schuldbewuste historische evaluaties van perestrojka-Rusland zich vooral tegen Stalin keerden, richt de tegenreactie zich vooral op een reïnterpretatie van zijn rol in de geschiedenis.
Die tendens overlapt ontwikkelingen elders, in Duitsland bijvoorbeeld. Waar de film Der Untergang in 2004 Hitler nadrukkelijk als mens toonde, bezong Viktor Jerofejev in hetzelfde jaar zijn jeugd in Stalin-Rusland in de provocerend getitelde roman De goede Stalin, en genoot de Russische tv-kijker drie jaar later van een opvallend humane Stalin in de soap Stalin.live. De ‘Ostalgie’ van voormalig Oost-Duitse jongeren heeft een post-sovjettegenhanger in legio Russische horeca in retro-sovjetstijl en online catalogi van sovjetcuriosa. Over ouderwetse speelgoedautootjes en retro-melkpakken discussiëren de bezoekers van deze sites even onbevangen enthousiast als over ansichtkaarten met Stalin als onfeilbare leider.
Maar uit de vaak radicaal-nationalistische commentaren van diezelfde bezoekers blijkt ook waarin de Duitse en Russische situatie verschillen. Daar waar Duitse pogingen tot historische revisie vooral om nuancering vragen (het verleden was niet alléén maar negatief) ondergaat Rusland een revival van het idee van een machtig Rusland à la Stalins Sovjet-Unie. Terwijl Duitse neonazi’s sociaal gemarginaliseerd zijn, is een groeiend aantal Russen in de ban van het (neo-)eurazianisme, een op vroeg-twintigste-eeuwse politieke filosofieën leunende ideologie die het idee dat Rusland ‘anders’ is dan het Westen combineert met apocalyptische visioenen van een groot Russisch Rijk. Ruslands populairste eurazianist, de schrijver en politiek activist Aleksandr Doegin, koestert onmiskenbaar ontzag voor zowel (aspecten van het) nationaal-socialisme als voor Stalin. Medestander Aleksandr Prochanov – schrijver en redacteur van de ultranationalistische krant Zavtra – verdedigt Stalins terreur in boeken die als warme broodjes over de toonbank gaan.
Hoewel geruchten willen dat het Kremlin de kas van de eurazianistische beweging spekt, sluit haar gedachtegoed niet naadloos aan bij officiële ideologieën. Wel is de invloed van eurazianisten in de publieke arena aanzienlijk. Doegin en Prochanov zijn geliefde gasten in prime time televisieprogramma’s en talkshows; hun ideeën staan centraal – zij het als object van parodie – in de nieuwste romans van veel gelezen auteurs als Viktor Pelevin en Vladimir Sorokin; en Doegin is een inspiratiebron voor een aantal invloedrijke Russische kunstenaars en galeriehouders. Tot die laatste groep hoort ook Beljaev-Gintovt, evenals zijn ontdekker, de steenrijke galeriehouder-curator Aleksandr Jakut. Jakut is mede-eigenaar van Triumph Gallery, een van Moskou’s internationaal meest vermaarde (en al even steenrijke) galerieën. Jakut, Triumph: dat is de wereld van de florerende Russische kunst-scene, de Moskouse jetset en de oligarchen, die in beeldende kunst een opportuun investeringsobject zien. Hun liefde voor kunst gaat hand in hand met een bovenmatige interesse in Doegins ideeën en in werk dat zijn ideologie omzet in krachtige beeldtaal – lees: Beljaev-Gintovt.

GEZIEN RUSLANDS traditie van politieke kunst hoeft de elite voor mystiek-politiek werk niet bij Doegin-adepten aan te kloppen. Onder sots-art (het Russische antwoord op pop-art) -kunstenaars, schrijvers en art house-regisseurs is het al lang bon ton om te flirten met het stalinisme. Al in de jaren zeventig beschreef Dmitrij Prigov Stalin in samizdatverhalen als hemelse verlosser. In de jaren tachtig portretteerde kunstenaarsduo Komar en Melamid hem als een door muzen omringde mythische held. Regisseurs staken in de jaren negentig energie in het recreëren van de verleidelijke grootsheid van de Stalin-jaren. In deze voorbeelden is ironie een onmisbaar element; maar ze ontstonden uit nostalgische fascinatie voor stalinistische grandeur die niet heel ver verwijderd is van Beljaev-Gintovts esthetiek. ‘We willen veel minder satirisch zijn dan mensen denken’, zegt Melamid in een interview: ‘De Stalin-tijd (…) was verschrikkelijk, maar ook diep, de echte tijd.’
Officiële revisiepolitiek, volksnostalgie, eurazianisme, sots-art: in het Beljaev-Gintovt-schandaal komen al die ontwikkelingen samen. De kunstenaar won een gezaghebbende prijs, uitgereikt in het hart van de Russische kunstwereld. Behalve door Artchronika is de premie gesponsord door de Deutsche Bank. In de jury namen internationaal gerenommeerde curatoren zitting als Andrej Jerofejev (voorheen Tretjakovgalerie) en Valerie Hillings (Guggenheim).
Maar tegelijkertijd is de ontvanger van de prijs zelfverklaard Stalin-fan en uitgesproken voorstander van een totalitair geregeerd Rusland. De oligarchen die de uitreiking vanuit een speciaal afgezette vipbox gadesloegen staan bekend om hun – zeker niet puur esthetisch gemotiveerde – voorliefde voor radicaal-nationalistische beeldtaal. Zij vormen de elite van een land waar Stalin al lang geen nie wieder-gevoelens meer oproept.
Die versmelting van artistiek liberalisme en politiek radicalisme zorgde voor een verwarrend evenement dat topnamen uit de Russische kunstwereld ervaren als een onheilspellend keerpunt. Curator Jekaterina Djogot rept van ‘een puur politiek conflict’; volgens Boris Groys vertegenwoordigt Beljaev-Gintovt een internationale nationalistische hausse, gevoed door de financiële crisis die ‘heftige politieke gevolgen kan hebben’; en wanneer Andrej Jerofejev spreekt van een Russische Leni Riefenstahl ondersteunt een aantal collega’s die interpretatie. Geschrokken heeft de juryvertegenwoordiger van de Deutsche Bank spijt betuigd over zijn betrokkenheid. En Osmolovskij, de kunstenaar die protesteerde vanuit de zaal? Die wordt bedreigd – aanvankelijk met een ‘laars op zijn smoel’, inmiddels met de dood – door fanatieke eurazianisten. In het Rusland van nu is de flirt met Stalin ineens zo ironisch niet meer.

Ellen Rutten is onderzoeker aan de Universiteit van Bergen (Noorwegen) en verbonden aan de Universiteit van Cambridge als co-organisator van de Contemporary Russian Culture Studies Group