Ger Groot

Floppen

Het blad Media Facts heeft in zijn oktobernummer van vorig jaar tien redenen gegeven waarom tijdschriften mislukken. Ze varieerden van geen doelgroep en zwakke inhoud tot een te smal marktsegment en de ijdelheid van uitgevers of redacteuren die zichzelf belangrijker vinden dan hun lezers. Als je het lijstje overziet, verbaas je je dat er nog tijdschriften zijn die het wél halen.

En dan zijn nog niet eens alle mogelijke calamiteiten genoemd. Wie bladert in Floppen en fiasco’s, het zojuist verschenen lustrumboekje van het Tijdschrift voor tijdschriftstudies (uitg. Vantilt), komt heel wat burlesker redenen van vroege ondergang tegen, van plotselinge liefdesperikelen van de organiserende redacteur tot bloedbrakingen van die ene medewerker wiens naam het blad het nodige cachet had moeten geven.

Wat nergens als handicap wordt genoemd, is een oorbezerende titel. Wat dat betreft heeft Media Facts met zijn ondertitel Vakblad over uitgeven in ieder geval zijn best gedaan. Tijdschrift voor tijdschriftstudies klinkt daarentegen, ondanks het onmiskenbare academisme ervan, wel weer lekker. Het heeft een ratelend ritme en de mise-en-abîme werkt nieuwsgierig makend mysterieus.

Toegegeven: op den duur maakt een titel weinig verschil. Wie staat nog stil bij zoiets bizars als De Groene Amsterdammer (waarom groen?), HP/De Tijd (klinkt naar een laserprinter), of Dietsche Warande & Belfort, waarvan je elk woord in de Van Dale moet opzoeken? Een titel is alleen belangrijk bij de lancering van een tijdschrift, totdat hij een vanzelfsprekend chiffre geworden is. Wanneer het succes toeslaat, doet hij er niet meer toe.

Daarom klinken veel van de titels in dit lustrumboekje, dat geheel aan mislukte tijdschriften is gewijd, zo bizar. En naarmate ze recenter zijn, en het vergeefs beoogde lezers publiek groter, worden ze alleen maar curieuzer. Twen, Brard!, Frou Frou, Loeloe, Jippo, Rits en O — er moet in de redactiekamers heel wat voorbereidend zweet vergoten zijn dat een betere zaak waardig was.

Geldt dat ook voor de geflopte tijdschriften zelf? Of, zoals Renée Vegt uitdrukt: is een tijdschrift mislukt als er slechts enkele nummers van zijn verschenen? Kort levende literaire tijdschriften als Braak en Barbarber bewijzen het tegendeel. Hun invloed overschreed ruimschoots hun publiekssucces, net dat van het tijdschrift Mécano van Theo van Doesburg, waarschijnlijk de Nederlandse kampioen in het lanceren van jonggestorven periodieken.

Het woeste darwinisme waarin tijdschriften ontstaan en verdwijnen, is minder rampzalig dan het lijkt. Met hun hechte band met de tijd lijken tijdschriften bijna vanzelf een claim te leggen op de eeuwigheid. Zolang de tijd duurt, zullen zij die met hun periodieke verschijning blijven markeren. Daarom lijkt elk verdwijnend blad een catastrofe. Maar in werkelijkheid leven ze op geleende tijd. Een tijdschrift dat het langer volhoudt, is alleen maar een eendagsvlieg met een bovengemiddeld evolutionair succes.

In het jongste nummer van Ons Erfdeel, met zijn 45 jaar een hoogst succesvolle eendagsvlieg, maakt Siem Bakker de balans op van literaire tijdschriften in Nederland en Vlaanderen. Gesubsidieerd worden er alleen al 25. Daarnaast is het aantal ongesubsidieerde bladen en blaadjes niet te tellen — niet in de laatste plaats omdat hun verschijnen en verdwijnen nauwelijks is bij te houden.

Bakker is vol vertrouwen in de toekomst van de literaire tijdschriften, onmisbaar — meent hij — voor aanstormend jong talent. Wel is er een chronisch tekort aan kopers en abonnees, maar dat is de sores van alle tijden geweest. Ook aan de andere kant van de vijver, waar gevist moet worden naar goede medewerkers, houdt de schaarste het aantal tijdschriften met harde hand in toom. «Is dit nu timmerhout?» schreef Jacob Geel in 1838 aan Thorbecke, na de lijst van Leidse hoogleraren te hebben doorgenomen op zoek naar scribenten voor een nieuw recensietijdschrift — dat er dan ook niet kwam.

Het grootste zwak van kwakkelende tijdschriften is hun gebrek aan punctualiteit: een vreemde ondeugd voor een periodiek. Het aardigste voorbeeld in het lustrumboekje is het negentiende-eeuwse Muzijkaal tijdschrift, dat slechts één jaargang heeft gekend maar waarvan de geschiedenis een heel decennium beslaat. Is het zo ver gekomen, dan is een tijdschrift in het voorgeborchte van de hel. «Een tijdschrift kan zich heel wat permitteren», schrijft Bakker in Ons Erfdeel, «maar niet dat het niet verschijnt.»