Zangeres Pitou

Fluisterend bedwelmen

Bij Pitou blijft elke vorm van opsmuk uit. Het resultaat is een zacht, zuiver geluid dat je misschien al eens eerder hoorde, maar dat niettemin bedwelmt.

Pitou zingt het soort zang waar je wel naar moet blijven luisteren © Kasper van Steveninck

Op YouTube staat een filmpje van het Kinderen voor Kinderen Songfestival 2003. Te zien is een nauwelijks verlicht, nagenoeg leeg podium. Daarvoor: de contouren van een publiek, maar niemand is herkenbaar. Ergens aan de zijkant staat een piano die zachtjes wordt bespeeld, door wie is eveneens onduidelijk. De enige die we helder kunnen zien is het jonge meisje dat in het midden van het podium plaatsneemt. Tien jaar schijnt ze te zijn. Algauw komt ze in close-up in beeld. Vlechtjes, een oorbelletje, bijzonder ernstige blik. Haar mond wordt grotendeels bedekt door een enorme microfoon. Zichzelf voorstellen of inleiden doet ze niet, ze begint meteen met zingen. ‘Ik heb een schuldgevoel. Waardoor ik heel vaak heel lang wakker lig. En ik durf er niet over te praten.’

Het is het bekende kinderliedje De pest aan pesten, in een van de beste uitvoeringen die ik ken. Foutloos en onbeweeglijk wordt het gezongen, het meisje zet geen stap opzij, maakt met niemand oogcontact, ze staat erbij als een pop. Alsof ze zich volledig wil concentreren op haar stem. Hoog is die en opvallend zuiver, er zit geen valse noot tussen, ook niet bij de lange uithalen die later in het nummer volgen. Als ze uitgezongen is, kijkt ze nog steeds niet op naar het publiek of naar de jury, die haar optreden later met de tweede plek zal belonen. Ze slaat haar ogen neer en lijkt vooral te balen dat ze niet door mag zingen.

Bij zulke televisiefragmenten vraag ik me als kijker vaak af: goh, hoe zou zo’n leven verder gaan, blijft zo’n liefde voor muziek behouden, hoe ziet de toekomst van dit kind eruit? In het geval van deze deelneemster is het bekend. Ze bleef zingen. Eerst vijf jaar in het Nationaal Kinderkoor – fun fact: daar kwam ze direct na die Kinderen voor Kinderen-finale terecht, in de trein terug naar huis sprak een meisje haar aan dat in het publiek had gezeten en nodigde haar uit in het koor te komen – en vervolgens voor het klassieke Kobra Ensemble en ook als soloartieste. Haar voornaam werd haar artiestennaam. Pitou.

In essentie doet de zangeres vandaag de dag hetzelfde als tijdens die finale in 2003. Natuurlijk, de omstandigheden zijn flink veranderd: haar stem is onvermijdelijk zwaarder geworden en ze beheerst hem hoorbaar nog beter, ze staat op andere podia en vooral tegenover andere luisteraars, ze zingt zeker op haar onlangs verschenen tweede EP I Fall Asleep So Fast veel minder hapklare, afgewerkte nummers dan voorheen, niet meer voor kinderen bovendien – en ze schrijft nu haar eigen teksten die ook nog eens in het Engels zijn. En toch. De basis is hetzelfde: zij vormt het middelpunt, zij zingt zachtjes, fluisterend bijna. Verder gebeurt er weinig en dat is duidelijk een bewuste keuze.

In het werk van Pitou zijn er amper pakkende refreinen. Er is geen sprake van extravagante videoclips of een overdonderende performance, er doen zelfs amper instrumenten mee. Een gitaar, zachtjes, ver weg. Soms zelfs dat niet. Soms is er ook een zachte drum, soms zijn er strijkers. Maar om welk nummer het ook gaat, de muzikale omlijsting is vrij summier, de nadruk blijft liggen op Pitou’s stem.

Op de meeste momenten is dat genoeg: de muziek van Pitou klinkt dan dromerig en dwingend tegelijkertijd, intiem en toch raadselachtig. In de traditie van, pak ’m beet, Björk of nog duidelijker Laura Marling, het soort zang waar je wel naar moet blijven luisteren, muziek die je ongemerkt uren achtereen kunt luisteren.

De muziek van Pitou klinkt soms dromerig en dwingend tegelijkertijd

Op andere momenten hebben Pitou’s nummers door de minieme opzet wel iets kaals – harder gezegd – inwisselbaars, zeker als de teksten plots vrij concreet worden en zo de zweverige sfeer doorbreken. Waar het al genoemde I Fall Asleep So Fast zich tekstueel niet zomaar laat kennen – en een diepe eenzaamheid verraadt zonder dat Pitou al te grote woorden gebruikt, gelukkig maar, haar teksten gedijen bij het mysterie – schurkt haar debuut-EP Pitou (2016) tegen de pathetiek aan. Elk nummer gaat daar over hunkering. Over (on)mogelijk samenzijn. En vooral over liefde: een grootse eerste liefde die natuurlijk geen stand kan houden, de liefde die beëindigd is, de liefde die geen kans van slagen heeft, de liefde die te laat is om te redden, noem het maar op. ‘I want to forget my memory of you/ But I don’t want the memory to be forgotten therefore/ I’ll sing these words/ As if they were someone else’s.’

Sfeervol gezongen, zeker, en het heeft misschien iets flauws om zo’n citaat zonder bijbehorende muziek of context te geven – op die manier valt iedere artiest wel te bekritiseren. Maar vernieuwend is zo’n verhaal over verdwenen liefde natuurlijk niet, en scherp geformuleerd evenmin. Pitou’s vroege werk wekt inhoudelijk hier en daar de indruk van een veredeld middelbare-schooldagboek, waar vervolgens muzikaal weliswaar iets interessants mee wordt gedaan, maar toch betrapte ik me ook af en toe op de gedachte: ja, dit mag wel wat scherper geformuleerd, dit kabbelt een beetje voort, we kennen het wel.

Mogelijk wreekt zich daar de bekendheid en brede toegankelijkheid van het genre. Mogelijk ook wel mijn niet al te geoefende folk-oor. Ik heb me namelijk vaak genoeg op muziekfestivals begeven om jonge, talentvolle zangeressen met een gitaar te horen die persoonlijke, droevige nummers zingen – en weer te weinig om alle nuances te horen, alle kleine muzikale variaties, alle subtiele verwijzingen en minieme kwaliteitsverschillen.

De eerste keer dat ik de muziek van Pitou luisterde, bekroop me hoe dan ook de overtuiging dat ik dit vaker had gehoord. Ik controleerde het zelfs tevergeefs in mijn luistergeschiedenis. De tweede keer werd ik al meer gegrepen door de ingetogen sfeer, de stem die zich misschien wel het beste laat omschrijven met het adjectief ‘zuiver’ en die sinds die Kinderen voor Kinderen-finale meer en meer een eigen smoel heeft gekregen.

De derde keer, toen ik bij recenter werk aankwam, merkte ik dat ik er zowaar in opging. En de keren daarna luisterde ik vanzelf, zonder erbij na te denken, nu eens als achtergrondmuziek en dan weer geconcentreerd, Pitou’s klanken lenen zich voor allebei.

Nee, dit is geen zangeres die je omver blaast met revolutionaire concepten. Niet iemand om diepe analyses op los te laten, nog niet in elk geval. Niet iemand die vernieuwend allerlei genres verbindt en de boel wakkerschudt.

Pitou is een zangeres die paden betreedt die anderen ook al zijn ingegaan en dat niettemin vol overtuiging doet. Die juist door nooit te schreeuwen, door veelal te fluisteren, de aandacht op zich vestigt. Je moet je best doen om het te blijven volgen. Zonder rare fratsen, met een zeldzame toonvastheid en overgave. En zo bedwelmt ze je stapje voor stapje. Mij bedwelmde ze in elk geval. En af en toe kreeg ik het gevoel dat alleen de betere muzikanten kunnen oproepen: ja, dit is gezongen opdat ik het nu hoor, ze zingt alleen voor mij, voor niemand anders.


Pitou, I Fall Asleep So Fast, (label: Mink Records).