Fluiten in de hel

Aan de westkant zitten de Kroaten, aan de oostkant de moslims, en in de bergen eromheen de Bosnische Serviers. Mostar, waar dagelijks de granaten fluiten, waar de soldaten dronken zijn,r en waar de meisjes bikini’s onder hun moslim-kleding dragen.
MOSTAR - Vrijdagochtend. Voor de derde achtereenvolgende dag worden we gewekt door een salvo mortiergranaten. Op de radio horen we dat het Kroatisch offensief op Knin is ingezet. Voor de Bosnische Serviers aan de andere kant van de bergen een reden om Mostar te beschieten.

De granaat is ingeslagen op de rotonde, in het centrum van west- Mostar. Takken op straat, granaatscherven zo lang als een vinger, een wegscheurende ambulance. De muren zijn doorboord met gaten, alle ruiten in een straal van vijftig meter kapot. Een VN-waarnemer in wit pak loopt volkomen hysterisch te krijsen dat iedereen rustig moet blijven. Verbaasd wordt hij aangestaard door een man die gruis en takken van zijn auto veegt. De ruiten in zijn auto zijn uit de sponningen geslagen.
Als je een mortiergranaat hoort fluiten, is er niets aan de hand. Dan heb je nog een fractie van een seconde en moet je zo snel mogelijk dekking zoeken. Als je hem niet hoort fluiten, kan je beter bidden. Want binnen een straal van vijftig meter is de kans groot dat een van de duizenden scherven je lichaam openrijt. Vooral de angst voor de mortiergranaten is gekmakend. Je bent je leven geen seconde meer zeker. Het ene moment zit je op een terras, drink je een pilsje en lees je de krant, het andere moment lig je te trillen in een portiek of achter een muurtje. Je krimpt ineen bij het horen van piepende remmen, dichtslaande deuren, fluitende soldaten. Je loopt niet meer rustig over brede straten en markten. Het heeft geen zin om naar de reacties van de bewoners te kijken. Iedereen is bang. Iedereen zoekt voortdurend naar dekking, naar een trapportaal of een muurtje.
Psychiater Karadzic is gespecialiseerd in psychologische oorlogsvoering. Mostar is een prachtig laboratorium voor de leider van de Bosnische Serviers. De stad ligt ingeklemd tussen de bergen, op zestig kilometer van Sarajevo. Genieten van het landschap is onmogelijk: achter de bergen schuilt de dood. De dood in de gedaante van een paar dronken Cetniks. De honderdduizend bewoners van Mostar zitten als ratten in de val.
VOOR DE oorlog was Mostar de trots van Joegoslavie, een modelstad met het hoogste aantal gemengde huwelijken. Moslims, als ze zich al zo noemden, woonden aan weerszijden van de Neretva-rivier. Tot de Kroaten het nodig vonden West-Mostar uit te roepen tot onlosmakelijk deel van de Kroatische republiek van Bosnie-Herzegovina. Een deel van het eeuwenoude islamitische deel van de stad was toen al verwoest door de oorlog met de Serviers. Voor de Kroaten was dat nog niet genoeg. Met zwaar geschut bestookten ze maandenlang de vijftigduizend bewoners aan de oostkant. Een groot deel van die bewoners was al als vluchteling uit andere delen van Bosnie naar de stad gekomen.
In Oost-Mostar staat sinds die vuile oorlog bijna geen gebouw meer overeind. Om Oost te bereiken moet je een hangbrug over, recentelijk geschonken door de Engelsen. Per dag mogen tweehonderd moslims te voet de westoever bezoeken. Veelal ouderen, met een boodschappentas als enige bezit.
Aan de Kroatische zijde staat, te midden van de ruines, een tafel. Twee soldaten nemen verveeld de identiteitskaarten door. Na een minuut lopen bereiken we Bosnie, met het zestig kilometer verderop gelegen Sarajevo als hoofdstad. Tussen de puinresten en de ruines wemelt het van de zwerfhonden, allemaal de staart tussen de benen, gek geworden van de knallen. Niemand lijkt nog te werken. Uitgeputte soldaten, zojuist teruggekomen van het front, zitten op terrassen van zwaar gehavende cafes en drinken bier, heel veel bier. Alleen de horeca functioneert nog in de spookstad.
Op de plaats van de wereldberoemde brug over de Neretva hangt nu een voetgangersbrug. Tussen het puin worden ansichtkaarten verkocht en allerlei ambachtelijk werk. De schaarse bezoekers zijn de medewerkers van hulporganisaties.
DE BEGRAAFPLAATS naast de centrale moskee in Oost-Mostar. Een moeder bidt bij de graven van haar man en haar drie zoons, die kort na elkaar zijn gesneuveld. Ze is amper veertig, een mooie vrouw zonder enige gezichtsuitdrukking. Als een robot verricht ze de rituele handelingen. Haar dochter komt even later met water en besproeit de bloemen op de verse graven, ook zonder een spoor van emotie.
Plotseling het gevreesde fluiten boven onze hoofden. We duiken weg onder een rozenstruik, wachtend op de knal. Maar er volgt geen knal. De granaat valt achter de moskee maar ontploft niet. Als we opnieuw het fluiten horen, duiken we een poort in. De rozenstruik was al niet zo'n goede beschutting, maar de poort is ook niet veilig. Honderden gaten in de muur en een lang bloedspoor op een meter hoogte. We rennen de poort door en springen een donkere ruimte in. Te midden van matrassen en groentekisten zit daar een vrouw met haar jonge dochter en twee zoontjes. De zoontjes spelen met houten geweren, de dochter staart ons apathisch aan. Ze is hoogstens vijftien. Ze heeft het gezicht van een dode. De moeder geeft ons water. Voor het eerst die dag gaat het luchtalarm af. De moeder lacht en gebaart dat het nu veilig is. Het eerste, waarschuwende luchtalarm is niet eens afgegaan.
Als we bevend naar buiten komen, blijkt de vrouw nog steeds tussen de graven van haar man en zonen te zitten, onbeweeglijk. Ze is de bloemen aan het schikken.
De moskee loopt vol, granaten of geen granaten. Terwijl het een van de gevaarlijkste plekken is: de Serviers weten precies waar de moskee staat. In Tuzla, in Oost-Bosnie, viel eind mei een granaat op een plein, op een tijdstip dat iedereen op straat was. Het projectiel richtte een slachting aan: 72 doden, hoofdzakelijk kinderen.
In het cafe naast de moskee drinken we bier tegen de schrik. De moslims in Oost-Mostar maken geen problemen over drank. Maar als we om spek bij de gebakken eieren vragen, schudt de cafe-eigenaar het hoofd. ‘Wij zijn moslims, we eten geen spek.’
ALIJA (17) WOONDE tot vorig jaar met zijn familie in West-Mostar. Toen de oorlog uitbrak tussen het Kroatische en het Bosnische leger was het voor de islamitische familie te laat om naar de toen nog veilig geachte oostkant te vluchten. Ze kregen huisarrest en werden regelmatig gemolesteerd door de Kroatische soldaten. Op een nacht werden ze door het Kroatische leger gedwongen de levensgevaarlijke demarcatielijn over te steken, waar het wemelt van de mijnen en sluipschutters. De familie van Alija overleefde de oversteek, maar Alija vergeet nooit het gekerm en gekrijs van de mensen die om hem heen neervielen. De oostkant bleek een hel. Uiteindelijk kwam de familie in een vluchtelingenkamp in Turkije terecht. Daar leefden ze onder dusdanig erbarmelijke en mensonterende omstandigheden dat ze besloten terug te gaan naar Oost-Mostar. Nu brengt Alija zijn dagen door in het jeugdhonk van Terre des Hommes, een Zwitserse liefdadigheidsorganisatie die zich overal ter wereld bezig houdt met de opvang van oorlogskinderen.
Hulporganisaties als Unicef, Artsen zonder Grenzen en Terre des Hommes worden op alle mogelijke manieren tegengewerkt in Mostar. Van autoriteiten is aan beide zijden van de rivier geen sprake meer. De ambtenaren zijn tijdens de oorlog vertrokken, hun plaatsen zijn ingenomen door boeven en bandieten. De corruptie is stuitend. Terre des Hommes kreeg een zending van tien computers uit Zwitserland en moest dat aangeven bij de gemeente in West-Mostar. De bevoegde ambtenaar, of de man die zich zo noemde, zei dat hij drie computers wilde hebben, anders konden ze de zending wel vergeten. De computers liggen nog steeds ergens in een magazijn. De afgelopen maand zijn er twee auto’s gestolen van Terre des Hommes. Klagen bij de politie heeft geen zin, want er is geen politie meer in Mostar. De stad is in handen van de mafia.
De politiemannen van de Europese gemeenschap, speciaal ingezet om de vijandelijkheden tussen Oost- en West-Mostar te voorkomen, brengen hun tijd hoofdzakelijk door in Hotel Ero. In de linkervleugel van het dure hotel wonen bejaarden. Tot twee dagen geleden was het hotel nog niet een keer geraakt door een mortier. Volgens de bevolking omdat er bejaarden wonen. Tot een mortiergranaat een hotelkamer wegblies. De Europese agenten zitten sinds die aanslag een stuk minder ontspannen in het hotel te drinken. Hoongelach van de bevolking is hun deel, en dat geldt ook voor de Spaanse Unprofor-soldaten, die je sporadisch ziet rondrijden in hun witte tankjes. Mostar is er niet veiliger op geworden sinds ze zijn neergestreken in Hotel Ero.
Na de avondklok van tien uur is het levensgevaarlijk in de straten van Mostar. Dronken soldaten, zojuist teruggekeerd van het front, zwalken over straat en schieten hun kalasjnikovs leeg in de lucht. In juni schoot een soldaat een psychiater van Medicos del Mundo dood, de Spaanse variant van Artsen zonder Grenzen. Vervolgens schoot hij ook nog een toevallige voorbijganger overhoop en sloeg toen de hand aan zichzelf.
De hulporganisaties hebben niet alleen te kampen met de autoriteiten, of wat daar voor door gaat. Ook de bevolking werkt hen steeds vaker tegen. Terre des Hommes stuit op achterdocht van ouders die zich afvragen wat hun kinderen in de enige twee jeugdcentra van Mostar uitvoeren.
In het volkomen gedemoraliseerde oostelijk deel van Mostar werkt sinds enige tijd een Saoedische hulporganisatie. Kinderen krijgen koranles en modern Arabisch. De ouders ontvangen vijftig Duitse marken per maand als ze hun dochter gesluierd naar de les sturen. Sally Hember van Terre des Hommes: 'Het is weerzinwekkend. Die organisatie is pas sinds kort hier, het zijn aasgieren die zieltjes winnen onder de volkomen gebroken en desperate bevolking. Hetzelfde gebeurt aan de westkant, waar allerlei westerse christen-fundamentalisten onder mooie voorwendselen kinderen proberen te paaien. De kinderen uit ons dagcentrum in West konden gratis mee op kamp, op uitnodiging van Amerikaanse Reborn Christians. Ik heb het geweigerd, ze zitten daar de hele dag psalmen te zingen en krijgen een nieuw geloof aangepraat. Ze worden gehersenspoeld en na een week ken ik ze niet meer terug. Voor vijftig mark doen de ouders alles hier, het is een maandsalaris. Maar gelukkig maak ik regelmatig mee dat gesluierde meisjes na de koranles hun kleren uittrekken en in de rivier gaan zwemmen. De bikini’s dragen ze onder hun islamitisch verantwoorde kleren.’
VRIJDAGMIDDAG vier uur. Met Sally Hember en haar Bosnische vriend Sacha kijken we op het kantoor van Terre des Hommes naar een video. Zojuist is het luchtalarm afgegaan. We hebben het over kansberekening, over de grootte van de stad, over de 100.000 inwoners, over de kans op een granaat in onze woning. Een medewerker van Terre des Hommes is net vertrokken voor een korte vakantie naar Dubrovnik. Hij dacht dat het daar wel rustig zou zijn. Een paar minuten geleden hing hij, op van de zenuwen, aan de telefoon. Amper in Dubrovnik gearriveerd werd de stad beschoten met mortiergranaten en vielen er minstens drie doden.
Sally zegt dat er tot een week geleden nog systeem zat in de Servische beschietingen. Aanvankelijk schoten ze om vier uur ’s middags en om vier uur ’s nachts. Volgens Sally had dat met hun drink- en eetpatroon te maken. Maar volgens haar vriend Sacha, die in het Joegoslavische leger heeft gediend, moeten de Servische soldaten niet on derschat worden. Psychiater Karadzic heeft het schietpatroon sinds de oorlog rond Knin drastisch veranderd. Mostar zal bloeden.
Plotseling een oorverdovende knal, onmiddellijk gevolgd door geknetter. We duiken over elkaar heen op de grond, de video van de Amerikaanse stand-up comedian loopt door. Weg van het balkon, gilt Sally. Buiten rookwolken, de geur van kruit. Als gekken kruipen we naar de hal van de flat, zo snel mogelijk naar beneden, naar de kelder. Een tweede knal, net zo dichtbij. Op de trappen is het een gekkenhuis, overal bibberende mannen en vrouwen. Iedereen krijst door elkaar heen.
Dan is het buiten ineens weer rustig. De kiosk aan de overkant van ons gebouw is verlaten, de deur staat open, kranten en tijdschriften waaien over straat.
De eerste granaat kwam op straat terecht, in een plas bloed ligt een dode vrouw. De ambulance is er binnen twee minuten. De tweede granaat is in een flatgebouw om de hoek ingeslagen, op het balkon van de tweede verdieping. Het is het gebouw waar de ouders van Sacha wonen, de vriend van Sally. Sacha’s vader is invalide en moslim. Hij woont op de vijfde verdieping. De Kroaten in de flat hebben niet eens geprobeerd hem naar beneden te helpen, zijn vrouw was er niet toe in staat. Bij de buren op de tweede verdieping is het een puinhoop. De granaat heeft de voorkamer totaal verwoest. De oude vrouw zat tijdens de aanslag in de achterkamer. Haar man kijkt verbijsterd naar de ravage. Hij zat bibberend achter de ijskast.
DE THEORIE dat je, als je een mortiergranaat hoort fluiten, nog een fractie van een seconde hebt om te duiken of te bidden, klopt. Tijdens de twee laatste aanslagen hoorden we de granaten niet meer fluiten. De theorie is afkomstig van de Nederlandse mariniers in Split. De mortiercompagnie, die deel uitmaakt van de Rapid Reaction Force, was aan het hartenjagen in Hotel Palace, kort voor we naar Mostar vertrokken. De 'mortugezen’, zoals ze zichzelf noemen, hebben hun tijdelijk tehuis gezellig gemaakt. Ze hebben een hond geadopteerd en hem Joris gedoopt. 'Joris, hier! Ga zitten! Pootje. Blaffen tegen de baas?’
Ze vervelen zich dood in Hotel Palace. Het liefst zou de mortiercompagnie een robbertje gaan vechten op de berg Igman. Voor de Dutchbat'ers die halsoverkop Srebrenica zijn ontvlucht, hebben ze weinig respect. De mariniers, dat zijn de echte strijders. Maar of ze ooit een echte mortiergranaat hebben horen fluiten is de vraag.
’S AVONDS ZIT iedereen zwaar te drinken in het kantoor van Terre des Hommes. Alsof er niets aan de hand is, terwijl iedereen een zenuwinstorting nabij is. In een poging ons te kalmeren vertelt Sacha een Suljo en Mujo-grap, de Bosnisch-islamitische variant van Sam en Moos. Suljo en Muljo lopen door de straten van Mostar en zien een stomdronken blauwhelm op de grond liggen. Suljo zegt tegen Muljo: Kijk, er steekt een honderd- markbiljet uit zijn broekzak, laten we die blauwhelm beroven. Muljo loopt op de soldaat af, trekt het biljet uit de broek van de soldaat, staart er langdurig naar en scheurt het vervolgens in stukjes. Suljo is woedend: waarom heb je dat biljet verscheurd? Muljo antwoordt: Het was een vals biljet van honderd mark, er stonden drie nullen op.
De volgende dag pakken we, vergezeld door een minutenlange roffel van granaten, zo snel mogelijk de bus terug naar Split, met alle bewondering en respect voor de vrijwilligers die achterblijven in Mostar. Maar ook met walging over deze vuile, vieze oorlog. Ik weet niet eens wie ik moet haten. De vuile Cetniks die boven op de berg al dan niet dronken achter hun mortieren zitten en de grootste lol hebben als ze een dodelijke granaat afvuren. De vuile Kroaten die Oost-Mostar hebben kapotgeschoten en verantwoordelijk zijn voor de meeste doden onder de moslims. De domme Spaanse soldaten van Unprofor die in hun witte tankjes door de straten van Mostar rijden en niet veel meer kunnen uitbrengen dan 'Que’.
De beelden van de vijftigduizend moslims in Oost-Mostar zullen nooit meer van mijn netvlies verdwijnen. Ze zitten als ratten in de val, samen met de Kroaten in West- Mostar. Na het vernederende verlies van de Krajina zullen de tienduizenden Bosnisch-Servische soldaten hun woede en gram op Tuzla, Mostar en Sarajevo richten. Dat betekent nog meer mortieren, terwijl de Kroaten in Split feest vieren. De solidariteit met hun broeders in Mostar lijkt te zijn verdwenen.