Flitsen

Het is alsof je regelrecht de fantasie van een voyeur bent binnengevallen. Vera, alleenstaande schrijfster van middelbare leeftijd, heeft zich afgezonderd in een doods Vlaams pension om geconcentreerd te kunnen werken aan haar toneelstuk. Iedere dag ploetert ze voort, de deadline nadert, maar in de tweede paragraaf van dit verhaal ligt zij op bed, naakt, terwijl een jonge gigolo zich voor haar uitkleedt. Het lijkt aanvankelijk een eenmalige uitspatting, maar de volgende avond is de jongen er weer: ‘Ze zoende hem. Het verbaasde haar hoezeer zijn lippen al vertrouwd voelden, zijn mond geen geheimen meer leek te kennen, het ritme vanzelfsprekend was.’ De dag daarna zijn ze weer samen, ze bellen en praten, hun verhouding wordt steeds moeilijker te duiden.

Dit verhaal begint met een scène vol onuitgesproken hunkering, opgeroepen in slechts enkele neutrale, beschrijvende zinnen. Het is de bijzonder vaste toon van Bram de Ridder (1985) die hier de spanning opwekt, en de verhalen in deze bundel verbindt. Hij schrijft het soort minimalistisch proza dat meteen allerlei schrijfplatitudes oproept: ‘show, don’t tell’, ‘gebruik geen woord te veel’. De schrijver kiest voor weinig opsmuk en blijft zelf voornamelijk op de achtergrond. Het resultaat is dat de aandacht op de vertellingen zelf komt te liggen.

Die verhalen, wel twintig in totaal, vertonen een paar onderlinge overeenkomsten. Ze zijn relatief kort, meestal zo’n vijf tot zeven bladzijdes en ze zijn strak, kernachtig verteld. De verhaallijnen zijn klein. Je zou kunnen spreken van microplots, want ze zijn steevast in één zin samen te vatten: ‘Kind hoort van zijn grootouders dat zijn tante is overleden’, ‘Psychiater spreekt met zijn dochter over zijn overleden vrouw’, ‘Man en vrouw hebben gespannen conversatie tijdens het ontbijt’, en zelfs: ‘Zwaarmoedige man kijkt uit het raam en denkt na’. Het is dan ook onzinnig om dit boek verhaal na verhaal samen te vatten, dat zou geen recht doen aan wat De Ridder in Andere kamers daadwerkelijk probeert.

Wel komt dat tot uiting in het titelverhaal, meteen een van de sterkste uit deze bundel. Daarin loopt een naamloze fotograaf, 27 jaar, rond op de opening van zijn eigen expositie. De afgelopen maanden volgde hij de toer van sterpianiste Maria, 46. Hij fotografeerde haar veelvoudig, en nu, kijkend naar de intieme portretten, denkt hij terug aan hun intense gesprekken. Wanneer de verteller reflecteert op zijn bezigheden, schrijft De Ridder: ‘Zo speelde ik mijn rol als fotograaf, als observator. Ik gaf niets prijs, ik legde vast.’

De levens die worden geschetst flitsen voorbij; te vluchtig voor pathetiek, maar helder genoeg voor ontroering

De woorden van de verteller gelden in zekere zin ook voor de schrijver: in Andere kamers wordt steeds weer geobserveerd, vastgelegd zonder te verklappen. In datzelfde titelverhaal wordt bijvoorbeeld de suggestie gewekt dat de geheimzinnige band tussen Maria en de fotograaf wel op een affaire zou kunnen duiden, maar zo’n goedkope wending gunt De Ridder zichzelf niet. Sterker nog, zijn verhaal dooft hij achteloos uit, met een ambigu einde: de suggestie wordt niet ingeruild voor spannende conclusies.

De Ridder ontwijkt in dit boek zo een van de grootste valkuilen voor het korte verhaal: het verlangen om een korte tekst op een duidelijke, vaak dramatische ontknoping af te sturen. In Andere kamers vind je gelukkig geen gesloten eindes, geen moralistische conclusies. De levens die worden geschetst flitsen voorbij; te vluchtig voor pathetiek, maar helder genoeg voor ontroering.

Small dg 18 16 c

In het verrassend mooie I love Merlijn komt de verteller een oude schoolvriend, Merlijn, tegen. Hij denkt terug aan hoe verliefd hij toentertijd was op deze indrukwekkende jongen, die nu aan lager wal is geraakt. Ook memoreert hij een spectaculaire jeugdherinnering, waarin Merlijn en hij na sluitingstijd naakt en extatisch in het buitenbad zwemmen, waarna Merlijn enige tijd verdwijnt om de badmeester onder handen te nemen. ‘Ik wist zeker dat het uit zou komen, dat we bestraft zouden worden, dat er toch iemand geweest was die alles had gezien. (…) Gedurende het schooljaar sleet het ongemak van de herinnering af tot er nauwelijks meer iets van over was.’ Merlijns macht lijkt jaren later verdwenen, maar de bewondering van de verteller blijkt drugsgebruik en armoede bestand te zijn: ‘Merlijn is de gevoeligste. Merlijn is soeverein.’ Maar dat waar je tegen het einde van het verhaal voor gaat vrezen, word je gelukkig onthouden: geen fatale overdosis, geen tranen van spijt. Ook dit verhaal koerst doelgericht af op een emotionerende, zeer bescheiden climax, en vervluchtigt snel weer na dat bereikt te hebben.

Soms zijn de vertellingen wat al te klein, gaan ze op in lucht zonder een indruk achter te laten. De Ridder balanceert in zijn bedrieglijk lichte verhalen wel vaker op de rand van het banale; hij schrijft in deze verhalenbundel over de gewichtigheid die schuilgaat onder de kleinste, alledaagse interacties. ‘Andermans boeken zijn duister te lezen’, staat er tot tweemaal toe in het eerste verhaal, en dat is precies wat in Andere kamers meermaals wordt aangetoond. De verhalen bieden kortstondige blikken in andere mensenlevens, beschrijven nauwkeurig wat daarin plaatsvindt, maar de ware gevoelens en de drijfveren van de personages blijven steeds verborgen, onbenoembaar. Zo ook in Zeep, het verhaal over de schrijfster en de gigolo: tot de laatste zin is onduidelijk of er sprake is van een transactie of van liefde, van intimiteit of illusie. De diepste belevingen van anderen blijven in de verhalen van Bram de Ridder keer op keer in het ongewisse; net als in de werkelijkheid zijn ze alleen via de verbeelding te begrijpen.