Rare huizen voor rare mensen

Flodder in Denemarken

Vorige week werd bekend dat het kabinet en de vier grote steden binnen zeven jaar alle dak- en thuislozen van straat willen hebben. De overlast moet zo verminderd worden. In Denemarken is men enthousiast over het project «rare huizen voor rare mensen».

Al jaren wordt gezocht naar oplossingen om extreme overlast, met name in de grote steden, aan te pakken. Dat die oplossingen soms tot veel ophef leiden, bleek toen enkele jaren geleden bekend werd dat de gemeente Kampen extreme overlastgevers in woon containers plaatste. Want waren we hier niet bezig om mensen van de samenleving uit te sluiten en weg te stoppen?

Het ontbrak de Kampense oplossing met wooncontainers aan een filosofie, concludeert de DSP Groep in een recente evaluatie: «Het enige doel was: deze mensen moeten weg uit de woonwijk, zodat daar de rust weer kan weer keren.» Hoewel in verschillende steden experimenten zijn geweest, heeft nu alleen Maastricht nog een vergelijkbare oplossing zoals in Kampen bestaat. Toch zijn meer gemeenten naarstig op zoek naar oplossingen voor extreme overlast. Het gaat dan om mensen die al vaker uit hun woning zijn gezet, die moeilijk te handhaven zijn en geen hulp willen en uiteindelijk het risico lopen een dakloos bestaan tegemoet te gaan.

Sinds het experiment in Kampen wordt het debat gevoerd over wat met overlastveroorzakers moet gebeuren. De grote landelijke politieke partijen staan meer dan voorheen open voor niet-reguliere oplossingen waar het gaat om het huisvesten van deze groep. Landelijk gaat het volgens schattingen om ongeveer tienduizend mensen. De angst bij veel gemeenten is echter groot om het voorbeeld van Kampen te volgen en het verwijt te krijgen groepen uit te sluiten en te stigmatiseren.

«Ten onrechte», vindt Jeroen Singelenberg van de SEV, een door VROM gefinancierd innovatieplatform dat zich met maatschappelijke vraagstukken op het gebied van wonen bezighoudt. Singelenberg vindt dat het Kampense voorbeeld verder uitgewerkt en beter toegesneden moet worden op de groep die niet binnen een gewone woonwijk past. Een meer individuele benadering zonder betutteling, is het motto. Waar in Nederland gesproken wordt over asowoningen zou «de leefstijl van overlastgevers» meer ruimte moeten krijgen binnen kleine voor hen bestemde gebieden. In Denemarken is een voorbeeld voorhanden dat goed werkt en waar een duidelijke filosofie achter steekt. De Denen hebben skæve huse til skæve existenser, «rare huizen voor een raar bestaan», waarover de SEV onlangs een boekje uitgebracht heeft.

Inspiratiebron van de rare huizen is hippiekolonie Christiania in Kopenhagen. Het was een onderzoeker opgevallen dat in alternatieve woongemeenschappen een veel grotere tolerantie voor afwijkend gedrag bestaat. Naast kunstenaars blijken ook andere mensen die om wat voor reden dan ook niet in een gewone woonwijk passen, binnen een alternatieve gemeenschap een plek te vinden. De Deense regering begon in 1999 met een subsidieprogramma voor Skæve Huse. In korte tijd werden 360 woningen gebouwd op 49 verschillende locaties in het land. Vanwege de goede ervaringen met de formule is het project tot 2008 verlengd.

In de woningen – die als een van de weinige eisen hebben dat ze brandveilig en sanitair in orde zijn – is plaats voor mensen die «afwijkend gedrag» vertonen. Zwervers, junks en psychiatrische patiënten wonen, ieder in een eigen woning, in een stuk of tien units bij elkaar. Een groter aantal woningen is niet ideaal omdat het risico dat conflicten uit de hand lopen dan groter wordt. Overigens zetten de Denen de rare huizen ook op enige afstand van een wijk om niet opnieuw met klachten van overlast te maken te krijgen.

De sleutel tot het succes is volgens Singelenberg de bescheidenheid van de Denen: «Het programma beoogt vóór alles de meest onmogelijke en asociale mensen een dak boven het hoofd te geven. Dat is beter voor de samenleving, want straatslapers zijn voor veel anderen ontsierend en hinderlijk. Maar vooral biedt het de mensen in kwestie een menswaardiger leven.»

Hoewel de rare mensen in hun rare huizen meer vrijheden hebben dan mensen in gewone wijken – het is bijvoorbeeld toegestaan om van alles aan en bij te bouwen – worden ook duidelijke grenzen gesteld. De huur wordt door de corporaties van de uitkering afgetrokken en zij zorgen er ook voor dat de woningen enigszins schoon blijven. Woonbegeleiders van de ge meente onderhouden contact met hulpverlenende instanties en houden de bewoners in de gaten. Want iedere bewoner moet zijn of haar huisje enigszins bewoonbaar houden en rekening houden met bewoners in de andere woningen.

In feite wordt in de rare-huizenprojecten gezocht naar een balans die voor de mensen die er wonen goed werkt. Dus geen disciplinering om zo snel mogelijk weer in een gewone wijk te wonen, maar wel toezicht waardoor een stabiele omgeving gegarandeerd wordt. In het «Deense model» is hulp bij sociale integratie altijd beschikbaar maar hoeft niet te worden geaccepteerd. Er wordt dus geen druk uitgeoefend op de bewoners.

Volgens de SEV verdient het voorbeeld van de Denen navolging, want extreme overlast kan worden aangepakt en de bewoners van de rare huizen kunnen meer hun eigen gang gaan. Waarom geforceerd proberen om verschillende leefwijzen samen te laten gaan als je in aparte buurten allebei tevreden bent? Wie zich niet prettig voelt in een normale woonwijk kan beter een andere omgeving geboden worden, is de gedachte. Het is in feite bouwen voor een in de volkshuisvesting amper benoemde leefstijl, namelijk die van «leefstijl raar».

Samen met de SEV denken zeven andere gemeenten dat het Deense model een oplossing kan zijn voor de aanpak van woonoverlast. Zij hebben interesse getoond om te experimenteren met rare huizen voor rare mensen in hun eigen gemeente. Vanwege de gevoeligheid wil Singelenberg niet zeggen om welke steden het gaat, maar wel dat nog voor de zomer van 2006 drie steden hun eerste units neer zullen zetten. Deze gemeenten en corporaties zijn al bezig om kandidaten en locaties te selecteren. Daarbij zullen de verschillende steden een aanpak ontwikkelen die geïnspireerd is op het Deense voorbeeld maar rekening houdt met de specifieke omstandigheden van de betreffende gemeente.

Singelenberg denkt dat brede navolging van de Deense ervaringen in Nederland in sterke mate zal afhangen van de ervaringen van de gemeenten die nog dit jaar gaan beginnen met hun experimenten. Hij is er in ieder geval van overtuigd dat het een ontbrekende schakel in de opvangketen is die bovendien een snelle oplossing kan bieden voor problemen met woonoverlast. Daarom is het van belang om op voorraad te bouwen, want nu moet vaak te lang gewacht worden op vervangende woonruimte als zich ernstige problemen met woonoverlast voordoen. Een «raar huis» biedt een permanent alternatief of «een periode om even tot rust te komen».

Als de ervaringen positief zijn, kan dat een cultuuromslag betekenen die nu tegen gehouden wordt door oude denkpatronen en gebrek aan durf. Aan de wettelijke mogelijk heden voor navolging van het Deense experiment ligt het namelijk niet. Een speciale stimuleringsregeling, zoals in Denemarken, is voor het neerzetten van rare huizen in Nederland dan ook niet nodig. Het huisvesten van iedereen die zichzelf niet kan huisvesten, hoort in Nederland tot de wettelijke taak van woningcorporaties. De gemeente heeft de taak om te zorgen voor toezicht van de brandweer en de politie en voor het bieden van locaties voor rare huizen. Die locaties zijn vanwege bezwaren van bewoners overigens wel een struikelblok. Maar het innovatieplatform ziet vooral weerstand bij volkshuisvesters die tweedekanswoningen een beloning voor slecht gedrag vinden en hulp verleners die bezwaar maken als integratie niet het voornaamste doel is. De SEV brengt daar de relativiteit van het begrip integratie tegenin, want «ook het verruilen van overlast en dakloosheid door autonomie en comfort is een nastrevenswaardig doel».

Het oplossen van woonoverlast en een leven op straat is een streven waar iedereen alleen maar voorstander van kan zijn. En dat geldt ook voor het versterken van de autonomie van «rare mensen». Bovendien is de afwezigheid van dwang om te resocialiseren een sympathieke gedachte.

Volgens de SEV is de vervreemding van de maatschappij niet aan de orde omdat de rare mensen in Denemarken onder meer contacten hebben met de toezichthouders. Bovendien stellen de auteurs van het boekje dat «het de vraag is in hoeverre de bewoners behoefte hebben aan contact met andere mensen». Maar hoe zit het met de andere kant? Worden «gewone mensen» niet alleen maar gevoeliger voor «raar gedrag» door het feit dat rare mensen in een aparte enclave wonen? Van gated communities in de Verenigde Staten waar welgestelde bewoners zich achter hun veilige hekken terugtrekken is bekend dat die gevoeligheid wel degelijk toeneemt. Inzicht in effecten op lange termijn is dan ook nodig.

Lastig, ook, is het om te overzien waar de grenzen precies liggen, want wie bepaalt immers wanneer iemand «raar» is? Daar gaat de vergelijking met alternatieve woongemeenschappen ook mank: mensen kiezen in dat geval zelf voor zo’n gemeenschap. In het geval van de rare huizen is de motivatie in eerste instantie een negatieve, namelijk de last die zij anderen bezorgen. De SEV erkent ook dat «rare huizen voor rare mensen» sympathieker klinkt dan «asowoningen». Die eufemistische bewoording hebben we blijkbaar nodig om rare mensen een afzonderlijke plek te geven. Hoe vriendelijker het klinkt, des te gemakkelijker wordt het om dergelijke rare huizen voor rare leef wijzen in Nederland geaccepteerd te krijgen.